28
Onduidelijke woorden van twee stemmen drongen tot mijn bewustzijn door. De eerste was een diepe mannelijke stem; de tweede de hogere tonen van een vrouwelijke stem.
‘We weten dat je wakker bent. Kom, doe je ogen open,’ zei de mannelijke stem.
Een koele, zachte hand pakte de mijne vast, en ik hoorde de vrouwelijke stem. ‘Kom, kindje, we willen je helpen. Doe je ogen nu open.’
Met tegenzin deed ik wat ze vroegen.
Ik lag in bed in een kleine witte kamer. Mijn lippen deden hun best om woorden te vormen en ik voelde een vreemde smaak in mijn mond; een voorwerp belette dat er een geluid aan ontsnapte. Mijn tong raakte iets hards aan. Toen besefte ik dat het harde voorwerp van heel diep in me omhoogkwam, tot in mijn keel en door mijn lippen naar buiten. Twee mensen kwamen in focus en ik herkende een van hen als een verpleegster, terwijl de ander, gekleed in een tweedjasje met een priesterboordje een geestelijke was. Vaag besefte ik dat ik in een ziekenhuis lag, toen kwam een stroom braaksel heet en brandend omhoog in mijn keel. Handen legden een kom onder mijn hoofd, en nu het buisachtige voorwerp, waarvan ik later hoorde dat het een maagpomp was, zijn werk had gedaan, schokte mijn lichaam van de inspanning om al het gif eruit te krijgen.
Toen de aanval eindelijk voorbij was, ging ik liggen. Ik hoorde een constant geruis in mijn oren. Een verlangen om weer te gaan slapen maakte dat ik mijn ogen dichtdeed, maar de stemmen lieten me niet zo gemakkelijk gaan.
Ik hoorde hen vragen wie ik was en waar ik woonde, maar ik kende zelf nauwelijks de antwoorden. Mijn hand werd vastgehouden, en omdat ik het een troostend gevoel vond, greep ik die stevig vast.
‘Kom, doe je ogen maar weer open,’ zei de geestelijke. ‘We laten je slapen als je een paar vragen hebt beantwoord.’
Ik dwong mijn oogleden weer vaneen en zag zijn vriendelijke blauwe ogen naar me kijken, met niets anders dan bezorgdheid. Het was die vriendelijkheid die me deed huilen, een verstikkend gesnik dat mijn lichaam net zo deed schokken als het braken had gedaan. De zuster hield nog steeds mijn hand vast terwijl ze mijn gezicht afveegde.
Ik kon troostende geluiden horen zoals moeders gewoonlijk maken tegen hun baby’s. Langzamerhand voelde ik me gekalmeerd, het huilen stopte en toen hij me weer mijn naam vroeg, zei ik dat ik Antoinette heette, ook al was ik die naam gaan haten. Antoinette was de naam waarmee ‘hij’ me aansprak en de naam die de school had gebruikt toen ze me wegstuurden. Toni, degene die ik wilde zijn, had me weten te ontglippen.
Een volgende vraag kwam: hoe oud was ik?
‘Vijftien,’ antwoordde ik, en vermande me voor de volgende vraag, waarvan ik wist dat die zou komen.
‘Antoinette, waarom heb je het gedaan?’
Mijn blik ging naar mijn handen en ik zag de verbonden pols. Het medelijden in zijn stem bracht me opnieuw aan het huilen, stilletjes deze keer. Ongeremd stroomden de tranen over mijn wangen tot ik erin slaagde iets van mijn verhaal eruit te krijgen. Ik vertelde dat mijn vader in de gevangenis zat omdat hij me zwanger had gemaakt, dat ik geen thuis had en niemand iets van me wilde weten. Ik wilde niet leven omdat ik niets had om voor te leven.
Ik kon me er niet toe brengen elke wond te open te leggen, hun te vertellen over alle afwijzingen die ik had ondervonden, hoe waardeloos en onbemind ik me daardoor had gevoeld. Of mijn schuldbesef omdat het leven van mijn moeder verwoest was en ik wist dat ze mij de schuld daarvan gaf. Ook zei ik niets over de droom die ik had gekoesterd, dat mijn vader ontdekt zou worden en volwassenen me zouden omringen met zorg en liefde. Evenmin vertelde ik dat ik had gedroomd dat mijn moeder me van hem weg zou halen en me ergens in veiligheid zou brengen. Ik zei niets over de harde werkelijkheid die gevolgd was op de ontdekking van ‘ons geheim’, die meer was dan ik had kunnen verdragen. Ik kon ze niet vertellen hoe ik de achterkant van mijn nek voelde prikken, of hoe misselijk en gespannen ik me telkens weer voelde als ik een winkel binnenkwam en er een doodse stilte viel. Ik wist dat het stemmengemompel dat ik hoorde op het moment dat ik de mensen mijn rug toekeerde, over mij ging.
Langzamerhand was ik mezelf gaan zien door de ogen van de anderen, iemand die genegeerd moest worden tot ze uiteindelijk zou verdwijnen. Ik was iemand die zo gecorrumpeerd was dat anderen al besmet zouden worden als ze zelfs mijn bestaan maar erkenden.
Niet alleen hád ik niets, maar ik wás niets. En toch bleef er nog een heel klein beetje trots over, dat me belette over die gevoelens te praten. Ik deed het nooit; het was bijna alsof ik hoopte dat ze zouden verdwijnen als ik ze niet onder woorden bracht.
Ik hoorde dat de zuster haar adem inhield en toen de volgende vraag stelde.
‘Wat is er met de baby gebeurd?’ Misschien dacht ze dat ik het kind ter wereld had gebracht en ergens in een portiek had achtergelaten. Ik werd erg kwaad dat ze zoiets van me kon denken.
‘Ze hebben voor een abortus gezorgd,’ zei ik dapper; vijftienjarigen werden niet geacht dergelijke woorden te gebruiken.
‘Antoinette, als je vrij was om te gaan, zou je het dan opnieuw doen?’ vroeg de verpleegster, maar geen van beiden wachtten ze op mijn antwoord – ze wisten wat dat zou zijn.
De geestelijke noteerde het adres waar ik had gewerkt en beloofde mijn kleren te laten ophalen, terwijl de zuster me iets kouds te drinken gaf. Daarna viel ik weer in slaap, nog steeds met dat constante lawaai in mijn oren – het gevolg van het gif dat ik naar binnen had gekregen.
De volgende keer dat ik wakker werd, zat er een man naast mijn bed.
‘Antoinette, wil je iets drinken?’ vroeg hij vriendelijk toen hij zag mijn oogleden begonnen te trillen.
‘Thee,’ antwoordde ik schor. Mijn tong voelde te dik voor mijn mond en mijn keel deed pijn.
Het suizen was zwakker geworden, maar ik had een barstende hoofdpijn.
‘Mag ik een pijnstiller?’ vroeg ik zwakjes.
‘Dat zal op natuurlijke wijze beter moeten worden,’ antwoordde hij. Toen, alsof hij besloot dat ik recht had op een uitleg, ging hij verder. ‘We hebben er een tijdje over gedaan om de aspirines uit je lichaam te pompen.’ Hij zweeg even voor hij verderging. ‘Antoinette, ik ben dokter, maar een dokter voor de geest, een psychiater. Weet je wat dat wil zeggen?’
Ik knikte. Het interesseerde me niet wie hij was. Ik wilde alleen maar mijn thee opdrinken en weer gaan slapen. Maar hij was nog niet uitgesproken.
‘Ik heb een opname voor je geregeld in de plaatselijke psychiatrische inrichting. Daar weten ze hoe ze je moeten behandelen. Je bent ziek, je lijdt aan een zware depressie.’
Het was een uitspraak waarmee ik me kon verenigen. Hij klopte me op mijn schouder, verzekerde me dat ik me gauw weer beter zou voelen, en ging weg. Het was een verzekering waarin ik weinig vertrouwen had. Een paar minuten later, nog steeds in mijn ziekenhuiskleding, en met mijn koffertje, dat de geestelijke voor me had laten halen, werd ik naar een ambulance gebracht en legde ik de korte afstand af naar de psychiatrische inrichting in Purdysburn.
We reden langs het grote bakstenen gebouw dat in de victoriaanse tijd een armenhuis was geweest maar waar nu de langdurige patiënten werden ondergebracht, naar een gebouw van één verdieping. Dit was hun nieuwe eenheid, de psychiatrische kliniek, waarin ik zou worden opgenomen. Ik was verreweg de jongste patiënt.
Die eerste nacht nam ik mijn omgeving nauwelijks in me op. Nog versuft door de overdosis sliep ik tot ik de volgende ochtend wakker werd gemaakt. De gordijnen rond mijn bed waren dichtgetrokken en een opgewekte stem zei dat ik moest opstaan, me moest gaan wassen en dan komen ontbijten. Ik keek op om te zien waar de stem vandaan kwam en zag een jonge verpleegster staan met zo’n spontane en hartelijke glimlach dat ik onwillekeurig teruglachte. Naast haar stond een lang, blond meisje dat een paar jaar ouder was dan ik en door de zuster aan me werd voorgesteld.
‘Dit is Gus. Zij zal je wegwijs maken.’
Met die woorden verdween ze, en we bleven alleen achter. Ik liet Gus’ constante gebabbel, dat me niet onwelkom was, over me heen gaan. Ik kon mijn toevlucht nemen tot zwijgen, want ze pauzeerde alleen maar even om adem te halen of een nerveus, hoog lachje te laten horen. Dat, zou ik spoedig te weten komen, was de keerzijde van de depressie.
Ze liet me de badkamers zien, wachtte tot ik me had gewassen en aangekleed, en bracht me toen naar een kleine eetkamer. Toen mijn desoriëntatie geleidelijk afnam, werd ik me bewust van mijn omgeving. Zowel de afdeling als de eetkamer was geschilderd in zachte tinten en grote ramen lieten het licht naar binnen vallen waardoor er een luchtige, rustige ruimte was ontstaan. Alle andere patiënten zaten al, en Gus stelde me snel voor aan de ongeveer twintig aanwezige mensen. Ik had horrorverhalen gehoord over inrichtingen voor geesteszieken, verhalen hoe mensen, als ze eenmaal waren opgenomen, konden verdwijnen in het systeem en er nooit meer uit tevoorschijn komen. Maar ik had nog nooit gehoord over een psychiatrische kliniek, een betrekkelijk nieuwe instelling.
Iedereen zag er normaal uit. De patiënten van beiderlei geslacht varieerden van late tieners tot jonge vijftigers, en kwamen, zoals ik algauw zou ontdekken, uit alle rangen en standen. Depressie en alcoholverslaving, de twee voornaamste redenen waarom ze waren opgenomen, hielden geen rekening met leeftijd of stand.
In de weken die ik daar vertoefde hoorde ik het verhaal van de meeste patiënten, zoals het verhaal van de vrouw van de rijke vastgoedmakelaar, die een minderwaardigheidscomplex had gekregen door de aanhoudende constante ontrouw van haar man en in het geheim dronk. Net als ik had ze een overdosis genomen. Maar anders dan ik was het van haar een ongeluk geweest. Omdat haar geest verdoofd was door de drank, was ze vergeten hoeveel tranquillizers ze had genomen en bleef ze de dosis maar herhalen. En dan was er het jonge paar dat elkaar een jaar geleden in de kliniek had leren kennen. Ze werden allebei behandeld voor alcoholisme toen ze elkaar ontmoetten, waren verliefd geworden en hadden zichzelf ontslagen. Maar in plaats van hand in hand de zonsondergang tegemoet te lopen, begaven ze zich linea recta naar de dichtstbijzijnde pub.
Sommige patiënten zaten heel rustig, hun tranquillizers versuften hun brein terwijl de artsen wachtten tot hun depressie zou verdwijnen en de controle weer van de drugs zou overgaan op de persoon zelf. Eén vrouw in het bijzonder trok mijn aandacht. Met haar dikke bos helrood haar en haar blanke huid en groene ogen was ze het mooiste en rustigste lid van de groep.
Ik voelde mijn blik tijdens de hele maaltijd voortdurend naar haar toegetrokken, maar zij keek nooit naar mij en at met neergeslagen ogen. Ze leek zich volkomen onbewust van haar omgeving en medepatiënten, en haar volmaakte onverschilligheid wekte mijn belangstelling.
Aan het eind van de maaltijd liep een zuster naar haar tafel, nam haar behoedzaam bij de arm en bracht haar terug naar de zaal. Daar werd ze in een stoel gezet met een deken over haar knieën, en zo bleef ze urenlang zwijgend voor zich uit staren.
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, en bij de eerste de beste gelegenheid vroeg ik Gus wie zij was.
‘Ze is de vrouw van een dokter,’ antwoordde ze. ‘Als ze dat niet was, zou ze niet meer in deze afdeling zijn.’
‘Wat mankeert haar?’ vroeg ik.
‘Dat weet ik niet, maar sommige vrouwen worden erg depressief als ze een baby krijgen, en ze is hier al langer dan een jaar. Toen ze hier kwam, zei ze nog weleens iets, maar zelfs dat doet ze nu niet meer.’
‘Denk je dat ze beter wordt?’ Maar nog terwijl ik het vroeg, wist ik al dat dat niet het geval zou zijn.
Om de een of andere reden vond ik dat belangrijk. Deze vrouw, die ik nog nooit had ontmoet, had mijn nieuwsgierigheid en mijn medelijden gewekt. Ik wist iets over die ruimte waarin we terecht kunnen komen, waar de wereld ons niet langer raakt en de werkelijkheid geleidelijk verdwijnt, maar instinctief voelde ik dat haar ruimte veel bodemlozer was dan die van mij ooit geweest was.
‘Als ze niet beter wordt, wordt ze overgeplaatst, dat gebeurt als je niet reageert op de behandeling.’ Het lot van die vrouw leek Gus onverschillig te laten, en omdat ik niet wilde weten waar ze naartoe zou gaan, vroeg ik niet verder.
Na het ontbijt werd ik door de stafzuster ondervraagd over mijn medisch verleden. Ze zei dat ik de zaal niet mocht verlaten omdat de dokter zou komen om mijn behandeling te controleren en me, indien nodig, medicijnen voor te schrijven. Een uur later kreeg ik het eerste gesprek met een psychiater. Hij maakte uitvoerig aantekeningen terwijl ik zat te praten, maar toen, juist toen ik me begon te ontspannen, stelde hij me de vraag die elk verder contact tussen ons onmogelijk maakte.
‘Antoinette, heb je de avances van je vader ooit prettig gevonden?’
Zelfs toen ik antwoordde: ‘Nooit’, hield hij vol.
‘Je bent een tiener,’ zei hij, ‘dus moet je toch wel bepaalde verlangens hebben gekend.’
Op dat moment haakte ik af, liet zijn stem in de lucht zweven en maakte mijn geest zo ondoordringbaar dat zijn woorden me niet konden bereiken. Ik vertelde hem niet over het dorp dat een outcast van me had gemaakt, dat ik me waardeloos en vernederd had gevoeld, nog steeds verlangde naar de liefde van mijn moeder of dat ik geloofde dat mijn leven geen hoop meer bood. En ook vertrouwde ik hem niet toe dat ik inwendig had gehuild van verdriet over de afwijzingen en de talloze vernederingen. Dat ik de woorden van de rechter tijdelijk was vergeten en mezelf had gezien door de ogen van mijn beschuldigers, namelijk als een verachtelijk schepsel. Ik zette een ander masker op – niet dat van het keurige schoolmeisje en lid van een gelukkig gezin, maar van iemand die gezag wantrouwde en niet geholpen wilde worden.
Ze lieten me tests doen om mijn IQ vast te stellen, en vroegen of ik stemmen in mijn hoofd hoorde die me bevalen bepaalde dingen te doen. De laatste vraag was: dacht ik dat de mensen over me spraken?
‘Dat dénk ik niet, dat wéét ik.’
Maar dat lokte slechts een laatdunkend lachje uit en snelle bewegingen van zijn hand terwijl hij bezig was iets op te schrijven. Later ontdekte ik dat in het rapport stond dat ik kribbig was, niet wilde meewerken en paranoïde was.
In verband met mijn leeftijd besloten ze me te behandelen zonder medicijnen en, belangrijker nog, zonder elektrische shocks. In plaats daarvan werd dagelijkse therapie voorgeschreven.
Tijdens iedere sessie van een uur stelde een van de drie psychiaters die mijn geval behandelden, me vragen over mijn gevoelens en gedachten, die ik zo kort mogelijk beantwoordde. Mijn depressie verborg ik achter een masker van onverschilligheid. De enige vraag waarop ik weigerde het antwoord te geven dat ze verlangden, was: had ik seks ook prettig gevonden?
Ze bleven maar hetzelfde vragen. Ik denk dat ze van mening waren dat ik het wél prettig had gevonden en dat ik alleen door dat toe te geven beter zou kunnen worden. Het was niet om onaangenaam te zijn, dat wist ik. Ze hadden gewoon hun vooropgestelde ideeën en weigerden de waarheid te accepteren. Dachten ze nu werkelijk dat ik geslagen worden, whisky door mijn keelgat gegoten krijgen en geestelijke martelingen doorstaan, plezierig vond?
Hoelang was ik al depressief, luidde een andere vaak herhaalde vraag. Hoelang, denken jullie, had ik hen toe willen schreeuwen. Toen mijn leven op mijn zesde jaar veranderde, dat zou het correcte antwoord zijn geweest, maar ik wist dat het niet was wat ze wilden horen. Een paar weken, zei ik. Ik wist inmiddels precies wat er zou gebeuren met patiënten die ze beschouwden als een gevaar voor zichzelf of ongeneeslijk waren verklaard: overplaatsing naar een lokale afdeling en een definitief afscheid van het leven zoals wij dat kennen.
Buiten onze geïsoleerd gelegen kliniek stond het bakstenen gebouw van het voormalig armenhuis, met de griezelig kleine, getraliede ramen en de lange donkere gangen, die roken naar ontsmettingsmiddelen en schimmel. Rond die steenmassa stonden lage gebouwen waar, afhankelijk van de ernst van de geestesziekte, langdurige patiënten leefden, gekleed in hospitaaluniformen. We zagen vaak hoe ze door verpleegsters, uitgerust met gummistokken, in groepen bijeengedreven werden voor de dagelijkse lichaamsbeweging.
Een psychiatrische inrichting was in die tijd een gemeenschap die geïsoleerd was van de buitenwereld, waar de opvatting heerste dat aan alle behoeften van de inwonenden werd voldaan. Er was een winkel en er was een kantine, die wij mochten bezoeken. Maar elke keer dat ik ernaartoe ging, kwam ik ontmoedigd terug. Het leek een dorp met verloren zielen, mensen die door niemand gewenst en reeds lang vergeten waren.
Het enorme gebouwencomplex lag een eindje van de hoofdweg af. Alle recent ontstane gebouwen rond het uitgestrekte terrein verzonken erbij in het niet. Soms, als de deuren opengingen en een stoet wezenloos starende patiënten naar buiten kwam om hun wandeling te maken of naar de eetzaal te gaan, kon ik een blik naar binnen werpen. Er stonden veldbedden en houten stoelen. Op sommige daarvan zaten de patiënten die zelfs niet fit genoeg waren om buiten te lopen. Ze wiegden heen en weer op hun stoel, zachtjes kreunend.
Na mijn eerste glimp van het leven dat de patiënten leidden die niet goed genoeg werden geacht voor de psychiatrische kliniek, besefte ik hoe gelukkig we waren dat we hier waren ondergebracht. Niet alleen was de inrichting licht en modern, maar we hadden televisie, een sport- en speelzaal, en de keuken was vierentwintig uur per dag open, zodat we warme dranken konden maken wanneer we maar wilden en die mochten meenemen naar een van de comfortabele stoelen. We konden gaan zitten en door de ongetraliede ramen naar buiten kijken, boeken lezen of een wandeling maken wanneer we daar zin in hadden. De enige beperkingen waren dat we veiligheidshalve in groepjes naar buiten mochten en in de kliniek moesten zijn als het tijd was voor onze therapie. Het was ons verboden het terrein te verlaten tenzij we daarvoor toestemming hadden, die alleen gegeven werd als we vergezeld werden van een bezoeker. We kwamen nooit in de verleiding ongehoorzaam te zijn aan dat gebod en op bezoek te gaan in de buitenwereld, want we hadden geen enkel verlangen om de veiligheid en de kameraadschap van de kliniek in de steek te laten.
Ook de bezoekuren in de kliniek waren ongedwongen. Zolang de bezoekers maar vertrokken voordat de laatste dranken van de avond werden geserveerd, was er geen streng vastgestelde tijd van komen en gaan. De eerste zes dagen die ik daar doorbracht, keek ik elke dag uit naar mijn moeder. Was ik vergeten door de enige die ik nog overhad, vroeg ik me wanhopig af als er weer een dag voorbijgegaan was zonder haar. Als ik besefte dat het te laat was en ze niet meer zou komen, trok ik me terug in bed, waar ik, met de gordijnen gedeeltelijk dichtgetrokken, mijn medepatiënten observeerde die met hun bezoek rond hun bed zaten. Ik trok een onverschillig gezicht en hield een boek voor mijn neus bij wijze van troost.
Elke avond zag ik de man van de roodharige vrouw en hun twee zoontjes, van wie een nog in de luiers. De kinderen hadden haar ogen en haar. Tijdens elk bezoek hield hij haar hand vast en praatte tegen haar, terwijl de kinderen erbij zaten met hun kleurboeken en speelgoed. Ik voelde zijn wanhoop en de verwarring van hen alle drie. Zij bleef roerloos zitten, met een zwak, nietszeggend glimlachje. Ze zei helemaal niets, geen woord. Ze had geen andere keus meer dan in die ruimte te blijven waar de realiteit zinloos was, maar ik begon te beseffen dat ik die wél had. Als ik naar hen keek, voelde ik een vonk van optimisme in me, en al wist ik hoe gemakkelijk het zou zijn om me te laten gaan, in mijzelf te verdwijnen tot ik net zo was als die roodharige vrouw, ik wilde dat niet meer. De kracht die de jeugd eigen is, begon terug te komen.
Mijn moeder kwam die zondag met fruit, paperbacks, tijdschriften en bloemen. Ik voelde zo’n golf van intense liefde voor haar dat het pijn deed. Later ontdekte ik dat de kliniek had gebeld en gevraagd had waarom ze niet op bezoek kwam. Ik was nog minderjarig en zou bij haar moeten wonen als ik uit de kliniek werd ontslagen. Heel charmant had ze uiting gegeven aan haar bezorgdheid; het enige wat haar ervan weerhouden had me te bezoeken, vertelde ze, was het feit dat ze werkte. Als manager moest ze ’s avonds toezicht houden op het personeel, maar natuurlijk was ze van plan zondag op bezoek te komen, haar enige vrije dag. Met slechts één inkomen kon ze het zich niet veroorloven extra tijd vrij te nemen, en ze wist dat ik het zou begrijpen.
De stafzuster, die net zo begrijpend probeerde te kijken als mijn moeder verwachtte dat ik zou zijn, bracht me op de hoogte van de situatie en ik, blindelings trouw aan mijn moeder, gaf toe dat het moeilijk zou zijn.
Toen ik haar zag binnenkomen, holde ik naar haar toe en kreeg een knuffel terug, de eerste in een heel lange tijd. Ze vertelde me hoe ongerust ze zich over me had gemaakt en dat dit voorlopig de beste oplossing voor me was. Toen vertelde ze me hoeveel ze van haar werk hield. Ze had voor ons allebei plannen gemaakt, zei ze. Ik moest niet in het huis van anderen wonen. Het was de manier waarop ze me behandeld hadden, daarvan was ze overtuigd, die de oorzaak was van mijn inzinking. Toen zei ze wat ik het liefst wilde horen: als ik beter was, kon ik in het café werken als serveerster en bij haar wonen tot ik ouder was. Ze had een huis gezien, vervolgde ze – een leuke, kleine portierswoning die we ons, samen met mijn salaris, konden veroorloven. De serveersters verdienden meer dan zij als manager, omdat het café veel bezocht werd door zakenlieden die royaal waren met fooien, vooral voor knappe, goed opgevoede meisjes als ik, voegde ze eraan toe met een van haar lieve glimlachjes die ik zo lang had moeten ontberen.
Het was de eerste keer sinds ik heel klein was dat mijn moeder me een complimentje maakte, en ik straalde van genoegen. Ik babbelde tegen haar zoals ik in lange tijd niet gedaan had en vertelde haar over sommige andere patiënten met wie ik bevriend was. Toen het bezoekuur was afgelopen, zwaaide ik haar blij te moede uit, wensend dat ik niet een hele week hoefde te wachten voor ik haar weer zou zien.
De weken die ik in de kliniek doorbracht gingen snel voorbij, want al waren onze dagen niet volledig georganiseerd, toch leken we altijd druk bezig. Het was in die kliniek dat ik een vriendschap sloot die verschillende jaren zou duren. Mijn vriend heette Clifford. Hij had gehoord over mijn verleden, en door mijn verbonden polsen wist hij, net als alle anderen, wat ik geprobeerd had te doen. Het was een platonische relatie, wat ons beiden goed uitkwam. Hij had weinig of geen seksuele belangstelling voor vrouwen en onderdrukte alle andere verlangens die hij had, wat de oorzaak was van het vertrek van zijn vrouw en zijn daaropvolgende inzinking. Dat had hij me tijdens een van onze gezamenlijke wandelingen toevertrouwd, omdat hij voelde dat ik, in tegenstelling tot zijn vrouw, die bekentenis geruststellend zou vinden.
Mijn depressie begon te verdwijnen, geholpen door het constante gezelschap, Cliffords vriendschap en de nu meer frequente bezoeken van mijn moeder. Ik voelde dat ik een doel had: ik had een onderkomen waar ik naartoe kon, een baan die op me wachtte en een nieuwe start in het leven.
Drie maanden nadat ik in Purdysburn was opgenomen kwam mijn moeder me ophalen.