19

De slaapverwekkende routine van het verpleeghuis leek de dagen ineen te doen vloeien, en de eerste tien dagen gingen voorbij zonder dat het goed tot me doordrong.

De slaap liet me snel in de steek als de ongemakkelijke stoel me eraan herinnerde waar ik was. Als ik bij bewustzijn kwam voordat mijn ogen met tegenzin opengingen, luisterde ik naar de ademhaling van mijn moeder en vroeg me af of ze tijdens haar slaap eindelijk haar hardnekkige greep op het leven had losgelaten. Half hopend, half vrezend, dwong ik mezelf te kijken, om te constateren dat haar blik strak op me gericht was, en dat ze wachtte tot ik wakker zou worden.

Mijn hulp was nodig om haar naar de badkamer te helpen. Met een arm om haar schouder en een onder haar arm legden we schuifelend de twee meter lange afstand af. Daarna volgde de pijnlijk langzame terugkeer naar haar stoel, waar ze, als ze eenmaal zat, met een zucht achteroverleunde, uitgeput voordat de dag was begonnen.

Om me heen hoorde ik het gemompel van stemmen, de kalme tred van schoenen met rubberzolen, het kraken van een opengaande deur en een radio waaruit muziek klonk toen het verpleeghuis weer tot leven kwam.

We wachtten, mijn moeder in haar stoel, ik op de rand van het bed, op het geluid van het wagentje. Het was het komen en gaan van die zielloze voorwerpen, voortgeduwd door glimlachende verpleegsters of vriendelijke vrijwilligsters, dat het wegtikken van de uren markeerde.

Vier paar ogen gingen open en richtten zich op de deuropening toen het gerammel van het eerste wagentje hoorbaar werd. Dat bracht de medicijnen rond, om de pijn te verdrijven die door het bewustzijn uit zijn sluimer was gewekt.

De tweede was het dankbaar ontvangen theewagentje. Met mijn handen om het kopje dronk ik het dampende vocht, terwijl ik wachtte op het derde wagentje, dat mij een kort respijt zou verlenen en de patiënten het ontbijt bracht.

Als dat wagentje kwam, kon ik ontsnappen. Eerst naar een doucheruimte, waar ik, staande onder de krachtige straal, mijn spanning voelde afnemen. Vervolgens naar de lounge, waar ik, gewapend met een mok sterke koffie, in alle rust en vrede de krant las. Hier hingen geen borden met ‘Verboden te roken’, omdat voor deze patiënten sigaretten geen probleem meer vormden.

Er werd geen commentaar geleverd als een geelgetinte patiënt zijn zuurstofmasker afnam en lucht verving door nicotine, terwijl hij met bevende vingers een sigaret tussen zijn bloedeloze lippen hield en diep inhaleerde. Ik haalde een pakje uit mijn zak en stak met een zucht van genot een sigaret op. De gedachte dat ik me misschien op de juiste plek bevond om van mijn verslaving af te komen verdween prompt als mijn verlangen werd gestild.

Het gerammel van het terugkomende wagentje verstoorde mijn eenzaamheid. Ik wist dat het beladen zou zijn met borden waarop nog de restanten lagen van de moedige pogingen om te eten als alle eetlust was verdwenen.

Hierna kwamen de gretig verwachte rondes van de artsen. Toen ik terugkwam in de zaal viel het me op dat vier oude dames die weinig tijd meer voor de boeg hadden zichtbaar opvrolijkten in aanwezigheid van een knappe jonge man. Alle hoop om naar huis te gaan was vervlogen: zowel hij als zij wisten dat elke kans op genezing was verkeken toen ze werden opgenomen. Het enige wat hun nog restte, waren de dagelijkse vragen over pijnbeheersing en de eventueel noodzakelijke aanpassingen van de medicijnen. Hier werd met vriendelijkheid en medeleven de laatste reis verlicht.

Kleine overwinningen gaven me vluchtige momenten van triomf, zoals een fonkeling in de ogen van mijn moeder als ik haar had overgehaald om zich naar de bezoekende kapper te laten brengen, zich te laten masseren met aromatherapie-oliën of haar nagels te laten manicuren. Het genot van een uur lang te worden vertroeteld verdreef tijdelijk de herinnering aan pijn en het vooruitzicht van wat onvermijdelijk zou volgen.

’s Middags kwam het dagelijks bezoek van mijn vader. De goede noch de slechte vader verscheen, maar een oude man met een bos bloemen die hij in de haast bij een pompstation had gekocht, want hij was bedrevener in het vullen van de benzinetank dan in bloemschikken. Een oude man die met zowel tederheid als hulpeloosheid staarde naar de enige mens van wie hij naar zijn beste vermogen had gehouden, en die op haar beurt zoveel had opgeofferd om bij hem te blijven. Zijn tred vertraagde en zijn gezicht stond bedroefd, terwijl hij staarde naar zijn vrouw die langzaamaan, dag na dag, afscheid moest nemen van het leven.

Het medelijden dat ik met hem voelde vermengde zich met mijn nachtelijke herinneringen, en mijn verleden en heden botsten.

Op de elfde dag was mijn moeder te zwak om naar de badkamer te schuifelen.

Op de twaalfde kon ze niet meer zelfstandig eten.

Zoals ik al die jaren geleden inwendig had gesmeekt dat een volwassene de wanhopige behoefte in mijn ogen zou zien, smeekte ik haar nu stilzwijgend mij om vergeving te vragen. Alleen dat, wist ik, zou haar helpen die ragfijne draad die haar nog met het leven verbond door te snijden.

De trage tred van mijn vader versnelde als hij haar bed naderde, een glimlach die zijn gevoelens moest verbergen, verscheen voor haar alleen. De bijna tastbare verbondenheid tussen hen had een kracht die de mijne uitputte. Ik zag de lounge als mijn toevluchtsoord, een boek als mijn gezelschap, terwijl koffie en sigaretten mijn pijnstillers waren.

Eindelijk kwam mijn vader naar me toe. ‘Antoinette,’ hoorde ik hem zeggen, met een smekende klank in zijn stem waartoe ik hem niet in staat had geacht, ‘ze komt nooit meer thuis, hè?’

Ik keek in de door tranen beslagen ramen van een gekwelde ziel, waarin het kwaad slapende was, vervangen door verdriet over zijn eigen naderende verlies.

Vermoeid, want ik zocht noch wenste deze confrontatie, antwoordde ik: ‘Nee.’

Ik zag het verdriet in zijn ogen, en medelijden kwam onwillekeurig in me op; mijn gedachten gingen tientallen jaren terug in het verleden, naar de herinnering aan de lachende, knappe, aardige vader die ons van de boot kwam halen. Triest realiseerde ik me hoeveel ik toen van hem hield, hoe hij me optilde en door de lucht zwaaide, en mijn moeder zoende. Alsof dat vluchtige moment verankerd was in de tijd, zag ik weer hoe mijn moeder straalde van optimisme en hoe haar hoop in de loop der jaren de bodem werd ingeslagen. Droefheid dreigde me te overmannen, terwijl ik me afvroeg hoe twee mensen, die zoveel liefde voor elkaar konden opbrengen, uiteindelijk zo weinig hadden gevoeld voor het kind dat ze samen op de wereld hadden gezet.

‘Ik weet,’ ging hij verder, ‘dat ik verschrikkelijke dingen heb gedaan, maar kunnen we toch vrienden zijn?’

Vele jaren te laat, dacht ik. Eens heb ik naar liefde verlangd. Ernaar gehunkerd. Nu kan ik je die niet meer geven.

Een traan rolde uit zijn oog en gleed ongecontroleerd over zijn wang. Zijn met ouderdomsvlekken bedekte hand raakte de mijne even aan, en een secondelang liet ik me vertederen en zei slechts: ‘Ik ben je dochter.’