24
Dertien dagen waren voorbijgegaan sinds ik in het verpleeghuis was gearriveerd. Nu kondigde de komst van het wagentje niet langer mijn ontsnapping aan, want ik had ik er een nieuwe taak bij gekregen. Lepel voor lepel moest ik mijn moeder voeren. Eerst knoopte ik een servet om haar hals en dan bracht ik een kopje naar haar mond, zodat ze slokje voor slokje haar ochtendthee kon drinken. Ze zat met gevouwen handen. Haar nu doffe ogen keken in die van mij toen de cirkel van onze rolwisseling compleet was. Daarna lepelde ik kleine porties roereieren of vruchtenyoghurt naar binnen. Na elk hapje veegde ik voorzichtig met een vochtige doek haar mond af om de restjes voedsel te verwijderen die langs haar kin dropen.
Het vertrek van de wagentjes werd gevolgd door de ronde van de artsen. ‘Hoelang?’ vroeg ik zwijgend, maar hun gezicht verried niets.
Nu wachtte ik op het bezoek van mijn vader. Als ik zijn voetstappen hoorde, stond ik op en liep naar de lounge, waar mij koffie en sigaretten wachtten. De eenzaamheid van de lounge was me die dag niet beschoren, want er zat een andere vrouw in het rookgedeelte, met een gesloten boek op haar schoot.
Ze glimlachte aarzelend en stelde zich voor als Jane. In het volgende uur vernamen we dat we allebei in het verpleeghuis sliepen. Voor haar waren dit de laatste dagen van wat een gelukkig huwelijk was geweest en haar laatste liefdesgeschenk aan haar man. Zijn botkanker, vertelde ze, had zich nu verspreid en had zijn hersens aangetast, en hij herkende haar nauwelijks. Het verlies, dat onvermijdelijk was, had fijne rimpeltjes gegroefd in haar gezicht en donkere schaduwen onder haar ogen getekend.
Zwijgend juichte ik haar moed toe; zij zag het einde van haar leven zoals zij dat gekend had, terwijl ik mijn eigen leven had om naar terug te keren.
Ons gesprek kabbelde voort en we begonnen de vragen te stellen die leidden tot het vormen van een vriendschap, al wisten we beiden dat die maar tijdelijk zou zijn. Ze informeerde naar mijn achternaam en waar ik vandaan kwam uit Ierland. Zonder erbij na te denken vertelde ik die haar.
‘Maar ik ben in Coleraine geboren!’ riep ze uit, met een korte vreugde over het ontdekken van een band tussen ons. ‘Je komt me zo bekend voor – heb je soms een nicht die Maddy heet?’
Herinneringen aan mijn Ierse familie en mijn talloze verwanten die ik jarenlang niet gezien had, kwamen bij me op toen ik een paar seconden lang terugkeerde naar Coleraine. Terwijl ik zocht naar de juiste woorden, zag ik vluchtige blikken van herkenning en verlegenheid. In de wetenschap dat in een verpleeghuis vriendschappen slechts van korte duur zijn, gesloten om steun te verlenen in moeilijke en droevige dagen en nachten, voelde ik geen enkele gêne. Ik antwoordde slechts: ‘Ze is de nicht van mijn vader.’
Haar ogen richtten zich op een plek boven mijn schouder, en zonder hem te horen of te zien, voelde ik de aanwezigheid van mijn vader. Ik had geen andere keus dan hem haastig voor te stellen.
Op zijn ‘Hallo’ en vragende blik vulde ze de stilte met een geforceerde opgewektheid, die ze beslist niet voelde.
‘Ja, uw dochter en ik hadden het net over Coleraine – daar kom ik ook vandaan.’
De stilte die volgde op haar onschuldige opmerking hing loodzwaar in de lucht, tot mijn vader een beleefd antwoord wist te vinden.
‘Prettig u ontmoet te hebben. Neem me niet kwalijk, maar ik moet even mijn dochter spreken.’
Ik voelde zijn vingers om mijn elleboog. Hij duwde me naar de hoek die het verst van Jane vandaan was en liet me toen abrupt los. Ik keek naar zijn gezicht, in die glinsterende bloeddoorlopen ogen van hem, en zag dat elk spoor van de bedroefde oude man van een paar dagen geleden verdwenen was. Ik zag niet de man die bijna tachtig was, maar de woedende veertigjarige die naar de gevangenis ging. De jaren vielen weg, namen de volwassene mee en lieten het kleine angstige kind van vroeger achter.
Door mijn ingewortelde angst heen hoorde ik zijn dreigende stem: ‘Praat niet over onze privézaken, kind. Het is niet nodig dat je zegt dat je in Coleraine hebt gewoond, en vertel ook niet naar welke school je ging. Hoor je me, Antoinette?’
Het zesjarige meisje dat in me leefde knikte en fluisterde: ‘Ja.’
Mijn volwassen ik wist dat het moment voor voorwendsels voorbij was. De angst van mijn ouders om herkend te worden als ze zich buiten hun afgezonderde leven begaven, was nu verwezenlijkt. Hoe ironisch, dacht ik, dat het mijn moeders angst voor de dood was die dat tot stand had gebracht.
Ik deed mijn uiterste best zowel de angst als de haat uit mijn jeugd onder controle te krijgen, en dwong me het masker van Toni, de succesvolle zakenvrouw, weer op te zetten. Ik keek hem minachtend aan en liep weg.
Toen ik terugkwam in de zaal van mijn moeder zag ik een vaas met verse bloemen naast haar bed staan. Glimlachend met de bezieling die de bezoeken van mijn vader vaak bij haar opriepen, wees ze ernaar. ‘Kijk eens wat papa heeft meegebracht!’
Het spel van het gelukkige gezin kan weer beginnen, dacht ik vermoeid, maar het gevoel van zijn vingers op mijn arm bleef in mijn geest gegrift terwijl ik de rol weer op me nam van de plichtsgetrouwe dochter.
De middagroutine omvatte niet langer het moeizame geschuifel naar de badkamer. Rubberslangen en een plastic zak hadden die noodzaak vervangen. In plaats daarvan hielp ik haar in bed, waste haar en schudde de kussens op. Uitgeput deed ze dan haar ogen dicht en viel ze in slaap. Dan sloeg ik een boek open en probeerde me te verdiepen in de inhoud ervan, terwijl ik wachtte op de wagentjes die thee, avondeten en pijnstillers brachten. Als de laatste waren toegediend, kon ik eindelijk ontkomen naar de lounge.
Tussen de komst van de diverse wagentjes door zaten grote families rond het bed van geliefde mensen, maar als het bezoek van mijn vader voorbij was, hield ik als enige de wacht bij haar bed. Een musicienne kwam geregeld op bezoek om de melodieën te spelen die de patiënten tot rust moesten brengen en amuseren, en mijn moeder vroeg altijd om haar lievelingslied. ‘Vraag haar “Londonderry Air” te spelen,’ was haar vaste verzoek. Dan werd er liefdevol getokkeld op de snaren van de lier en zweefden de hypnotiserende klanken door de lucht voor een publiek van vier oude dames en mij.
Toen ik de dertiende avond in de lounge zat, voelde ik tranen over mijn wangen druppen. Kwaad veegde ik ze weg. De controle over mijn herinneringen verdween toen de doos van het jaar 1959 opensprong en de inhoud naar buiten kwam. Dat jaar was de ene nachtmerrie geëindigd en de andere begonnen.
Twee kanten van me vochten die avond om de overhand te krijgen: het angstige kind dat in me leefde, en de succesvolle vrouw die ik met hard werken was geworden. Mijn visioen werd wazig en ik kreeg de bekende gewaarwording dat ik viel, alleen was ik deze keer wakker. Ik kreeg het benauwd en in de paniek veranderde mijn ademhaling in een pijnlijk gerochel. Het licht vervaagde, en toen voelde ik een hand op mijn schouder en hoorde ik een stem die vroeg: ‘Toni, is alles goed met je?’
Ik keek op en zag Janes vriendelijke ogen, die bezorgd in die van mij keken. Nee, dacht ik, ik wil huilen, ik wil armen om me heen, ik wil getroost worden, en ik wil dat mijn herinneringen verdwijnen.
‘Ja,’ antwoordde ik, en veegde mijn tranen weg. Toen werd mijn nieuwsgierigheid me de baas. ‘Je weet wie ik ben, hè?’
Haar vriendelijke ogen bleven naar me kijken terwijl ze knikte. Ze gaf een zacht kneepje in mijn schouder, liet me toen alleen en ging terug naar het bed van haar man.
Als golven die worden voortgedreven door een hevige storm sloegen mijn herinneringen toe, en ik vreesde dat ik zou verdrinken. Het masker waarachter ik het kind verborgen had, was afgegleden; niet langer was ik degene die ik met zoveel inspanning was geworden. In de twee weken die ik in het verpleeghuis had doorgebracht was Toni, de zelfverzekerde zakenvrouw, langzamerhand weggeglipt. Antoinette, het bange kind, de gehoorzame marionet van haar ouders, begon de macht weer over te nemen.
Ik was enorm afgevallen, en toen ik in de spiegel keek, staarden Antoinettes ogen, met de donkere kringen, me vol angst en paniek aan, gevoelens die nu dreigden me te overspoelen.
Niet in staat aan mijn herinneringen te ontkomen, voelde ik dat het verleden me terugtrok, dat ik dreigde mijn gezonde verstand te zullen verliezen, dat ik wankelde langs een afgrond, aan de rand waarvan ik al twee keer had gestaan. Ik voelde weer de aandrang die afgrond over te steken, want aan de andere kant lag de veiligheid, een veiligheid waarin alle verantwoordelijkheid voor ons leven wordt weggenomen en we die als een kind overdragen aan anderen. Dan kunnen we ons als een embryo ineenrollen en de dagen over ons heen laten gaan tot de geest een lege ruimte wordt en voor altijd bevrijd is van nachtmerries.
Mijn slaap, soms aan het bed van mijn moeder, soms op een veldbed in de kamer van de dokter, werd door voortdurende nachtmerries onderbroken. Daarin was ik hulpeloos, omdat alle controle aan me ontglipte. Waarschuwende belletjes klonken in mijn hoofd toen ik mijn volwassen persoonlijkheid voelde verzwakken. Ik had hulp nodig, en snel. Dit zou me niet gebeuren, niet weer. Ik wilde – kon – dat niet toestaan.
Ik ging naar de geestelijke. Denkend dat ik een beetje verlichting zocht van het zorgen voor de stervenden, van het vasthouden van skeletachtige handen en het overhandigen van zakdoekjes aan bedroefde nabestaanden van een onlangs overledene, liet hij me glimlachend binnen in zijn kamer. Hij wist niet dat dit niet bepaald zijn geluksdag zou worden.
‘Ik moet praten,’ wist ik eruit te brengen terwijl ik ging zitten, en hij zag dat de stoïcijnse, beheerste vrouw die hij kende volkomen verdwenen was. De bezorgde blik op zijn gezicht bewees dat hij besefte dat hij met iets meer te maken zou krijgen dan alleen met een vrouw wier moeder op sterven lag. Want mijn moeder was tachtig, wat over het algemeen toch als een lang leven zou worden beschouwd, en ik had een jaar de tijd gehad om me voor te bereiden op de onvermijdelijke afloop van haar kanker. Maar dat, zoals hij spoedig zou ontdekken, was niet de reden waarom ik hem wilde spreken.
Hij, een medelevende man met gevoel voor humor, was de geestelijke naar wie mijn moeder verschillende keren midden in de nacht had gevraagd, voordat ze ontdekte dat de moed haar uiteindelijk ontbrak om hem haar angst toe te vertrouwen. Want hoe kon ze berouw hebben over iets dat ze nog steeds weigerde toe te geven? Mijn moeder, besefte ik nu, zou sterven in de vaste overtuiging dat zij het slachtoffer was, een overtuiging die alles zou overheersen en alle twijfels zou onderdrukken.
Hij keek me verwachtingsvol aan terwijl ik mijn nicotinestaafje met bevende handen opstak. Hakkelend vertelde ik hem mijn verhaal, vertelde dat ik de emoties die ik als kind had ervaren opnieuw beleefde, maar vermengd met iets dat leek op schaamte, een schaamte die ik zoveel jaren had toegestaan me in haar greep te houden. Waar mijn moeder het spel van het gelukkige gezin had geregisseerd toen ik nog een kind was, had ik als volwassene dezelfde mythe laten voortbestaan.
Waarom, vroeg ik hem, had ik dat gedaan? Waarom had ik een verleden verzonnen waarin liefhebbende ouders voorkwamen? Waarom had ik mezelf voor de gek gehouden en nooit de moed gevonden me ervan los te maken?
‘Waarom, denk je, dat je dat niet kon?’ vroeg hij, terwijl hij de stilte liet voortduren, me tijd gaf om na te denken, terwijl hij geduldig wachtte op mijn antwoord.
‘Ik wilde net als de anderen zijn als ze het hadden over hun jeugd. Ik wilde dat ze zouden denken dat ik naar Noord-Ierland ging om mijn familie te bezoeken, dat ik bij een familie hoorde.’
‘En was dat zo? Heb je ooit weer het gevoel gehad dat je bij je familie hoorde?’
Toen dacht ik aan de waarheid, de dingen die ik getolereerd had, de dingen die ik geaccepteerd had en nooit in twijfel had getrokken.
‘Nee, ik probeerde altijd op bezoek te gaan als mijn vader naar zijn familie ging. Na die dag waarop ze me verbannen hebben en ik niet meer bij hen thuis mocht komen, heb ik geen van hen ooit nog gezien, Mijn grootouders, tantes, ooms, en nichten en neven bleven zíjn familie, maar waren niet langer de mijne.’
Ik zweeg even en erkende toen wat ik zelfs tegenover mezelf niet had willen toegeven. ‘Weet u, diep in mijn hart miste ik hen als tiener heel erg, maar ik stond mezelf nooit toe eraan te denken, te bekennen hoe eenzaam ik was. Ik heb mezelf nooit toegestaan enige verbittering te voelen, maar toen mijn grootmoeder me vertelde dat ik niet langer welkom was in hun woningen, was ik als verdoofd van wanhoop.’
Ik zweeg even, terwijl ik me de gevoelens herinnerde van zo scherp te worden afgewezen.
‘Wat ik voelde, ging dieper dan eenzaamheid; het was het gevoel dat ik een vreemde was voor iedereen ter wereld. Later, als hij naar een trouwpartij in de familie ging, en dat gebeurde diverse malen, en ik nooit werd uitgenodigd, vroeg ik me niet af waarom niet. Ik accepteerde het feit dat ik niet gewenst was en heb nooit iets gezegd over de onredelijkheid ervan. Ik wist dat ze collectief een besluit hadden genomen, dat ze daar niet op terug konden komen, want ze hadden míj maar niet hém uit hun hart gebannen. Ik mocht zelfs niet op de begrafenis van mijn grootmoeder komen. Eens had ze van me gehouden en ik van haar. Dat alles werd me ontnomen door wat híj had gedaan, niet ik, en mijn moeder zei nooit een woord erover. Ze accepteerde het gewoon.’
‘En je familie in Engeland? Je had vroeger toch een sterke band met ze?’
‘De jaren die mijn vader in de gevangenis heeft gezeten, de jaren die ik in een psychiatrische inrichting heb doorgebracht, zorgden voor te veel hiaten om een goed gesprek met ze te kunnen voeren. Ik voelde me nooit op mijn gemak, want zij, de enkelen die ik sprak toen ik pas uit Noord-Ierland terugkwam, konden niet begrijpen waarom ik niet thuis woonde en banen aannam om te overleven. Ze zagen me, geloof ik, meer als de dochter van mijn vader, een man die ze altijd als hun mindere hadden beschouwd, en natuurlijk had ik zoveel te verbergen dat ik een heimelijke indruk op hen moet hebben gemaakt. Ik was onaangepast. Ik had ze waarschijnlijk wel kunnen opzoeken, maar ik verkoos het niet te doen.’
Zelfs de oma, met wie ik zo’n hechte band had gehad toen ik in Engeland woonde, was door de familiegeheimen van me verwijderd geraakt. Ze mocht niet weten waarom ik vervroegd van school was gegaan en de plannen voor een universitaire studie had opgegeven, die ik haar eens zo enthousiast had beschreven. Ik zag haar nog maar een paar keer voor ze stierf.
De geestelijke keek me vol medeleven aan. ‘Dus als tiener had je niemand, geen broer of zus, geen uitgebreide familie, geen ooms en tantes bij wie je je heil kon zoeken, alleen je ouders.’ Toen stelde hij me een onverwachte vraag. ‘Hield je van ze?’
‘Ik hield van mijn moeder. Dat is nooit veranderd. Ik heb nooit van mijn vader gehouden. Toen ik klein was, was hij zó vaak weg, dat hij iemand leek die op bezoek kwam en cadeautjes voor me meebracht. O, hij kon immens charmant zijn als hij wilde, maar ik was altijd bang voor hem. Zelfs nu heb ik nog gemengde gevoelens. Dat is juist zo verwarrend. Het ene moment zie ik een oude man die nog steeds van zijn vrouw houdt, zoals hij altijd heeft gedaan. Ik weet hoe goed hij voor haar zorgde toen ze ziek werd. En dan herinner ik me het monster uit mijn jeugd. Hij kan me nog steeds intimideren,’ bekende ik ten slotte.
‘Liefde is een gewoonte die moeilijk te verbreken is,’ zei hij zacht. ‘Vraag het aan iedere vrouw die een slechte relatie heeft gehad lang nadat die is opgehouden. Vrouwen die vaak naar een opvanghuis hebben moeten vluchten, nemen hun gewelddadige partner terug. Waarom? Omdat ze niet houdt van de man die haar heeft misbruikt, maar van de man met wie ze dacht dat ze getrouwd was. Ze zoekt die man steeds weer opnieuw. Je band van liefde werd geknoopt als baby: de band tussen moeder en dochter werd toen gesmeed. Als je vader haar gewelddadig had behandeld, had je misschien geleerd hem te haten, maar dat deed hij niet, en je moeder heeft jou en zichzelf gehersenspoeld om te geloven dat zij het slachtoffer was van jouw gedrag. Emotioneel draag je de schuld van je kindertijd; logisch gedacht weet je dat je ouders je niet verdienen, en jij verdiende hén zeker niet, dat deed geen enkel kind. Ik ben een man Gods, ik preek vergiffenis, maar, Toni, je moet duidelijk weten welke rollen je ouders gespeeld hebben, je moet de rol accepteren die je moeder heeft gekozen, teneinde jezelf te bevrijden, want dat is het enige waarmee je nooit tot een vergelijk hebt kunnen komen.’
Zijn woorden leken de barrières af te breken die ik rond de waarheid had opgeworpen. De woorden, toen ze eenmaal werden losgelaten, stroomden naar buiten. Ik vertelde hem dat ze voortdurend zei dat ik ‘mijn best moest doen om het mijn vader naar de zin te maken’, dat ze ‘genoeg had geleden’, dat ze ‘het ene medicijn na het andere slikte tegen de zenuwen’, dat ik haar altijd ‘zorgen had gegeven’.
‘Ik zag ertegenop om naar huis te bellen, maar deed het bijna elke week, en ik wist dat ik haar gebruikelijke refrein te horen zou krijgen: “Wacht even, schat, papa wil wat zeggen”, en al die jaren deed ik haar zin, bang dat ze niet meer van me zou houden als ik haar confronteerde met de werkelijkheid.’
En ten slotte vertelde ik hem wat ik nooit tegen iemand had gezegd, namelijk hoe ik me voelde ten opzichte van Antoinette, het kind dat ik eens geweest was.
‘Ze zou zo heel anders zijn geweest als ze normaal had kunnen opgroeien, naar de universiteit was gegaan, vriendinnen had gehad. Ze heeft nooit een kans gekregen, en altijd als er iets misgaat in mijn leven, geef ik die kindertijd de schuld. Toen ik nog een stuk jonger was, nam zij het over en beleefde ik al haar emoties opnieuw. Dat was het moment waarop ik geestelijk schadelijke relaties aanging en zei: “Hallo, ik ben hier, dit voelt aan als mijn onderdak.” Of mijn oude kindervriend, de fles, verscheen weer op het toneel. Ik heb mijn leven lang tegen die demonen gevochten en meestal heb ik gewonnen, maar nu win ik het niet.’
De asbak werd vol terwijl ik zat te praten, en mijn hoofd verhelderde toen ik de ultieme waarheid accepteerde.
‘Ze heeft nooit van me gehouden. Ze heeft me nu nodig om rustig en vredig te kunnen sterven, met haar droom intact, de droom van een knappe man die haar adoreert, van een gelukkig huwelijk en één kind. Ik ben niet meer dan een medespeelster in haar laatste akte. Dat is mijn rol hier.’
‘En ga je die droom vernietigen?’
Ik dacht aan de broze gestalte van mijn moeder, die nu zo afhankelijk van me was. ‘Nee,’ zuchtte ik. ‘Hoe zou ik dat kunnen?’