12
Wat me nog ongeruster maakte over ons vertrek uit Cooldaragh was dat mijn moeder me had verteld dat ik niet bij hen zou komen wonen als we verhuisden. Ik zou naar mijn peetmoeder in Tenterden worden gestuurd. Het was al geregeld dat ik daar naar de plaatselijke school zou gaan. Zelfs al verzekerde ze me dat het maar een tijdelijke oplossing was, totdat zij en mijn vader een huis voor ons hadden gevonden, toch had ik het gevoel dat ik in de steek werd gelaten. Mijn leven in ons gezin mocht dan verschrikkelijk zijn geweest, het vooruitzicht te worden overgedragen aan de zorg van vreemden was nog angstaanjagender.
Zo onverschillig als mijn moeder leek te zijn over het feit dat ze van mij gescheiden zou worden, zo wanhopig was ze over de noodzaak een goed onderkomen te vinden voor Bruno, haar lievelingshond. Hij zou naar Zuid-Ierland gaan, waar de dochter van mevrouw Giveen woonde.
Tot overmaat van ramp besloten mijn ouders om Sally, ook al voelde ze zich gelukkig bij ons, te laten inslapen. Geduldig legde mijn moeder uit dat het hondje nooit helemaal op verhaal was gekomen van zijn vroegere leven. Ze kreeg last van stuipaanvallen, en het zou onjuist zijn een nieuw onderdak ervoor te zoeken.
In tranen informeerde ik naar Judy en de katten. De katten zouden in Cooldaragh blijven, terwijl Judy onderdak zou vinden bij een naburige boer, tot we allemaal gesetteld waren.
Ik voelde me wanhopig omdat we Cooldaragh en de enige school waar ik ooit gelukkig was geweest, moesten verlaten. Ik voelde mijn hele leven teloorgaan toen ik onder tranen afscheid nam van de dieren. Eerst van Bruno, die opgewekt vertrok in de auto van zijn nieuwe bazin. Ik stond aan het eind van de oprijlaan en keek de verdwijnende auto na, hopend dat ze net zoveel van hem zouden houden als ik.
Het tweede en moeilijker afscheid was van Sally. Een bijna ondraaglijk verdriet overmande me toen ze, denkend dat ze een uitstapje ging maken, vol vertrouwen in de auto van mijn vader sprong. Ik stak mijn hand door het raampje om haar voor de laatste keer te aaien en probeerde het dier niet de tranen te laten zien die dreigden me te verstikken. Ik wist dat het haar laatste reis was naar de dierenarts, want dat had mijn vader me die ochtend verteld.
Ik herinner me mijn intense verdriet, en vroeg me af waarom een man die zo’n doorgewinterde leugenaar was, me die dag zo nodig de waarheid had moeten vertellen. Ik moest onder ogen zien dat die waarheid ook van mijn moeder afkomstig was. Wat zou één leugentje om bestwil, om mij te beschermen, ertoe hebben gedaan, waar het leven van onze hele familie op leugens berustte? Mijn moeder probeerde weliswaar me te troosten, maar zonder enig succes. Ik had het gevoel dat ik een van mijn vriendinnen de dood in had gestuurd.
In de komende paar weken hielp ik mijn moeder weer met het inpakken van de theekisten en ik pakte mijn koffer in voor mijn verblijf bij mijn peetmoeder, aan wie ik geen enkele herinnering had. Omdat ik maar één kleine koffer mocht meenemen, moesten een paar van mijn geliefde bezittingen eraan geloven – Jumbo was het eerste slachtoffer.
Een paar dagen voordat we zouden vertrekken, werden al onze bezittingen afgehaald om te worden opgeslagen. De volgende dag bracht mijn vader Judy naar de boer. Ik wilde met Judy mee, maar mijn angst om met hem alleen te zijn woog zwaarder dan mijn wens haar te vergezellen. Ik aaide en knuffelde haar toen ze in de auto zat, en zij, mijn verdriet aanvoelend, likte slechts mijn hand.
Terwijl ik de auto nakeek en in de verte zag verdwijnen, voelde ik me eenzaam en alleen. Al mijn vrienden waren weg. Ik wist dat mijn moeder zich ook bedroefd voelde, maar deze keer voelde ik weinig liefde voor haar, niet meer dan een latente wrok.
De dag kwam waarop onze nog overgebleven persoonlijke bezittingen in de auto werden geladen. Ik zat tussen de bagage op de achterbank geklemd toen we naar de veerboot in Belfast reden. Die zou ons naar Liverpool brengen, vanwaar we, na de twaalf uur durende overtocht, onze reis naar Kent zouden voortzetten. Toen we deze keer na de overtocht in Liverpool aankwamen, voelde ik geen enkele opwinding, slechts een doodse depressie.
Het volgende traject, tijdens de lange rit naar Kent, probeerde ik te lezen, maar ik kon de heldere, scherpe beelden niet van me afzetten. Sally die naar me keek met haar vertrouwende bruine ogen, toen ze aan haar laatste reis begon. Ik kon het zijdezachte haar op haar kop nog voelen toen ik haar aaide. Ik zag de pony’s die op me stonden te wachten bij de omheining toen ik ze een laatste keer kwam begroeten en lekkere hapjes voerde. Het gevoel en de geur van de pony’s toen ik voor het laatst mijn armen om hun hals sloeg, bleef nog hangen. Ik zag de trouwe Bruno uit het raam kijken terwijl hij uit het zicht verdween, en ik miste Judy verschrikkelijk.
Tijdens het rijden keek ik naar het achterhoofd van mijn ouders; het hoofd van mijn moeder werd vaak naar hem toe-gedraaid terwijl ze rustig met hem praatte. Nu en dan keek ze achterom naar mij, maar ik hield mijn boek op ooghoogte, om de gevoelens te verbergen die ik ongetwijfeld getoond zou hebben: wrok over het feit dat ik straks in de steek zou worden gelaten en woede over het gedwongen afscheid van mijn vrienden.
Om de paar uur stopten we langs de weg voor sandwiches en thee. Ik was zo verstandig ze niet te weigeren, maar ik voelde dat de gekauwde brokken in mijn keel bleven steken. Alleen de inhoud van de thermosfles scheen voldoende vocht op te leveren om ze te kunnen doorslikken.
Toen het donker begon te worden stopten we eindelijk voor een groot grijs huis. In het gras van de kleine voortuin groeiden geen bloemen. In plaats daarvan stond er een groot bord met de aankondiging BED AND BREAKFAST. Hier zouden we die nacht blijven, legden mijn ouders uit voordat mijn moeder me naar mijn peetmoeder bracht. Nadat ik had gegeten, een maaltijd die door de eigenaresse werd opgediend in een kleine, sombere eetkamer, ging ik lusteloos naar bed, een veldbed in de kamer van mijn ouders, waarin ik onmiddellijk in slaap viel.
De volgende ochtend, nadat ik me had gewassen en aangekleed, ontbeet ik in dezelfde troosteloze eetkamer. Daarna bracht mijn moeder de koffer naar de bushalte, terwijl ik droefgeestig achter haar aan liep.
Tijdens de busrit van een uur hield mijn moeder een eenzijdige conversatie. Ik kende haar goed genoeg om te weten dat de opgewekte klank van haar stem haar nervositeit verborg. Ze vertelde me dat mijn peetmoeder zich verheugde op mijn bezoek, en ze vroeg me om lief te zijn. Ze verzekerde me dat onze scheiding niet van lange duur zou zijn en dat ik me daar gelukkig zou voelen.
Ongelovig zat ik te luisteren en reageerde nauwelijks, tot haar opgewekte gebabbel langzamerhand verstomde. Ik had het gevoel dat ik hetzelfde lot onderging als de honden. Ik kreeg ook een nieuw onderkomen. Ik kon en wilde niet begrijpen waarom ik, nu mijn ouders op zo korte afstand zouden wonen, niet bij hen kon blijven. Zittend in die bus verwachtte ik een hekel te zullen hebben aan mijn peetmoeder, en toen we bij haar huis kwamen, wist ik dat ik niet teleurgesteld zou worden.
Na de warme rode baksteen van Cooldaragh maakte het grijze, halfvrijstaande huis een troosteloze indruk. Ik keek met afkeer naar de kleine voortuin met de armzalige donkerroze hortensia in het kleine plekje donkere aarde. Toen mijn moeder de ijzeren klopper ophief om onze komst aan te kondigen, wierp ik een blik op de vitrage voor de ramen, die elk zicht op het interieur beletten. Ik zag het gordijn op de bovenverdieping bewegen, maar kon niet zien wie er achter stond. Ik hoorde voetstappen de trap afkomen en toen deed ze de deur open en wenkte ons met een vaag glimlachje om binnen te komen.
Mijn volwassen ik heeft begrip en compassie geleerd. Ik zou nu een eenzame vrouw van middelbare leeftijd hebben gezien met weinig sociale vaardigheden, die niet gewend was aan kinderen. In mijn vooringenomen kinderlijke ogen leek haar lange, knokige lichaam op dat van een heks. Mijn mening was gevormd.
Mijn moeder en ik zaten in haar sobere zitkamer, op haar functionele rechte stoelen met de smetteloze beschermhoezen op de armleuningen. Een paar minuten later kwam het onvermijdelijke theeblad, want zonder thee scheen geen volwassen gesprek mogelijk te zijn.
Terwijl ik een klein bordje met een droge scone op mijn schoot in evenwicht hield en mijn porseleinen kopje onhandig omhooghield, namen zij en ik elkaar aandachtig op. Waar ik een heks zag, zag zij ongetwijfeld een wrokkig kind met een zuur gezicht, lang en te mager voor haar leeftijd. De antipathie die ik voelde, zag ik weerspiegeld in haar ogen.
Ik luisterde naar de twee vrouwen die over mij zaten te praten alsof ik een levenloos voorwerp was. Voor het eerst voelde ik een echte wrok tegen mijn moeder terwijl ik er in een gedeprimeerd stilzwijgen bij zat.
Hoe kon ze, dacht ik, me hier achterlaten?
Ik hoorde dat hun gesprek stokte. Er viel een pijnlijke stilte, die werd verbroken door de stem van mijn peetmoeder: ‘Ik laat jullie maar even alleen om afscheid te nemen.’ Toen stond ze abrupt op en nam het theeblad mee.
Mijn moeder en ik keken elkaar behoedzaam aan terwijl ik wachtte tot zij iets zou zeggen. Ten slotte maakte ze haar handtas open, haalde er een envelop uit en gaf die aan mij.
‘Antoinette,’ zei ze kalm, ‘ik moet nu weg. Hier zit wat zakgeld in voor je. Daar moet je mee toe tot ik je kom halen.’
Ik bleef als verdoofd staan, terwijl ze me snel omhelsde en haastig vertrok. Toen ik de voordeur hoorde dichtvallen, liep ik naar het raam. Ik trok de vitrage opzij en keek haar troosteloos na tot ze uit het zicht verdwenen was. Ze keek niet één keer achterom.
Woede en wrok verteerden me. Ik miste Judy ondraaglijk. ’s Nachts rolden de tranen over mijn gezicht terwijl ik dacht aan het lot van de dieren. Ik werd gestraft, maar ik wist niet waarvoor. Ik verborg in huis mijn intense verdriet achter een gemelijk gezicht, en mijn peetmoeder, met haar gebrek aan ervaring met kinderen, begreep niet dat het kind geschokt en volkomen in de war was. Ze zag alleen rebellie.
Mijn toenemende instabiliteit was in het huis van mijn ouders niet zichtbaar geweest, omdat zij fungeerden als deksel op de ketel, zodat de druk niet kon ontsnappen. Daar werd ik onder controle gehouden, emoties werden onderdrukt en gedrag geprogrammeerd. Nu, zonder die grenzen, was mijn gevoel van veiligheid verdwenen. Een dier dat getraind wordt met angst, zal terugkeren naar zijn onbetamelijke gedrag als de angst wordt weggenomen. Ik was geen kind dat was opgegroeid met loftuitingen en liefde, en waarin zelfvertrouwen werd aangekweekt. Ik was een kind van wie de nachten werden gestoord door nachtmerries en van wie de dagen verwarrend waren. Een kind dat niet alleen alles miste wat vertrouwd was, maar bang dat het voorgoed was achtergelaten. Omdat ik nooit de onafhankelijkheid had gekend om mijn eigen emoties te beheersen, voelde ik me nu nog onzekerder, en elke regel die mijn peetmoeder probeerde me voor te schrijven werd verfoeid.
Mijn ouders werden mijn meesters; mijn vader hield me in bedwang met dreigementen en mijn moeder met haar gepijnigde manipulaties. Woede werd nu de allesoverheersende emotie die me bezielde. Woede werd mijn verdediging tegen verdriet, en mijn peetmoeder werd het mikpunt. Ze keek hulpeloos toe als ik, vastbesloten geen duimbreed toe te geven, in opstand kwam tegen al haar bevelen.
‘Niet hollen, Antoinette,’ zei ze als we uit de kerk kwamen, dus holde ik. ‘Kom meteen uit school naar huis.’ Dus bleef ik treuzelen. ‘Eet je groente op’, en ik prikte rond in mijn eten tot ze me van tafel op liet staan en ik vrij was om naar mijn kamer te gaan en te lezen. Ze schreef mijn moeder om haar te vertellen dat ik me ongelukkig voelde en het haar beter leek dat ik naar haar terugkeerde. Mijn moeder, die volgens mij had gehoopt dat mijn peetmoeder van me zou gaan houden en zou willen dat ik bleef, sprak af om me te komen halen.
Later ontdekte ik dat mijn peetmoeder vond dat ze zo tekortgeschoten was in haar taak als kinderverzorgster, dat ze zichzelf, en niet mij, de schuld had gegeven van mijn gedrag. Daarom had ze ervan afgezien mijn slechte gedrag aan mijn moeder te melden en me op die manier behoed had voor straf.
Ik was blij dat ik het huis kon verlaten dat ik zo somber had gevonden. Opgelucht zwaaide ik de oude vrouw gedag, van wie ik wist dat ze me nooit had gewild of aardig had gevonden. Misschien dat, als ik in de toekomst had kunnen zien en had geweten wat me de volgende paar jaar te wachten zou staan, ik me bedacht zou hebben, maar toen ik elf was wist ik nog van niets.