10

De gouden gloed van de zon raakte mijn oogleden en dwong ze open. Slaperig keek ik om me heen in de kamer. De stralen van de zon vielen op mijn nieuwe geruite jurk, die aan de achterkant van de deur hing, en verscherpten de rode en blauwe kleuren tot ze glansden als juwelen.

Een lichte opwinding verried me dat dit mijn tiende verjaardag was, de dag waarop ik mijn eerste feest zou geven; elk meisje uit mijn klas werd verwacht, alle veertien. Toen mijn vader hoorde dat mijn moeder toestemming had gegeven, zei hij dat hij die dag zou gaan golfen, en gaf me daarmee een bijzonder cadeau – zijn afwezigheid. Dit was míjn dag, en de eerste helft ervan zou ik alleen met mijn moeder zijn. Zijn aanwezigheid zou geen schaduw werpen over een dag waarvan ik vond dat hij mij toebehoorde.

Mijn oog viel op het gouden medaillon met de ketting die de jonge mevrouw Giveen me had gegeven, en met pijn in het hart wenste ik dat zij en haar schoonmoeder erbij konden zijn. Mijn moeder had me tijdens de zomervakantie verteld dat ik dit jaar een feest mocht geven. Ik herinnerde me hoe trots ik met de uitnodigingen naar school was gegaan. Alle meisjes in mijn klas hadden ja gezegd, en ik was opgewonden bij het vooruitzicht ze mijn huis te laten zien. Want in mijn gedachten en die van mijn moeder was Cooldaragh mijn thuis.

De honden en ik eindigden onze wandelingen altijd in de kerstboomplantage, waar mijn gedachten uitgingen naar de jonge Giveens die daar jaar na jaar hun kerstboom uitzochten en hem naar de grote hal brachten. Ik stelde me hen voor, in de formelere kleding die ik gezien had op de sepiakleurige foto’s in de zitkamer, staande op een trap om de boom te versieren. Ik stelde me hen voor op kerstochtend, zittend voor een haardvuur als ze hun cadeaus openmaakten, terwijl de bedienden op de achtergrond stonden te wachten op hun eigen grote dag.

Ik rekte me uit, wilde nog even in bed blijven liggen. Dit was het Cooldaragh dat ik met mijn klasgenootjes wilde delen. Ik wilde dat zij dezelfde magie zouden voelen als ik.

De stem van mijn moeder onderbrak mijn fantasieën. Ik trok mijn oude kleren aan, die opgevouwen op de stoel naast het bed lagen, en ging naar beneden om haar te zoeken. Heerlijke bakgeuren hingen in de gang, die me zeiden dat ze al aan het werk was.

Ik wist dat mijn taart, met het roze glazuur en de tien witte kaarsjes en de woorden ‘Happy Birthday’, de vorige dag al was gebakken. Toen ik in de keuken kwam, zag ik rijen kleine cakejes die op rekken lagen af te koelen. Ernaast stond de kom, waar ik begerig naar keek, omdat ik die na het ontbijt mocht uitlikken, zodra het glazuur op de taart was aangebracht.

De tafel was gedekt voor twee; een theepot onder een gebreide theemuts stond in het midden, en naast de broden zag ik bruine eieren in witte eierdoppen en een kleine stapel pakjes.

‘Gefeliciteerd, schat,’ zei mijn moeder, en begroette me met een zoen. Dit, dacht ik, zou een perfecte dag worden.

Bij het uitpakken van de cadeaus vond ik een paar nieuwe schoenen van mijn ouders, glanzend zwart met een riempje over de wreef; een Fair Isle-trui van mijn Ierse grootouders, en van mijn Engelse grootmoeder drie boeken van Louisa M. Alcott, Little Women, Little Men en Jo’s Boys, boeken die ik, zoals ik al vaak had laten doorschemeren, graag wilde hebben.

Ik viel met smaak aan op mijn ontbijt en voerde de honden stiekem kleine hapjes. Ik was blij dat het een zonnige dag was, gelukkig dat ik mijn moeder voor mij alleen had en enthousiast over mijn cadeaus.

De hele week had ik me verheugd op mijn feest. Ik stelde me voor hoe ik de meisjes van school zou rondleiden in mijn huis. Ik stelde me voor dat ze diep onder de indruk zouden zijn en me zouden benijden dat ik hier kon wonen. Het vooruitzicht dat ik mijn klasgenootjes kon uitnodigen maakte het nog aantrekkelijker om na de lange zomervakantie weer naar school te gaan. Al was de vakantie heel plezierig, het was ook een eenzame tijd. Toen de jonge mevrouw Giveen eenmaal vertrokken was, voelde ik een isolement dat het gezelschap van de honden niet kon verdrijven. Gekleed in een short, een T-shirt en gymschoenen, hield ik verkenningstochten met ze over het landgoed. Met een klein flesje limonade en een paar sandwiches bleef ik soms bijna een hele dag weg en keerde terug met dode takken en twijgen, die we gebruikten om het fornuis in de spelonkachtige keuken te stoken. Ik genoot van mijn dagelijkse taken, waaronder, nu ik wat ouder was, ook het zagen van de dikke dode takken in houtblokken. Maar ik zag bijna nooit iemand, kwam niet van het land van Cooldaragh af en miste het contact met andere kinderen. Omdat er geen boerderij in de buurt was, de dichtstbijzijnde winkels in Coleraine waren en de bus maar tweemaal per dag reed, waagden we ons zelden naar buiten. We waren afhankelijk van de dagelijkse melkbezorging en de levensmiddelenwagen, die tweemaal per week kwam.

Maar die zomervakantie had mijn moeder en mij dichter bij elkaar gebracht, omdat we alleen elkaars gezelschap hadden. Als het regende, zaten we behaaglijk in de keuken, zetten de deur van het fornuis open en deden ons te goed aan de zelfgemaakte cakejes die ze graag bakte. Ik met een boek dat ik verslond, en zij met haar breiwerk; het constante geklik van haar naalden vormde een sussend geluid op de achtergrond, als ze zich met gebogen hoofd concentreerde op het breien van een nieuwe trui.

Ze had een donkergroene trui voor me gebreid, met een V-hals die was afgezet met zwart en wit, voor mijn terugkeer naar school. Andere keren trok ze een wollen sok over een houten paddenstoel om de gaten te stoppen die er regelmatig in verschenen, of zuchtte ze bij een rok die moest worden uitgelegd tot er geen zoom meer over was. Er was altijd extra huiswerk te maken, want mijn school geloofde in projecten voor de vakantie.

Na het ontbijt, toen ik mijn moeder had geholpen met het glazuren van de cakejes, ging ik naar buiten met de honden. De waarschuwing van mijn moeder om niet te ver te gaan, omdat ik me bijtijds moest optutten voor mijn feest, belette me het bos in te gaan. In plaats daarvan ging ik de pony’s goedemorgen wensen. Na ze een knuffel en wat hapjes uit mijn zak te hebben gegeven, ging ik terug naar huis.

Door de zon had de rode baksteen een warme gloed gekregen toen ik het binnenplein opliep en door de achterdeur naar de keuken ging. Pannen water stonden al klaar op het fornuis om mee naar boven te worden genomen voor mijn bad, en ik moest drie keer de achtertrap op voordat het water diep genoeg was.

Ik trok de cadeaus aan van de jonge mevrouw Giveen. Eerst de geruite jurk met de wijde rok en de rij knoopjes op de rug, die mijn moeder vastmaakte. Toen de nieuwe zwarte schoenen over mijn witte sokjes, en ten slotte deed mijn moeder het gouden medaillon om mijn hals. Mijn pasgewassen haar werd geborsteld, opzij bijeengebonden en op zijn plaats gehouden met een haarspeld. Ik poseerde een paar seconden voor de spiegel, tevreden over wat ik zag.

Een halfuur voordat de meisjes verwacht werden stond ik op de trap, mijn ogen strak gericht op de oprijlaan, wachtend tot de eerste auto zou arriveren. De honden lagen vlakbij, vastbesloten me gezelschap te houden; ze voelden dat er iets in de lucht hing. Net als ik bleven ze naar de oprijlaan kijken.

Enkele minuten vóór de tijd die op de uitnodiging was vermeld, reed er een stoet zwarte auto’s over de stoffige oprijlaan. Grind spatte op toen ze knarsend stopten voor de trap waar ik stond te wachten. Ik voelde me net als mijn moeder de eigenaresse. Portieren gingen open en de keurig geklede meisjes stapten uit, allemaal met fraai ingepakte pakjes in de hand. Na mijn moeder verzekerd te hebben dat ze om half zeven zouden worden afgehaald, vertrokken hun ouders.

Mijn moeder bracht karaffen limonade toen we op het grasveld zaten met mijn stapel cadeaus. Gretig keken ze toe terwijl ik het ene geschenk na het andere uitpakte. Het cadeaupapier werd er afgehaald en onthulde dozen snoepjes die lachend werden rondgedeeld, tot mijn moeder, die niet wilde dat we onze eetlust zouden bederven, ze mee naar binnen nam. Andere pakjes bevatten haarspelden en linten. Een nieuwe pen in een etui ontlokte me een zucht van blijdschap, evenals een dagboek met roze kaft, een dagboek waarin nooit geschreven zou worden omdat ik na die dag niet vond dat er iets te schrijven viel. Maar in het begin van die middag, in de warme zon en omringd door mijn klasgenoten, wist ik niet wat me nog te wachten stond.

Mijn moeder hielp me alle cadeaus te verzamelen en zei toen dat ik mijn vriendinnen het huis moest laten zien, iets waartoe ze me niet hoefde over te halen. Ik ging hen voor naar de zaal waar ik, toen ik hen attent maakte op alle Amerikaanse souvenirs, een verandering merkte in de atmosfeer. Ik hoorde gefluister, wat vreemd gemompel en een verbaasd lachje, en plotseling zag ik mijn geliefde Cooldaragh door hun ogen.

In plaats van de pracht en praal die ik hun zo vaak had beschreven, zag ik de afgesloten open haarden, waarin kranten waren gestopt tegen de tocht, de spinnenwebben die in de hoeken hingen en het stoffige tapijt op de trap die naar de ongemeubileerde slaapkamers boven leidden. In de eetkamer voelde ik hun blik rusten op het nu zwart aangeslagen zilver, dat sinds de dood van de oude mevrouw Giveen niet meer gepoetst was. Ik zag de versleten gordijnen die er al zoveel jaren hingen, en de olielampen die op het buffet stonden en verrieden dat er in deze reusachtige relikwie uit een ander tijdperk geen elektriciteit was.

‘Waar,’ hoorde ik een van hen fluisteren, ‘halen ze het warme water vandaan?’

Mijn klasgenoten waren het product van vrijstaande huizen, met fraai aangelegde tuinen, moderne meubels en glanzend zilver. Ze kwamen uit huizen waar het ‘dagmeisje’ elk spoor van stof verwijderde en waar een dagelijks bad vanzelfsprekend was. Ze konden de magie niet zien die ik zag. Ze konden alleen maar een vervallen gebouw zien. Met het onfeilbare instinct dat kinderen eigen is, voegden ze nog wat toe aan de informatie die ze al van hun ouders hadden opgevangen. Ze wisten dat mijn moeder de huishoudster was, dat ik niet uit een gestudeerd gezin kwam en dat er een kloof tussen ons bestond.

Ik voelde weer de afstand tussen ons en wist dat ik een buitenbeentje was. Nieuwsgierigheid, geen vriendschap, was de emotie die hen die dag naar Cooldaragh had gebracht. De vriendschap waarin ik had willen geloven, begon me te ontglippen. Ik voelde me alsof ik plotseling achter glas stond. Kijkend door een raam waarachter mjn leeftijdgenoten lachten en praatten, kon ik slechts hun gebabbel en gegiechel nabootsen. Ik stond buiten en keek naar binnen, waar iemand een feest gaf en observeerde mezelf.

Die middag deden we spelletjes; met zoveel kamers was verstoppertje spelen favoriet, maar als het mijn beurt was om me te verstoppen, wist ik op de een of andere manier dat ze niet zo enthousiast naar mij zochten als ik naar een van hun vriendinnen. Ik voelde hun saamhorigheid terwijl ze wachtten op de auto’s die hen zouden bevrijden en terugbrengen naar hun steriele huizen.

Mijn moeders onthaal met sandwiches, vruchtenpuddinkjes en kleine geglazuurde cakejes, vond gretig aftrek en werd weggespoeld met nog meer limonade. De verjaardagstaart werd binnengebracht, en voordat hij werd aangesneden moest ik alle kaarsjes uitblazen; als dat in één keer gebeurde, mocht ik een wens doen. Ik ademde zoveel mogelijk lucht in en blies met stijf dichtgeknepen ogen. Ik hoorde het applaus en deed ze weer open. Alle kaarsjes waren uit en ik sloot mijn ogen weer en deed een wens.

‘Laat ze me aardig vinden, laat ze mijn vriendinnen worden,’ vroeg ik, en toen ik mijn ogen weer opendeed, dacht ik even dat mijn wens vervuld was. Nu, dacht ik, zou het een goed moment zijn om de snoepjes te laten rondgaan die ik had gekregen. Toen ik naar de plek ging waar mijn cadeaus lagen opgestapeld, merkte ik tot mijn ontsteltenis dat alle snoepjes verdwenen waren. Ze moesten zijn opgegeten toen we verstoppertje speelden, toen ik, weggekropen in een van de stoffige, ongebruikte kamers, zo lang had moeten wachten voor ik gevonden werd. Ik wist niet wat ik moest zeggen en keek naar mijn moeder.

Ze lachte. ‘Schat, je moet leren delen.’

Ik zag haar veelbetekenende blikken wisselen met de meisjes en wist dat zij en de anderen me uitlachten. Ik keek naar de lachende gezichten om me heen, en mijn gevoel dat ik erbuiten stond kwam weer terug.

Toen het feest ten einde liep, stond ik op de trap van Cooldaragh en keek naar mijn ‘vriendinnen’ die in een stoet van auto’s vertrokken, na me beleefd te hebben bedankt voor de dag en met vage beloftes om me bij hen thuis uit te nodigen. Ik wilde dat maar al te graag geloven, en deed dat dus ook, en zwaaide vrolijk naar de wegrijdende auto’s tot de laatste uit het zicht verdwenen was.

Met de klok van zeven arriveerde mijn vader. Een vader wiens rood aangelopen gezicht me zei dat hij had gedronken. Zijn starende ogen waren strak op mij gericht. Ik wilde weg, ontsnappen, maar zoals altijd hielden zijn ogen me vastgenageld aan mijn stoel.

Mijn moeder, met een hoger klinkende stem dan gewoonlijk, een teken dat ze zenuwachtig was, zei dat ik hem mijn cadeaus moest laten zien.

‘Kijk eens, Paddy, wat ze allemaal heeft gekregen.’

Een voor een liet ik ze hem zien.

‘Wat, geen snoepjes?’ Hij zag het antwoord in mijn gezicht en snoof. ‘Heb je er niet aan gedacht om iets voor je ouwe pa te bewaren?’

Ik keek onderzoekend naar zijn gezicht. Was dit de joviale vader met wie je grapjes kon maken, of de andere? vroeg ik me af, terwijl mijn maag ineenkromp van angst.

Het laatste cadeau dat ik hem liet zien was mijn pen, zwart met een zilveren clip. Toen ik mijn hand uitstak om hem de pen te laten zien, voelde ik mijn hand beven, en zijn glimlach bewees me dat het hem niet ontgaan was.

‘Waar is je andere pen, die je moeder en ik voor je hebben gekocht?’ vroeg hij, en mijn hart zonk in mijn schoenen toen ik besefte dat hij vanavond niet de joviale vader was.

‘In mijn schooltas,’ was het enige wat ik stotterend uit kon brengen.

Hij liet een onaangenaam lachje horen. ‘Nou, ga hem dan halen – je hebt er toch zeker geen twee nodig?’

‘Dat heb ik wel,’ protesteerde ik. ‘Ik heb een reservepen nodig, en daarom heeft Marie me deze gegeven.’

Voor mijn ogen, als de padden die ik in het bos had gezien, leek hij op te zwellen. Zijn borst leek uit te zetten, zijn ogen waren bloeddoorlopen. Ik zag het verraderlijke trillen van zijn mond, en te laat besefte ik dat ik hem niet had moeten tegenspreken.

‘Spreek me niet tegen, meid,’ bulderde hij terwijl zijn hand de hals van mijn jurk vastgreep en me van de stoel sleurde. De grond kwam naar me toe, alle lucht verdween uit mijn lichaam, zijn handen knepen zich om mijn keel en vaag hoorde ik mijn moeder gillen.

‘Paddy, hou op, je vermoordt haar nog!’

Mijn handen graaiden naar de zijne, probeerden de vingers los te maken die zich om mijn keel klemden, terwijl mijn adem schor piepte en mijn benen hulpeloos op de grond trappelden.

Ik hoorde hem schreeuwen: ‘Doe wat ik zeg!’ Toen, door mijn moeders smeekbeden heen voelde ik de druk van zijn vingers verminderen.

Ik kwam overeind, versuft en in de war.

‘Haal haar hier vandaan,’ gilde hij tegen mijn moeder. ‘Breng haar naar haar kamer.’

Zonder iets te zeggen pakte ze me bij mijn arm, duwde me de gang in en de trap op, en liet me toen plotseling los. Met een woedend gezicht beval ze me daar te blijven.

‘Waarom moet je hem altijd ergeren? Je weet toch dat hij driftig is?’ Haar stem klonk vermoeid. ‘Kun je ter wille van mij niet proberen de vrede te bewaren?’ Ik hoorde een smekende klank in haar stem en besefte dat ze net zo bang was als ik.

Later kwam ze terug in mijn slaapkamer, waar ik, nog steeds verward, probeerde te kalmeren door te ontsnappen in Little Women.

Onze blikken ontmoetten elkaar en ik wist dat de bescherming die ik had genoten toen de Giveens hier waren verdwenen was. Ik wist dat ze gekozen had voor mijn vader en ik gedegradeerd werd tot een lastig kind.

‘Doe je best om je vader niet meer kwaad te maken, Antoinette,’ waren haar enige woorden toen ze de olielamp uit mijn kamer meenam en wegging. Ik sloot mijn ogen. Nu ik niet meer kon lezen, verzon ik een verhaaltje. Een verhaal waarin ik weer geliefd was, omringd werd door vriendinnen en op talloze feesten werd uitgenodigd.

Terug in het verpleeghuis maakte ik een kop koffie en stak een sigaret op terwijl ik probeerde de stroom herinneringen te stuiten, maar Antoinette, de geest van mijn kindertijd, was nog steeds aanwezig. Ik hoorde haar weer.

‘Toni, herinner het jezelf, herinner je de waarheid.’

Ik had geloofd dat ik had afgerekend met mijn verleden, maar Antoinettes gezicht bleef terugkomen om me te achtervolgen. Ik had jaren geleden bijna alle foto’s vernietigd, foto’s van het kind dat ik eens geweest was, maar nu flitsten ze stuk voor stuk voor mijn ogen.

Ik zag haar als de mollige kleuter met krulhaar en stralende ogen, die zelfverzekerd glimlachte naar de camera, met haar handjes op één knie van de over elkaar geslagen beentjes. Op die foto droeg ze haar lievelingsjurkje met het smockwerk dat haar moeder gemaakt had.

Een paar jaar later was ze gekleed in een geruite jurk, te kort voor haar magere figuurtje, geen sokjes, en tweedehands sandalen. Onder de ogen waarmee ze me aankeek, waren donkere kringen. Ze stond op het grasveld van Cooldaragh met Judy in haar armen en met haar andere vrienden, de honden, aan haar voeten.

Op een andere foto stond ze bij de rododendrons van Cooldaragh met de moeder van wie ze zoveel hield. Er waren geen foto’s van haar met andere kinderen of speelkameraadjes

Ik dwong de mentale foto’s te verdwijnen en liep terug naar het bed van mijn moeder. Toen ik mijn ogen dichtdeed, keek ik naar de jaren die achter me lagen en dacht aan het ongelukkige, eenzame kind dat op Cooldaragh had geleefd. Een kind wier verjaardag bedorven was, niet alleen door de wreedheid van haar vader en de onverschilligheid van haar moeder voor haar benarde toestand, maar ook door haar onvermogen tot een wisselwerking te komen met haar leeftijdgenoten, en met de andere kinderen overweg te kunnen. Hoe ze als door een raam naar hen keek terwijl ze speelden, lachten en babbelden. Als ze probeerde mee te doen, bleef het bij na-apen.

Het was te laat om zich één te voelen met hen, haar jeugd was al voorbij. Op haar tiende verjaardag wist ze dat elk geluksgevoel slechts een vluchtige illusie was.

Terwijl ik naast het bed van mijn moeder zat, herinnerde ik me één daad van rebellie, en die riep een wrang glimlachje bij me op. Het gebeurde kort na mijn verjaardag en bewees dat het kleine meisje nog woede kon voelen en niet een totale marionet was.

In Cooldaragh waren alle open haarden afgesloten met krantenpapier, niet alleen om iets van de kou buiten te houden, maar ook om de vogels en vleermuizen te beletten binnen te komen. Als ik in de schemering water ging halen, had ik vaak de vleermuizen rond het huis gezien, hun onzichtbare wereld verkennend als de duisternis was ingevallen.

Terwijl ik naar ze keek, herinnerde ik me die dag in de kerk, toen het gelui van de kerkklok de rust van een ervan had verstoord. Ik had de angst gezien die de blinde vlucht ervan bij het vrouwelijk deel van de congregatie had opgeroepen,

Ik koos mijn avond zorgvuldig uit. Ik wist dat als mijn vader op vrijdagochtend met zijn auto naar Coleraine ging, hij altijd laat en dronken thuiskwam. Ik kende de routine van mijn moeder bij die gelegenheden. Als ze het wachten eindelijk moe was, liep ze door de lange, donkere gang van onze zitkamer naar de keuken, met een kaars in de hand om zich bij te lichten. Dan zette ze een pot thee voor ze langs de personeelstrap naar haar slaapkamer ging.

Die avond, in de wetenschap dat mijn moeder zou denken dat ik sliep, stond ik stilletjes op uit bed, vastbesloten de vleermuizen vrije toegang te verlenen tot het huis. Ik porde gaten in de kranten die de afvoer van de haarden verstopten. Vervolgens zette ik de deur open van de lege stallen waar de vleermuizen huisden en die slechts door het kleine binnenplein van het huis werden gescheiden. Geduldig hurkte ik boven aan de personeelstrap, wachtend op mijn nachtelijke bezoekers, de instrumenten van mijn kleine wraakneming. Ik werd beloond. Eén dappere vliegende muis nam een duikvlucht door de achterdeur naar binnen. Toen ik zeker wist dat hij ver genoeg in huis was, sloop ik op mijn blote voeten de trap af en deed zachtjes de deur dicht.

Rillend van de kou ging ik terug naar mijn standplaats op de trap om het resultaat af te wachten. Ik hoefde niet lang te wachten.

Ik zag een oranje gloed toen de deur van de zitkamer van mijn ouders openging. Toen volgde het flakkerende vlammetje van de kaars dat mijn moeder bijlichtte. Ik hoorde haar gillen toen de vleermuis, met zijn ingebouwde radar, om haar hoofd fladderde.

Ik wist dat ze in het halfduister verstard was van angst. Snel liep ik de trap af, sloeg mijn armen om haar heen, pakte de kaars uit haar trillende vingers en bracht haar terug naar hun zitkamer, waar ik haar in een stoel hielp. Ik zei dat ik in de badkamer was toen ik haar hoorde gillen.

Ze bleef zitten terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Ik ging met haar kaars naar beneden, naar de keuken, waar de slapende honden zich nauwelijks bewogen, en zette thee voor haar. Ik schikte een kopje, melkkannetje, suikerpot en de kaars op een blad, en leidde haar de grote trap op naar haar slaapkamer, op die manier de vleermuis vermijdend. Ik zette het blad naast haar bed en omhelsde haar, want ik hield nog steeds van mijn moeder.

Met mijn volwassen verstand probeerde ik te begrijpen hoe het leven van mijn moeder in die tijd geweest moest zijn. Ik begreep waarom ze wilde vluchten in haar fantasiewereld van ‘het gelukkige gezin’, waar niets mis was met ons leven. Wat had ze anders? Na de dood van mevrouw Giveen had ze vrijwel geen contact meer met andere mensen. Ze had geen familie of vrienden in Noord-Ierland en zeker geen financiële onafhankelijkheid. Zonder vervoer moest haar isolement zijn toegenomen, want ik voelde de depressie die zich van haar meester maakte.

In deze tijd zou een vrouw keuzes hebben die mijn moeder waren ontzegd, maar als ze die had gehad, zou ze dan een andere weg zijn ingeslagen? Wat er in latere jaren gebeurde, deed me daaraan twijfelen.

Ik bleef naast haar bed zitten. Het nachtlampje wierp een flauwe gloed op haar. Ik keek naar haar kleine, hulpeloze figuur en zag dat de slaap iets van de rimpels had gladgestreken die door pijn veroorzaakt werden. Ik voelde dezelfde tegenstrijdige emoties als het kleine kind dat haar moeder die avond omarmde: verwarring, woede en een intens verlangen haar te troosten en te beschermen.