11

Nu de Giveens allemaal weg waren, begon mijn vader de weg naar mijn kamer weer te vinden. Op de dagen dat hij wist dat hij laat thuis zou komen, ging hij met de auto naar de stad. Als hij terugkwam, sliepen mijn moeder en ik ieder aan een andere kant van het huis. Mijn kamer was donker, het enige licht kwam van de maan, die in heldere nachten buiten voor mijn raam leek te zweven. Vaak viel ik in slaap terwijl ik probeerde het vriendelijke en geruststellende gezicht te zien van het mannetje in de maan. Ik was al lang geleden mijn zaklantaarn kwijtgeraakt, dus nu mijn moeder mijn lamp had meegenomen, had ik alleen maar de kaars om me bij te lichten als ik naar mijn kamer ging. Als ik in het donker in bed lag, met ineengeklemde handen, hield ik mijn ogen stijf dicht, hopend dat als ik ze niet opendeed, hij er niet zou zijn. Maar hij was er altijd. Ik probeerde dieper weg te kruipen onder de dekens. Maar dan voelde ik de kou op mijn lijf als hij ze omlaagtrok en mijn flanellen nachthemd omhoogschoof.

Hij fluisterde in mijn oor: ‘Je vindt dit prettig, hè, Antoinette?’

Ik zei niets.

Hij zei: ‘Je wil toch zeker wel wat zakgeld, hè?’

Hij haalde wat geld uit zijn zak en stopte dat in mijn hand. Daarna trok hij zijn broek uit. Ik zal me altijd herinneren hoe hij rook. Die naar whisky stinkende adem, de verschaalde reuk van sigaretten en zijn lichaamsgeur – voor hem geen deodorant. Nu ik wat ouder was, ook al bleef hij nog voorzichtig, kon hij het zich permitteren wat ruwer te zijn. Hij drong diep in me. Ik voelde hoe zijn ogen zich door mijn gesloten oogleden boorden. Hij zei dat ik mijn ogen open moest doen. Ik wilde het niet. Ik was nog zo jong, en hij deed me pijn. Ik hoorde hem een schorre kreet slaken voor hij zich van me af liet rollen; hij ging van het bed af, trok snel zijn kleren aan en verdween naar het bed van mijn moeder.

Ik bleef achter met wat losse munten.

Toen zijn bezoeken aan mijn kamer veelvuldiger werden, nam ook de fysieke gewelddadigheid toe. Op een avond speelde ik in wat mevrouw Giveens zitkamer was geweest. Ik was daarheen gegaan om alleen te zijn, weg van mijn ouders. Hij kwam binnen met een krant en ging zitten. Ik had een van die kleine hebbedingetjes die eruitzagen als kikkers en uit knalbonbons kwamen. Ik zat er doelloos mee te spelen, luisterend naar het klikkende geluid dat ze maakten. Toen voelde ik zijn blik op me gericht.

‘Antoinette,’ zei hij, ‘hou daarmee op. Stop daarmee!’

Ik sprong op van angst. Het stukje speelgoed viel uit mijn hand en gaf een laatste klik.

Dat was het enige excuus dat hij nodig had. Hij pakte me op en smeet me tegen de grond.

‘Je stopt als ik je zeg dat je moet stoppen!’ schreeuwde hij.

Vaak werd ik ’s nachts wakker met mijn gebruikelijke nachtmerrie. Ik droomde dat ik omlaag viel in de duisternis. Ik bleef vallen. En dan vermengde de aanwezigheid van mijn vader, die me wakker maakte, zich met die nachtmerrie. Als hij weg was, kwam de slaap slechts moeizaam terug. De volgende ochtend was ik moe als ik naar beneden ging naar de keuken en warm water haalde om me te wassen. Ik zorgde ervoor dat ik me op die ochtenden altijd erg goed tussen mijn benen waste. Ik vind het heel moeilijk me te herinneren wat ik voelde, maar ik schijn me te herinneren dat ik maar heel weinig voelde.

Nu hij zo vaak naar mijn kamer kwam, kreeg ik regelmatig ‘zakgeld’ en kon ik weer vriendschap kopen met snoepjes. Kinderen kunnen net als dieren aanvoelen of iemand zwak, anders of kwetsbaar is. Zelfs al waren dit keurig opgevoede kinderen, die geen wreedheid kenden, toch hadden ze een instinctieve afkeer van me. Dus als ik in de vroege avond at met de interne leerlingen, vermeed ik zoveel mogelijk de kinderen van mijn eigen leeftijd. Ik probeerde bij de jongere kinderen te gaan zitten, of bij de oudere die aardig tegen me waren. Afgezien van de maaltijden bracht ik mijn tijd door in de bibliotheek, waar ik mijn huiswerk maakte. Ik wist dat ik niet populair was, en merkte dat de docenten het ook wisten. De leerkrachten op die school waren oppervlakkig vriendelijk tegen me, maar ik voelde hun afstandelijkheid. Op mijn tiende was ik opgehouden met te verwachten dat mensen me aardig zouden vinden.

De busrit naar huis duurde ongeveer dertig minuten, en in die tijd probeerde ik mijn huiswerk af te maken en delen van boeken te lezen waarover ik de volgende dag zou worden verhoord. Op een avond stapte mijn vader in bij de volgende bushalte. Hij ging niet naast me zitten, maar schuin tegenover me, zodat hij me aan kon kijken. Hij plakte de glimlach van de aardige vader op zijn gezicht, maar ik geloofde niet meer in het bestaan daarvan. Die avond kon ik mijn buskaartje niet vinden. Ik voelde dat mijn vader naar me zat te staren en werd misselijk van angst terwijl ik in mijn schooltas en mijn zakken zocht. Ik probeerde te fluisteren tegen de busconducteur.

‘Ik kan mijn kaartje niet vinden. Zeg het alstublieft niet tegen mijn vader.’

Maar de busconducteur lachte slechts. Hij wist dat ik een weekkaart had, want hij had elke dag dienst op deze bus.

‘Geeft niet,’ zei hij. ‘Je vader zal heus niet kwaad zijn. Kijk maar. Hij lacht naar je. Wees niet zo’n malle meid.’

En ja, daar zat mijn vader, met fonkelende, bloeddoorlopen ogen. Toen knipoogde hij naar me. Ik herkende die knipoog. De rit leek me eindeloos lang te duren, ook al waren het maar een paar kilometer. Het was donker die avond, en toen ik uit de bus stapte was het koud. Zodra de bus uit het zicht was verdwenen, greep hij me beet, zoals ik had geweten dat hij zou doen, en begon hij me te slaan. Op mijn billen, op mijn schouders; met zijn andere hand pakte hij mijn nek vanachter beet en hield me stevig vast. Hij zwaaide me rond, schudde me door elkaar. Ik huilde niet. Toen niet. Ik gilde niet. Ik had al lang geleden afgeleerd om luid te schreeuwen. Maar toen hij me naar huis bracht, voelde ik de tranen langs mijn wangen druppen. Mijn moeder moet de sporen van die tranen hebben gezien, maar ze zei niets. Ik raakte mijn eten nauwelijks aan, ik was te veel van streek om te eten, te bang om te weigeren. Ik maakte het beetje huiswerk dat ik nog moest doen en ging naar bed. Ik wist toen dat ik niet een kind was dat probeerde haar ouders kwaad te maken, maar dat ik een vader had die elk excuus aanpakte om aanmerkingen te maken en me af te rossen.

Die avond kwam hij in mijn kamer terwijl ik nog wakker was, en rukte de dekens van me af. Ik voelde dat er meer geweld in hem school dan gewoonlijk. Ik was erg bang voor hem en begon te schreeuwen van angst.

‘Ik wil geen zakgeld,’ zei ik. ‘Ik wil niet dat je het met me doet.’ Ik voelde hysterie in me opkomen en ging door met smeken. ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, doe het niet. Je doet me pijn.’

Het was de eerste en laatste keer dat ik schreeuwde als hij in mijn slaapkamer kwam. Mijn moeder stond in de gang en hoorde me.

Ze riep: ‘Wat is er aan de hand?’

Mijn vader riep terug: ‘Niks. Ze had een nachtmerrie. Ik kwam even kijken wat er was. Het is al over.’

Toen hij wegging, siste hij in mijn oor: ‘Denk eraan dat je niks tegen je moeder zegt, kind.’

Een paar minuten later, toen ik weggedoken lag onder de dekens, kwam ze mijn kamer binnen.

‘Antoinette, wat is er gebeurd?’ vroeg ze.

‘Niks,’ antwoordde ik. ‘Ik had een nachtmerrie.’

Daarop verliet ze de kamer. Ze vroeg het me nooit meer.

Andere avonden kon ik het geknars van het grind horen als zijn auto stopte. Bevend van angst lag ik dan in bed en luisterde naar het gekraak van de vloerplanken als hij naar mijn kamer sloop. Die avonden deed ik net of ik sliep, in de hoop dat hij me niet wakker zou maken. Maar hij deed het altijd.

Niet elke keer als hij kwam liet hij me ‘zakgeld’ achter, maar toch zeker twee keer per week. Na die eerste nacht waarin hij mijn vingers met geweld open had gedwongen en het geld in mijn hand had geduwd, begon hij het met een spottend lachje achter te laten in het Chinese potje dat op mijn tafel stond en waarin ik het gouden medaillon bewaarde. Dan zei hij: ‘Daar is je zakgeld, troel.’

Op de avonden dat hij vroeg thuiskwam, ging ik op de bank zitten met de honden aan mijn voeten en een boek open op schoot. Vaak, als ik las over kinderen met liefhebbende en zorgzame ouders, sprongen de tranen in mijn ogen en rolden over mijn wangen, wat mijn vader de kans gaf waarop hij gewacht had.

Hij keek op en vroeg: ‘Waarom huil je, moppie?’

Ik probeerde zijn blik te vermijden en mompelde: ‘Niks.’

Dan kwam hij van zijn stoel, pakte me beet bij mijn hals, schudde me heen en weer en sloeg me, meestal rond mijn schouders.

‘Goed,’ zei hij zacht, ‘dan heb je nu tenminste wél iets om over te huilen. hè?’

Mijn moeder zei niets.

Daarna stopte ik met het lezen van kinderboeken over gelukkige gezinnen. Ik begon de boeken van mijn moeder te lezen. Ik vertelde haar niet waarom. Ze heeft het ook nooit gevraagd. De eerste boeken voor volwassenen die ik las, waren delen uit de White Oak Series. Het waren geen trieste boeken, maar er kwamen geen kinderen in voor.

Op een dag stond er een man op me te wachten toen ik uit school kwam. Hij stelde zich voor als een vriend van mijn vader. Hij had toestemming gekregen van de toezichthoudende docent om thee met me te gaan drinken. Ik ging met hem naar een tearoom, waar hij me trakteerde op scones, cake en ijs. Iets waar kleine meisjes dol op zijn! Hij babbelde met me over school. Geleidelijk bracht hij het gesprek op mijn honden. Toen vroeg hij me wat ik graag las. Ik vertelde hem dat ik een boek aan het lezen was, getiteld Jalna, uit de White Oak Series.

‘Je bent heel volwassen voor een meisje van jouw leeftijd als je dergelijke boeken leest,’ zei hij.

Ik straalde van blijdschap over zijn vriendelijkheid en duidelijke belangstelling, en over zijn complimentje. Toen we klaar waren met eten en praten, bracht hij me terug naar school en zei dat hij genoten had van mijn gezelschap. Hij vroeg of ik het prettig zou vinden om nog een keer met hem uit te gaan. Ik antwoordde bevestigend.

Hij kwam me verschillende keren daarna weer afhalen. Ik vertelde de docenten dat hij een vriend was van mijn vader, en ze gaven hem altijd toestemming me mee uit te nemen. Ik verheugde me op zijn bezoeken. Ik merkte dat hij graag naar me luisterde, en voelde me volwassen en belangrijk. Ik kon altijd bestellen wat ik wilde. Hij leek gefascineerd door mijn kinderlijk gebabbel. En mensen hadden altijd zo weinig belangstelling voor me getoond, dat ik meende een volwassen vriend te hebben gevonden. Tot de laatste dag dat ik hem zag.

Die dag, op de terugweg uit school, nam hij me mee naar een grasveldje. Hij vertelde me weer dat hij zo blij was met mijn gezelschap. Dat hij van kleine meisjes hield, vooral van kleine meisjes die zo volwassen waren als ik. Toen staarde hij me aan, met ogen die plotseling op die van mijn vader leken. Hij plukte een paar grassprietjes en streek er suggestief met zijn vingers langs, op en neer, op en neer.

‘Antoinette,’ zei hij, ‘weet je wat ik nu graag zou doen?’

Ik wist het.

‘Ik weet dat je dat graag wilt, ja toch, Antoinette?’

Als een konijn dat gevangen wordt in het plotselinge felle licht van koplampen, verstijfde ik.

‘Ik weet dat je het met je vader doet,’ zei hij. ‘Zeg maar tegen de docent dat ik je, als ik de volgende keer kom, naar huis zal brengen. Dan kunnen we de middag samen doorbrengen voor je de bus neemt. Dat zou je toch graag willen, Antoinette?’

Ik kon slechts knikken, zoals me geleerd was.

Die avond vertelde ik mijn vader over zijn vriend. Met een rood gezicht van woede schudde hij me door elkaar.

‘Doe dat met niemand anders dan met mij, begrepen?’ siste hij, terwijl hij zijn vuisten ophief.

Maar deze keer liet hij ze zakken zonder me te slaan en verliet mijn kamer. De vriend van mijn vader heb ik nooit meer gezien en ik ben er nooit achter gekomen hoe hij het ontdekt had van mijn vader en mij. Alleen mijn vader kon het hem verteld hebben. Zelfs monsters schijnen de druk te voelen van te moeten leven met een leugen; zelfs zij hebben iemand nodig die het weet en de echte mens accepteert.

Mijn leven in Cooldaragh hield nog een paar maanden stand. Toen vertelde mijn moeder dat het huis verkocht was en we weer moesten verhuizen, deze keer terug over de Ierse Zee naar Kent. Zij zou, net als mijn vader, moeten werken, want nu we niet langer konden blijven wonen zonder huur te betalen, zou het inkomen van mijn vader niet voldoende zijn voor ons levensonderhoud. Zij zou, geloofde ze, in Engeland gemakkelijker een baan vinden.

Mijn moeder vertelde me dat ze in de twee jaar die we in Cooldaragh hadden doorgebracht, genoeg geld opzij had weten te leggen voor een aanbetaling op een huis. De harde groeven die de laatste paar jaar rond haar mond waren verschenen, leken te verzachten toen ze dat zei, want eindelijk zag ze de verwezenlijking van haar droom – het bezit van een eigen huis – dichterbij komen.

Ik zag haar enthousiasme, maar kon het niet met haar delen, want ik was van Cooldaragh gaan houden.