4
Op een met paardenbloemen bezaaid grindterrein stond een klein, vierkant huis. Afbladderende witte verf liet flarden grijs zien uit vroeger tijden; lelijke bruine vlekken liepen in strepen omlaag uit de goot. Er waren twee watertonnen, die bijeen werden gehouden door roestige ijzeren klampen, een staldeur met een hangslot en vier vuile ramen zonder gordijnen.
Aan de zijkant van het huis stonden twee vervallen schuren met golfijzeren daken. Een wirwar van doornstruiken en brandnetels blokkeerde de dubbele deur van de grootste schuur en ontbrekende latten hadden grote gaten doen ontstaan in de muren. De deur van de kleinste schuur hing open en onthulde vergelende stukken krant, hangend aan een touw, en de versleten houten zitting van een chemisch toilet. Planken vormden een pad dat bijna onzichtbaar was onder doornstruiken en onkruid, en het houten schot aan de voorkant was verrot door het vocht.
Ik wist dat mijn moeder de mooie cottages zag van Kent, dat ze haar knappe echtgenoot zag, vol liefde voor een statische herinnering die ze had opgesloten in haar geheugen. Die van een dancing, waar zij, ouder dan de meeste vrouwen daar, de hele avond, benijd door haar vriendinnen, gedanst had met een roodharige charmeur.
Met dat beeld in haar hoofd en haar optimisme nog intact, begon ze haar plannen uit te leggen. Het grote bijgebouw zou een schuur worden met stro op de grond voor kippen, een groentetuin zou aan de achterkant van het huis komen en onder de ramen zouden bloemen worden geplant. Ze pakte mijn hand beet en liep met me naar binnen.
De tocht door de open deur zoog de vlokken stof uit de hoeken. Honderden gevangen vliegen hadden hun laatste strijd gestreden in de reusachtige spinnenwebben die in lussen aan ongeverfde balken en ramen hingen, en een spoor van oude muizenkeutels voerde naar de enige ingebouwde kast. De muren waren wit geschilderd, maar van de grond tot mijn middel waren ze bestrooid met donkergroene spikkels van het vocht.
Een groot, zwart, met turf gestookt fornuis stond aan één kant van het vertrek, en onder een raam was het enige andere meubilair, een houten plank met een metalen kom bovenop en een klein badje eronder.
Twee deuren aan weerszijden gaven toegang tot de slaapkamers. Bij de voordeur voerde een trap, niet veel meer dan een ladder, naar de zolder. Toen we naar boven klommen om die te verkennen, vonden we een grote, donkere ruimte waar slechts het riet ons beschermde tegen de elementen. Ik trok mijn neus op voor de vochtige, bedompte geur die er hing.
Mijn moeder ging onmiddellijk werken aan haar droom en veegde energiek de vloeren, terwijl de mannen de bestelwagen uitlaadden. Turf werd naar binnen gebracht; de kachel werd aangestoken en er werd water gehaald uit de put achter in de tuin. Mijn eerste taak was het verwijderen van alle kikkers die in de emmer omhoogkwamen en die ik voorzichtig neerzette op het gras bij de put.
‘Dan kunnen ze kiezen of ze terug willen naar hun familie of boven blijven in de zon,’ legde mijn moeder uit.
Terwijl de kachel warmte begon te verspreiden, werden vertrouwde meubels gerangschikt in de nu spinnenwebvrije ruimte, en de draagbare radio speelde muziek die mijn moeder neuriede. Een opgewekte sfeer begon te heersen in de eerst zo troosteloze kamer.
Thee en sandwiches werden klaargemaakt en ik nam die van mij mee naar buiten en ging met Judy op het gras zitten. Ik deelde mijn cornedbeefsandwich met mijn hondje, terwijl zij met een trillend neusje en schuin geheven kop de nieuwe geuren opsnoof en me hoopvol aankeek.
Kent leek een andere wereld, en net als Judy wilde ik op verkenning uitgaan. Ik zag dat de volwassenen allemaal druk bezig waren, dus maakte ik Judy’s roodleren riem vast en glipte door het hek naar buiten. Toen we over het dichtstbijzijnde pad slenterden, scheen de vroege lentezon op ons neer en verdreef de kilte van het huis die nog was blijven hangen. De ongesnoeide hagen zaten vol wilde bloemen. Er waren hele bossen sleutelbloemen en vroege wilde kamperfoelie. Paarse viooltjes staken hun kopjes op onder de witte meidoorn. Ik bukte me en plukte wat bloemen om een boeketje te maken voor mijn moeder. De tijd ging ongemerkt voorbij; mijn aandacht werd getrokken door alles wat ik hoorde en zag, en steeds meer bloemen lokten me verder het pad op.
Ik bleef staan om naar een paar dikke varkens te kijken op een naburig veld, met mollige roze biggetjes ernaast, en hoorde mijn vader roepen: ‘Antoinette, waar ben je?’
Ik draaide me om en holde vol vertrouwen naar hem toe, mijn bosje wilde bloemen in de hand geklemd. Maar de man die ik naar me toe zag komen was niet de knappe, lachende vader die ons van de boot gehaald had. In zijn plaats zag ik een fronsende man met een rood gezicht, die ik nauwelijks herkende, een man die plotseling enorm groot leek, met bloeddoorlopen ogen en een mond die trilde van woede. Mijn instinct zei me dat ik weg moest lopen, maar uit angst bleef ik als aan de grond genageld staan.
Hij pakte me vast bij mijn nek, legde zijn arm stevig om mijn hoofd en trok het tegen zijn lichaam. Hij schoof mijn katoenen jurk tot mijn middel omhoog en rukte mijn broek omlaag tot op mijn katoenen sokjes. Eén vereelte hand hield mijn halfnaakte lichaam tegen zijn dijen, terwijl de andere hand over mijn blote billen streek en in een ervan hard kneep. Seconden later hoorde ik iets kraken en voelde ik een stekende pijn. Ik kronkelde en gilde vergeefs. Met één hand hield hij mijn nek nog steviger vast, terwijl zijn andere hand steeds weer omhoog en omlaag ging. Judy lag plat tegen de grond gedrukt achter me en het nu vergeten bosje bloemen lag verpletterd op de grond.
Niemand had me ooit nog met opzet pijn gedaan. Als mijn mollige knietjes wel eens in elkaar verstrikt raakten en ik viel, tilde mijn moeder me altijd op en droogde mijn tranen. Ik gilde en huilde van pijn, ongeloof en vernedering. Tranen en snot stroomden uit mijn ogen en neus toen hij me door elkaar rammelde. Mijn hele lijf schokte van angst.
‘Waag het niet ooit nog eens zo weg te lopen. En ga nu naar je moeder.’
Toen ik mijn onderbroek over mijn pijnlijke billen trok, mijn tranen me verstikten en ik de hik kreeg, greep zijn hand mijn schouder beet en sleurde hij me naar huis. Ik wist dat mijn moeder mijn gegil gehoord had, maar ze zei niets.
Die dag leerde ik bang voor hem te zijn, maar het zou nog een jaar duren voor de nachtmerrie begon.
Het werd voor de tweede keer Pasen in het huis met het rieten dak, en de bittere kou van onze eerste winter was bijna vergeten. De schuur was gerepareerd, broedmachines waren geïnstalleerd in wat mijn slaapkamer was geweest en ik was tegen wil en dank verhuisd naar de zolder.
Onze oorspronkelijke kippen, die mijn moeder meer beschouwde als huisdieren dan als inkomen, scharrelden buiten lustig rond in het gras. De haan liep trots heen en weer voor zijn harem, pronkte met zijn briljant gekleurde veren, en de broedmachines waren gevuld met eieren. Helaas hadden talloze konijnen zich geregeld te goed gedaan aan de bloemen die hoopvol onder de ramen waren geplant, en aardappels en wortels waren de enige overlevenden van de groentetuin.
De vakanties, nu ik twaalf maanden ouder was, brachten meer huishoudelijke karweitjes mee, zoals met een zeef kikkers uit de emmers water halen, aanmaakhout sprokkelen voor de kachel en eieren zoeken. Onwillig om gebruik te maken van het kippenhok, verstopten de scharrelkippen hun nesten in verre hoeken, sommige in onze tuin, andere verborgen onder struiken in de naburige velden. Het merendeel huisde in de schuur met het stro, en elke dag werden er manden gevuld voor de kruidenier, die twee keer per week kwam om onze eieren te kopen en ons te voorzien van levensmiddelen. Elke ochtend werd ik naar de plaatselijke boer gestuurd om melk te halen, die werd geleverd in metalen bussen; dat was de tijd waarin de mensen zich nog niet bekommerden om pasteurisatie. Elke dag nodigde de boerin me uit in haar warme keuken en gaf me thee met melk en warm sodabrood voor ik terugging naar huis.
Overdag had ik het te druk om me zorgen te maken over de veranderende sfeer in ons huis. De angst die ik een jaar geleden had gevoeld, was realiteit geworden. De opgewektheid van mijn moeder was onderhevig aan de stemmingen van haar man. Zonder openbaar vervoer, zonder zeggenschap over geld en zonder zelfs maar een publieke telefoon binnen loopafstand, leek de gelukkige vrouw, die vroeger lachend de teashops in Kent bezocht, een verre herinnering. Alleen Judy en de gehavende Jumbo deden nog aan die tijd denken.
Als de schemering viel, zat ik in mijn boeken te lezen bij het oranjekleurige lamplicht, terwijl mijn moeder wachtte tot mijn vader thuis zou komen. Ik bleef stil zitten, in de hoop dat die stilte me onzichtbaar zou maken.
Sommige avonden hoorden we zijn auto op het grind van het erf voordat ik naar bed ging. Dan sprong ze op, zette de ketel op het fornuis, schepte zijn van tevoren klaargemaakte avondeten op een bord, en keek met een verwelkomende glimlach naar de deur. Mijn maag kromp ineen terwijl ik me afvroeg welke vader in de deuropening zou verschijnen. Zou het de vrolijke, joviale vader zijn, die een doos chocola in de hand had en mij een tikje onder mijn kin gaf? Of de fronsende man die ik voor het eerst had gezien op dat pad en die daarna steeds vaker zijn opwachting maakte?
De eerste kon bij het minste geringste veranderen in de tweede. Ik wist dat alleen al mijn aanwezigheid hem ergerde. Ik voelde zijn blik op me gericht, terwijl ik mijn ogen niet van mijn boek afwendde en ik de zwijgende spanning voelde toenemen.
‘Kun je je moeder niet wat meer helpen?’ was een vraag die hij me geregeld stelde.
‘Wat lees je nu weer?’ was een andere.
Mijn moeder, die nog steeds hield van de knappe man die ons van de boot was komen halen, was blind voor mijn benarde toestand. Als ik haar overdag wel eens vroeg waarom mijn vader vaak zo kwaad op me was, antwoordde ze alleen maar dat ik moest proberen het hem meer naar de zin te maken.
Op de avonden dat de auto niet terug was voor ik naar bed ging, verdween de opgewekte stemming van mijn moeder en werd ik midden in de nacht wakker door het geluid van harde stemmen. De ruzie ging door tot zijn dronken geschreeuw haar ten slotte het zwijgen oplegde. De sfeer op de ochtenden na zo’n ruzie was gespannen; mijn moeder liep stil in huis rond en ik verzon een willekeurig excuus om het te ontvluchten. Die nachten werden de volgende dag vaak gevolgd door de terugkeer van de joviale vader. Hij gaf mijn moeder bloemen of chocola, gaf haar een zoen op haar wang en maakte haar korte tijd gelukkig.
Ik begon de weekends te vrezen. Elke vrijdag wachtte mijn moeder op haar man, die zelden kwam, en ik werd wakker van hun ruzies; onverstaanbare woorden van woede drongen mijn kamer binnen, angst ketende me vast aan mijn bed, en ik kroop onder de dekens in een poging te ontsnappen aan die afschuwelijke geluiden.
Elke zaterdagochtend, als ik met een zelf teweeggebrachte hoofdpijn in bed lag, beval hij mijn moeder me naar zijn kamer te sturen met thee. Met samengeknepen lippen gehoorzaamde ze en droeg me op dicht in de buurt van het huis te blijven als ik naar buiten ging. De bezoeken aan de boerderij om de melk te halen werden nu gecontroleerd; geen koppen thee met melk en warm beboterd brood meer bij de vriendelijke boerin.
Ik scheen zijn woede aan te trekken als een magneet. Na een van mijn bezoeken aan de boerderij kwam ik terug met een bantamhen.
‘Breng die maar terug,’ waren zijn eerste woorden toen hij de hen zag.
Voor één keer nam mijn moeder het voor me op.
‘O, laat haar toch, Paddy,’ zei ze vleiend, haar koosnaampje voor hem gebruikend. ‘Ze kan buiten blijven bij de andere kippen, en Antoinette mag haar eieren hebben.’
Hij snoof, maar zei verder niets meer, en June, de kleine bantam, werd mijn lievelingsdier. Ze scheen te weten dat ze een bijzondere kip was, want elke ochtend kwam ze binnen om het ei voor mijn ontbijt te leggen.
Met Pasen had mijn vader vrij, en ik wist dat mijn moeder hoopte op een dagje uit met de auto. Op de vrijdag voor Pasen zaten we op hem te wachten, ik met vlinders in mijn buik en mijn moeder met een hoopvol gezicht. Toen ze het geknars op het grind hoorde, begon ze te stralen. De joviale vader kwam binnen en gaf haar een zoen op haar wang. Ik kreeg een doos met een paasei, zij een doos chocolaatjes.
‘Ik heb een speciaal etentje klaargemaakt,’ vertelde ze hem. ‘Ik zal even de kippen opsluiten en dan zet ik alles op tafel.’
Vrolijk neuriënd verliet ze de kamer en liet ons alleen achter.
Ik kende zijn stemmingswisselingen en keek behoedzaam in zijn richting, maar bij uitzondering glimlachte hij.
‘Kom hier, Antoinette,’ beval hij, en klopte op het kussen naast hem.
Hij sloeg zijn arm om mijn middel en nam me mee naar de bank. Toen voelde ik zijn arm om mijn schouder en hij trok me naar zich toe. Verlangend naar zijn genegenheid, kroop ik dicht tegen hem aan. Was het mogelijk, vroeg ik me hoopvol af, dat hij over zijn woede op mij heen was?
Een gevoel dat ik beschermd werd en veilig was ging door me heen, en ik nestelde me nog dichter tegen hem aan. Ik was zo blij dat zijn liefde voor mij eindelijk weer terug was. Hij streek over mijn haar.
‘Je bent mijn mooie kleine meisje, Antoinette,’ mompelde hij, terwijl zijn andere hand mijn rug liefkoosde. Als een klein diertje kroop ik tegen hem aan. ‘Hou je van je papa?’
Alle herinneringen aan zijn driftbuien lieten me in de steek toen ik voor het eerst in maanden voelde dat hij van me hield. Ik knikte dankbaar. De hand op mijn rug gleed verder omlaag, ging toen langzaam naar mijn bovenbeen en naar de zoom van mijn rok, en ik voelde dezelfde vereelte palm, die me een jaar geleden zo meedogenloos geslagen had, op mijn knie. Mijn lichaam verstijfde. Eén hand legde hij bovenop mijn hoofd en hield het in bedwang, zodat ik me niet kon bewegen, terwijl zijn andere hand over mijn gezicht streek en mijn kin vastgreep. Zijn mond drukte zich op de mijne en zijn tong drong zich met geweld tussen mijn lippen door naar binnen. Ik voelde kwijl langs mijn kin druipen, en zijn adem, die naar verschaalde whisky en sigaretten stonk, drong in mijn neusgaten. Het gevoel dat ik veilig was liet me voorgoed in de steek en werd vervangen door weerzin en angst. Hij liet me abrupt los, hield mijn schouders vast en keek me dreigend aan.
‘Zeg niks tegen mama,’ zei hij, en schudde me even door elkaar. ‘Dit is ons geheim, Antoinette, hoor je me?’
‘Ja, papa,’ fluisterde ik. ‘Ik zal het niet vertellen.’
Maar ik vertelde het wél. Ik voelde me veilig in de liefde van mijn moeder. Ik hield van haar en ik wist dat zij van mij hield. Ze zou hem zeggen dat hij moest ophouden.
Dat deed ze niet.