2

Mijn eerste herinneringen aan mijn moeder en mij zijn toen we in een huis met een tuin woonden in Kent, waar mijn oma, die uiterst klein van postuur was, een geregelde en welkome bezoekster was. Bij het horen van haar stem als ze riep: ‘Antoinette, waar ben je?’ terwijl ze net deed of ze me zocht, stopte ik waar ik mee bezig was, holde naar haar toe om haar te begroeten en op mijn beurt omhelsd te worden.

Ze had een heel speciaal parfum, een mengeling van gezichtspoeder en lelietjes-van-dalen, een geur die later altijd herinneringen aan haar opriep. Ik voelde een warme liefde tussen ons als ik dat aroma inademde.

Op zonnige dagen stelde ze vaak een wandeling voor naar de hoofdstraat van Tenterdon, waar we een van de tearooms met eikenhouten balken bezochten. De kleren waarin ik gespeeld had waren vervangen door een schone jurk, mijn gezicht en handen waren gewassen en mijn haren geborsteld voor ik presentabel genoeg werd geacht voor dergelijke uitstapjes.

Als ze schoenen met hoge hakken had aangetrokken en een bijpassende tas had gezocht, deed mijn moeder helrode lippenstift op, poederde haar neus en gingen we gedrieën op stap.

Een serveerster in een zwart-witte outfit bracht ons naar onze tafel, waarop mijn oma de afternoon-tea bestelde. Scones met jam en room, gevolgd door cakejes met roze en geel glazuur, werden weggespoeld met een aangelengde vruchtendrank voor mij en thee voor de twee volwassenen.

Mijn moeder, in een jurk met vierkante hals en blootshoofds, babbelde gezellig met mijn oma, die altijd, onafhankelijk van het weer, haar nog roodblonde haar verstopte onder een hoed. Vrouwen van dezelfde leeftijd, in jurken met een motiefje en met strohoeden of kleine ronde hoedjes op het hoofd, begroetten haar glimlachend, merkten op dat ik zo gegroeid was en gaven commentaar op het weer, een onderwerp dat, in mijn kinderlijke oren, volwassenen altijd bijzonder leek te interesseren.

Een ander speciaal uitje was als we bij mevrouw Trivett op bezoek gingen, een oude schoolvriendin van mijn oma, die tot mijn verrukking zelf zoete lekkernijen maakte in haar kleine zwart-met-witte cottage. Haar tuin van postzegelformaat stond vol frambooskleurige hortensia’s, met hun grote trossen bloemen over de lage stenen muur hangend, zachtjes wiegend in de bries. Ik was gefascineerd door twee mollige kabouters die onder een van de heesters zaten, met een vishengel in hun hand. Misschien was het mevrouw Trivett die het zaad plantte voor de latere liefde van mijn moeder voor die tuinornamenten.

Mijn oma liet de glimmend gepoetste klopper op de zwarte deur vallen en mevrouw Trivett, in een volumineus schort, deed open en liet de warme geur vrij van het borrelende brouwsel waarvan later mijn geliefde snoepjes gemaakt zouden worden.

Ze nam me mee naar haar keuken en liet zien hoe ze werden gemaakt. Brede repen van het zoete mengsel werden over een haak bij de deur gehangen, daarna uitgeknepen en gerekt tot ze drie keer zo lang waren. Pas als mevrouw Trivett tevreden was over de lengte ervan haalde zij ze eraf, sneed sommige in kleine vierkantjes en andere in grotere stukken, die vervolgens werden opgerold tot kussentjes.

Gefascineerd keek ik toe, mijn wangen bol van een van haar probeersels, terwijl ik het snoepje dat ik mocht ‘proeven’ door mijn mond liet rollen. Zodra de laatste druppel van de zoete stroop door mijn keel naar binnen was gegleden, speelde ik hetzelfde spelletje dat we altijd speelden.

‘Mevrouw Trivett, waar worden kleine meisjes van gemaakt?’

Ik kreeg nooit genoeg van haar antwoord. ‘Maar Antoinette, hoe vaak moet ik je dat nog vertellen? Sugar and spice and all things nice. Van suiker en specerijen en alles wat lekker is.’

Ik giechelde vrolijk en ze beloonde me met nog een snoepje.

Andere dagen leerde mijn moeder me de spelletjes die ze in haar jeugd had gespeeld, de spelletjes die jaar na jaar van generatie op generatie worden doorgegeven. We kleedden poppen aan en maakten zandtaartjes met een klein emmertje en een schepje. Maar het liefst speelde ik met een theeserviesje dat mijn oma me had gegeven en deed net of ik theevisite ontving. Eerst rangschikte ik de kleine kopjes en schoteltjes op een doek, en daarnaast het theepotje en het minimelkkannetje. Dan werden de bijpassende bordjes keurig op een rij gezet. Als de tafel naar mijn zin gedekt was, namen kleine steentjes of bloemetjes de plaats in van sandwiches en cakejes, en werden vervolgens aangeboden aan mijn volwassen speelkameraadjes of mijn verzameling poppen. Denkbeeldige thee werd ingeschonken en rondgedeeld en onzichtbare kruimels werden van poppengezichtjes geveegd.

Niet alleen had mijn moeder onbeperkt de tijd om me de spelletjes uit haar kindertijd te leren, ze trok me ook graag mooie kleren aan, die ze vaak zelf maakte; ze kon uren besteden aan het met de hand gestikte smockwerk dat toen in de mode was.

Ze had een beroepsfotograaf een foto van me laten maken toen ik drie was, waarop ik een met wit afgezet jurkje droeg, één mollig beentje over het andere geslagen, vol vertrouwen glimlachend naar de camera. Ik leek het geliefde kind te zijn dat ik was.

Mijn moeder schreef me in voor een ‘Miss Pears’-verkiezing, en tot haar vreugde werd ik tweede. Een klein, ingelijst portretje kreeg een ereplaats op de schoorsteenmantel.

Maar die gelukkige dagen, toen we samen een gezin vormden, waren geteld. Jarenlang droomde ik ervan dat ze zouden terugkomen, maar toen het meer dan tien jaar later eindelijk zover was, brachten ze me geen geluk.

Mijn vader bleef verscheidene jaren na de oorlog in het leger en kwam slechts sporadisch thuis; hij bracht het hele huis in opschudding in de korte tijd dat hij er was. Mij leek hij meer een belangrijke bezoeker dan een vader. Dagen voor zijn komst werd er druk schoongemaakt, kussens werden opgeschud, meubels gewreven en vloeren gedweild. Een warme geur doortrok het huis als zijn lievelingskoekjes en cakes werden gebakken, en dan, op de langverwachte dag, trok mijn moeder me mijn beste kleren aan en hulde zichzelf in haar mooiste jurk. Voortdurend ongeduldig uit het raam kijkend, wachtten we tot het hek open zou gaan en een luide groet weerklonk, waarop mijn moeder naar de deur holde en zich in zijn uitgestrekte armen stortte.

Mijn indruk was die van een grote, knappe man die mijn moeder stralend deed lachen en een roze gloed op haar gezicht bracht. Zijn komst ging altijd gepaard met geschenken, zoals zijden kousen voor haar en chocola voor mij. Mijn moeder pakte die van haar geduldig uit en vouwde zorgvuldig het papier op voor later gebruik, terwijl ik mijn cadeaus openscheurde onder het slaken van verrukte kreten. Hij, de vrijgevige bezoeker, zat in de gemakkelijkste stoel, glimlachend om ons enthousiasme.

Op mijn vierde verjaardag scheurde ik een enorm pak open dat een grote, rode, vilten olifant bevatte. Toen ik die oppakte, vond ik mijn olifant mooier dan al mijn poppen. Ik doopte hem Jumbo en weigerde een paar maanden lang van hem te scheiden. Ik hield Jumbo vast bij zijn slurf en sleepte hem mee door het huis, liet hem bij me in bed slapen en nam hem mee als ik ergens op bezoek ging.

Een paar maanden na die verjaardag kondigde mijn vader aan dat het idee van een leven als burger hem wel aantrok. Hij wilde, zei hij, meer tijd doorbrengen met zijn vrouw en dochter. Toen mijn moeder dat hoorde, begonnen haar ogen te stralen en de volgende paar weken kon ik haar opwinding voelen terwijl ze wachtte op zijn terugkeer, ditmaal voorgoed.

Ik wist door de geuren van het bakken en het fanatieke schoonmaakwerk in huis welke dag hij zou komen, maar het duurde nog drie dagen voor hij eindelijk arriveerde. Deze keer waren er geen cadeaus na de geschreeuwde groet, en na een paar uur was de zorgeloze sfeer in huis definitief veranderd. De toenemende spanning was begonnen.

Toen ik in bed lag, met mijn geliefde olifant in mijn armen geklemd, drong de eerste ruzie die ik ooit tussen mijn ouders gehoord had door in mijn slaap. Ik raakte van streek. Tot op dat moment had ik nooit een woedende, luide stem gehoord. Ik drukte Jumbo wat dichter tegen me aan, hoopte dat ze zouden ophouden en viel ten slotte in een onrustige slaap.

Veel later vertelde mijn moeder me dat de ruzie ging over het drinken en gokken van mijn vader. Ik kende de oorzaken niet, wist alleen dat ik me als gevolg daarvan niet op mijn gemak voelde. Na zijn vertrek uit het leger was hij pas naar huis teruggekeerd toen hij elke cent van zijn ontslagpremie aan een pokertafel had verloren, en de hoop van mijn moeder om een gezellig huis te kunnen kopen voor ons drieën werd de bodem ingeslagen. Het werd me duidelijk, als ze in een van onze zeldzame intieme momenten met me praatte, dat het slechts de eerste was van de vele teleurstellingen die haar te wachten stonden.

Mijn moeder besefte dat ze met een opgroeiend kind, zonder spaargeld om op terug te vallen, zou moeten werken, wilde ze ooit haar wens om een eigen huis te bezitten in vervulling zien gaan. Maar dat zou niet gemakkelijk zijn. Niet alleen werden vrouwen in de eerste tien jaar na de oorlog onderbetaald, er was ook heel weinig werk. Militaire overwinnaars die in het leger waren gebleven om te helpen aan de wederopbouw van een verwoest Duitsland, werden na hun terugkeer geconfronteerd met massale werkloosheid, benedenmaatse huisvesting en distributie. Met haar karakteristieke grimmige vastberadenheid weigerde mijn moeder een mislukking te accepteren, en ten slotte werd haar volharding beloond. Ze vond werk als nachtcaissière in een garage een aantal kilometers verderop, waar een kleine, donkere flat, waarvoor ze geen huur hoefde te betalen, een deel van haar salaris vormde.

Ook mijn vader had moeite met het vinden van werk. Hoewel hij opgeleid was tot werktuigkundige, was de enige baan die hij kon krijgen in een fabriek, en ook nog eens in de nachtdienst. Omdat er niets anders werd aangeboden, nam hij de baan aan.

Ons leven kreeg een andere wending; hij kwam elke ochtend mopperend over vermoeidheid thuis en ging meteen naar bed, terwijl mijn moeder, die het huishouden moest doen en voor een klein kind moest zorgen, sliep wanneer ze maar even kon.

Al haalde mijn oma me soms op voor een uitstapje, ze kwam maar zelden bij ons op bezoek, en de dagen dat ik met mijn moeder alleen was waren voorbij. Ik werd wakker in de kleine flat, klemde Jumbo tegen me aan, en ging haar zoeken. Als de flat leeg was, ging ik in mijn pyjama, nog half slapend, naar beneden naar de garage, op zoek naar haar gezelschap. In die tijd werd ze nooit kwaad op me, tilde ze mijn slaperige lijfje op, nam me mee naar boven en stopte me weer in bed.

Een paar maanden voor mijn vijfde verjaardag verhuisden we weer, deze keer naar een klein rijtjeshuis met een tuin. Mijn vader had zojuist een promotie gekregen die vast werk inhield met een hoger loon en betere werktijden. De nachtdienst was erg vermoeiend voor mijn moeder, en voor het eerst sinds de terugkeer van haar man had ze het gevoel dat ze nu een fulltime huisvrouw zou kunnen worden.

De nacht voor mijn verjaardag kon ik niet slapen; ik vroeg me af wat voor cadeau ik zou krijgen. De hele voorafgaande week had ik mijn moeder aan haar hoofd gezeurd om het me te vertellen. Immuun voor mijn smeekbeden, had ze gelachen en gezegd dat ik mijn nieuwsgierigheid moest bedwingen en wachten tot het zover was.

Ik werd vroeg wakker, holde naar beneden, denkend aan de komst van Jumbo een jaar geleden, en keek om me heen in de zitkamer. Ik kon niets ontdekken. Mijn moeder, die mijn teleurgestelde gezicht zag, vertelde me dat we bij iemand op bezoek gingen en dat ik daar mijn cadeau zou krijgen.

Zodra ik opgewonden mijn ontbijt naar binnen had geschrokt, werd ik in mijn jas geholpen en huppelde ik hand in hand met mijn moeder naar de bushalte. Een rode dubbeldekker bracht ons verscheidene kilometers verderop naar het volgende dorp. We stapten uit en liepen een klein eindje naar een huis dat ik nog nooit gezien had. Ik was in de war. Ik had geen idee wat mijn cadeau kon zijn. Ik wist dat cadeaus in winkels werden gekocht.

Toen mijn moeder aanklopte, hoorde ik het schrille geblaf van verschillende honden. Mijn opwinding steeg. Jumbo, al hield ik nog veel van hem, begon zijn aantrekkingskracht op mij enigszins te verliezen. Wat ik nu meer dan wat ook wilde, was een puppy voor mezelf. Zou dit, vroeg ik me af, de dag zijn waarop mijn wens vervuld werd?

Een kleine, mollige vrouw met grijs haar deed open. Rond haar voeten dartelden een paar zwart-met-lichtbruine ruwharige terriërs, kwispelstaartend en tegen ons opspringend om ons welkom te heten. Terwijl ze probeerde hun luidruchtige begroeting in toom te houden, bracht de vrouw ons snel naar een grote keuken. Mijn opwinding werd nog groter toen ik voor het fornuis een mand zag met een paar slapende puppy’s. Net erbuiten strompelde een pluizig klein schepseltje rond met de zwart-en-lichtbruine tekening van de volwassen honden en glinsterende, ondeugende ogen, nog onzeker op de pootjes en in de lucht snuffelend met een zwart neusje.

Voordat mijn moeder de kans kreeg naar de andere puppy’s te informeren, was ik naar het avontuurlijke hondje gehold en knielde op de grond. Ik wist meteen dat ze mij als baasje wilde. Ik tilde ze op, snoof de warme puppygeur op en voelde de snelle likjes van haar ruwe roze tong in mijn gezicht terwijl ze kronkelend in mijn armen lag. De band was gesmeed; ze werd de grootste vriendin van mijn kindertijd.

‘Vind je dát hondje het liefste?’ vroeg mijn moeder.

Mijn stralende gezicht was het enige antwoord dat ze nodig had.

‘Dan is ze van jou. Ze is je verjaardagscadeau.’

Ik slaakte een vreugdekreet toen ik besefte dat mijn grootste wens vervuld was. Ik gaf het hondje een zoen op haar pluizige bol, en met dat vertoon van een vijfjarige moederliefde gaf ik haar te kennen dat ze van mij was.

‘Hoe wil je haar noemen?’ vroeg mijn moeder.

De herinnering aan een ander klein, vastberaden figuurtje kwam bij me terug, een wezentje dat ik had gezien toen ik eerder dat jaar een magische dag op het strand had doorgebracht. Met een grote ijshoorn in de hand had ik een kring lachende kinderen gezien die gefascineerd keken naar iets dat buiten mijn gezichtsveld viel. Ongeduldig rukkend aan de hand van mijn oma om haar naar voren te trekken en in dezelfde richting kijkend als de andere kinderen, kreeg ik de twee poppen Punch en Judy – Jan Klaassen en Katrijn – in het oog. Mijn vergeten ijsje smolt en droop langs mijn hand terwijl ik als aan de grond genageld bleef staan, verrukt van hun capriolen. Met de andere kinderen jouwde ik toen Punch Judy aanviel en juichte toen Judy terugsloeg. Zelfs toen de poppenspeler rondging met zijn collectebus bleef het mysterie van de twee miniatuurfiguurtjes onopgehelderd, en mijn geduldige oma werd onderworpen aan een stroom van vragen over de ruziënde poppen.

‘Ik noem haar Judy,’ antwoordde ik.

Die verjaardag bleef de gelukkigste herinnering van mijn kindertijd.

Mijn moeder had me ingeschreven bij een kleine particuliere school. Elke ochtend bracht ze me erheen en elke middag stond ze met een lieve glimlach bij het hek van de school te wachten. Ik voelde me erg volwassen in mijn uniform en met mijn potloden, vlakgom en eerste leerboeken zorgvuldig opgeborgen in een linnen schoudertas. Hoewel ik die eerste leertijd heel plezierig vond, bracht ik het grootste deel van elke dag in spanning door, denkend aan Judy en verlangend naar de laatste bel. Haastig werkte ik de melk en sandwiches naar binnen die ik thuis voorgezet kreeg zodra ik me verkleed had. Pas als ik allebei op had, mocht ik naar buiten om een uur met Judy en de bal te spelen. Als mijn moeder dacht dat we allebei voldoende energie verbruikt hadden om rustig binnen te blijven, deed ze de keukendeur open en riep ze ons. Een leesboek, waaruit ik elke dag nieuwe woorden leerde, of een rekenboek waarmee ik op de klok leerde kijken, werden uit mijn schooltas gehaald. Ik zat aan de tafel te werken, terwijl mijn moeder het eten klaarmaakte en Judy uitgeput aan mijn voeten lag.

Voor Kerstmis, toen ze van een puppy was opgegroeid tot een klein hondje, kocht ik van mijn opgespaarde zakgeld een mooie roodleren riem met bijpassende halsband. Ingepakt in mijn warme, marineblauwe winterjas, met een springerige Judy naast me, die immuun was voor de kou in haar natuurlijke bontjas, ging ik er trots mee wandelen, stralend als iemand even bleef staan om het hondje te bewonderen. Mijn geluk was volmaakt toen mijn oma ons weer begon te bezoeken. Er werd nooit een verklaring gegeven waarom ze indertijd gestopt was met ons te bezoeken. Jaren later bekende ze me dat ze het ontstellend vond dat we boven de garage woonden, altijd een afkeer had gehad van mijn vader en hem nooit goed genoeg had gevonden voor mijn moeder. Hoewel ik haar toen ten volle gelijk gaf, was het te laat om er commentaar op te geven.

Net als ik was ze dol op Judy, die haar altijd enthousiast begroette. Mijn oma tilde haar op en kietelde haar buikje, waarop Judy haar beloonde door de geparfumeerde poeder van haar gezicht te likken.

De bezoeken van mijn oma gingen gepaard met cadeaus, voornamelijk boeken, die, als mijn moeder het te druk had, door mijn oma werden voorgelezen.

Toen mijn ouders me in februari vertelden dat we gingen verhuizen naar Noord-Ierland, waar mijn vader vandaan kwam, werd mijn vreugde slechts verstoord door de gedachte dat ik mijn oma niet zo vaak meer zou kunnen zien. Maar haar herhaalde geruststelling dat ze ons heel vaak zou komen bezoeken, verdreef mijn angst.

Maar er zouden zes jaren verstrijken voor ik haar weer terugzag.

We stuurden elkaar regelmatig brieven, die de waarheid van ons gezinsleven verheimelijkten.

Ze vergat nooit een verjaardag en Kerstmis, maar de brief waarop ik hoopte en waarin ze haar bezoek aankondigde, kwam nooit. Onbewust toen van de talloze excuses die mijn moeder voor haar verzon, vervaagde geleidelijk het beeld van mijn oma en werd ze iemand die eens van me gehouden had.