18
Hoewel de docenten weinig contact met me hadden – zonder te weten waarom, voelden ze dat ik anders was dan mijn leeftijdgenoten – respecteerden ze me omdat ik bij de tussenexamens voor bijna elk vak de beste cijfers haalde. Mijn ambitie was een universitaire studie. Kennis, dacht ik, zou me vrijheid geven, en zonder mijn redenen te kennen, waren ze zich bewust van mijn ambitie.
Sinds mijn ziekenhuisopname werd ik nog steeds beschouwd als te zwak om mee te doen met de gymnastieklessen, zodat ik die uren kon gebruiken voor extra studie. Dat deed ik in de vertrouwde schoolbibliotheek, waarin zich een uitgebreide reeks naslagwerken bevond. Het behalen van hoge cijfers was heel belangrijk voor me; het was het enige gebied in mijn leven dat ik beheerste, waarop ik trots was.
Dr. Johnston, onze directrice, kwam regelmatig op bezoek in onze leslokalen, en was altijd een bron van inspiratie. Ze hield ervan de geest van de leerlingen op diverse manieren open te stellen. Ze moedigde ons aan om te lezen over politiek en geschiedenis, te luisteren naar muziek, en boeken te kiezen uit de bibliotheek van auteurs die zij aanbeval. Ze hielp ons onze eigen mening te vormen en niet bang te zijn daaraan uiting te geven.
Aan het begin van het semester, dat, zonder dat ik het toen wist, mijn laatste op school zou zijn, kondigde ze een wedstrijd aan. Twee lijsten met onderwerpen waren op het mededelingenbord geprikt dat in de grote hal hing. Een ervan was bestemd voor de kinderen die jonger waren dan veertien, de andere voor de oudere leerlingen. We kregen opdracht de lijsten goed te bestuderen, een onderwerp te kiezen dat ons interesseerde en tijdens het semester research te doen en er een essay over te schrijven. Dat moesten we mondeling presenteren voor een panel docenten en de andere mededingers. De prijs was een boekenbon, die ik dolgraag wilde hebben.
Tijdens de pauze, toen ik naar het prikbord liep, las ik minachtend de lijst voor de junioren. Ik had al enkele jaren geen kinderboek meer gelezen en alle vermelde onderwerpen kwamen me belachelijk kinderachtig voor. Toen sprong een van de onderwerpen van de seniorenlijst eruit: ‘Apartheid in Zuid-Afrika’, een deel van een continent dat me gefascineerd had sinds ik de artikelen erover in encyclopedieën gelezen had.
Ik ging naar de meer toegankelijke plaatsvervangend directrice en vroeg of ik een onderwerp uit de seniorenlijst mocht kiezen. Geduldig legde ze uit dat als ik zo’n onderwerp koos, ik zou moeten concurreren met meisjes die soms wel vijf jaar ouder waren dan ik. Toen ze zag dat ik vastbesloten was, begon ze een beetje ongeduldig te worden en vertelde me dat er geen rekening zou worden gehouden met mijn leeftijd. Maar ik hield voet bij stuk, ik wist wat ik wilde.
Ze haalde dr. Johnston erbij en vertelde haar, met een ietwat neerbuigend lachje, over mijn verzoek. Verrassend genoeg bleek dr. Johnston het met haar eens te zijn en zei dat als ik bereid was in mijn vrije tijd research te doen over een onderwerp dat nog niet behandeld was op school, ik haar toestemming had.
Ik was blij met mijn overwinning, blij dat ik één keer mijn zin had doorgedreven. Maar wat ik niet besefte, was dat ik de plaatsvervangend directrice tot vijand had gemaakt en het komende jaar daaronder te lijden zou hebben.
Toen ik met mijn research begon, nam mijn passie voor het onderwerp toe. Ik las hoe werkkrachten voor de mijnen werden gerekruteerd toen er goud en diamanten waren ontdekt, en baseerde daarop het begin van mijn essay. Ik schreef dat, toen de blanken goud ontdekten, ze ook tot de conclusie kwamen dat er tonnen aarde moesten worden uitgegraven voor enkele grammen van het edele metaal. En om met succes goud te kunnen winnen, waren er massa’s goedkope arbeidskrachten nodig, en dat betekende zwarte arbeiders. Maar wat, vroegen ze zich af, zou de dorpelingen motiveren om lange, slopende uren onder de grond te werken, als ze nooit de waarde hadden gekend van het goud dat in de grond verborgen was? Ze hadden eeuwenlang een ruilsysteem gehanteerd, en geld was voor hen niet belangrijk. De regering vaardigde daarop een nieuwe wet uit, die inhield dat de dorpen belasting moesten betalen. Nu het land niet langer eigendom was van de oorspronkelijke bewoners, was dat ook het goud niet, met als gevolg dat ze niet in staat waren hun belasting te betalen. De enige keus die overbleef, was de jonge mannen in drommen naar de mijnen te sturen. Vrouwen werden huilend gescheiden van hun echtgenoten, kinderen van hun vaders. Eerst werden ze in vrachtwagens geladen, die hen naar de treinen brachten, om vaak honderden kilometers af te leggen naar een onzekere toekomst.
Hoe voelden ze zich, die jongemannen? Ze konden niet langer de vreugde beleven van het zien opgroeien van hun kinderen, de warmte voelen van de lach van hun vrouw, luisteren naar de verhalen die de ouderen vertelden, verhalen die door de jaren heen van de ene generatie op de andere werden doorgegeven en de cultuur in stand hielden door de jongeren op de hoogte te brengen van hun geschiedenis.
Ook konden ze aan het eind van de dag niet tevreden en bewonderend kijken naar de prachtige Afrikaanse lucht, wachtend terwijl de zon langzaam onderging en een lucht achterliet die doorweven was met lichtroze schakeringen, onderbroken door flitsen van felrood en oranje.
En evenmin konden ze de geuren ruiken van het voedsel dat door de vrouwen werd bereid in zwarte potten die boven open vuren hingen. De veiligheid en de kameraadschap van hun dorp waren voor hen verloren. In plaats daarvan brachten ze lange uren door in het donker met uitputtend en vaak gevaarlijk werk, hoorden ze het onbekende geluid van vele vreemde talen, tot ze terugkeerden naar hun sombere, geestdodende slaapzalen. De tijd van opstaan werd nu bepaald door de overheersers, niet door het langzaam tot leven komen van hun dorp als de zon opging.
Hier leerden ze al heel snel dat de trots die ze hadden gevoeld toen ze de dag vierden waarop ze de volwassenheid hadden bereikt, hen werd afgenomen. Ze werden voorgoed ‘boy’ voor de blanken.
Toen ik er meer over las, werd ik een fervent tegenstander van de apartheid, het onrechtvaardige systeem dat uitsluitend was gecreëerd ten bate van het blanke ras. Eerst hadden ze het land van de zwarten opgeëist, toen overheersten ze de oorspronkelijke bewoners, beperkten ze in alle opzichten hun vrijheid, van hun bewegingsvrijheid tot het recht op onderwijs. Die gedachten en opvattingen werden de basis van mijn essay toen ik dertien was.
Waarom was ik zo gefascineerd door een land waarover ik tot dusver maar heel weinig had geweten? Als ik erop terugkijk, besef ik dat ik me identificeerde met de slachtoffers, zoals ik hen beschouwde, en me verzette tegen de overheersing van de Europeanen. Ik herkende de arrogantie van mannen die geloofden dat ze alleen al door hun bestaan behoorden tot een superieur ras. Ik had al geleerd dat volwassenen ook vonden dat ze superieur waren ten opzichte van kinderen. Die overheersten ze ook, ze beperkten hun vrijheid en eisten gehoorzaamheid.
De zwarte Afrikanen waren net als ik voor hun voedsel en het dak boven hun hoofd afhankelijk van mensen die, omdat ze in een machtspositie verkeerden, daar misbruik van maakten. In mijn geval, en in veel van hun gevallen, werd wreedheid gebruikt om ons hulpeloos te doen voelen, en onze hulpeloosheid maakte dat zij zich weer superieur voelden.
Ik haalde me de mensen voor de geest die oorspronkelijk de bezitters van het land waren geweest, en nu een pasje moesten aanvragen om hun familie te kunnen bezoeken en altijd een onderdanige houding moesten aannemen tegenover hun blanke meesters. Meesters die ze in veel gevallen net zo verachtten als ik die van mij. Ik kon me de wanhoop en de vernedering voorstellen die ze moesten hebben gevoeld, en identificeerde me daarmee. Maar ik wist dat ík op een goede dag het huis uit zou gaan. Als volwassene zou er hoop zijn voor mij, maar voor hen, vermoedde ik, bestond er geen enkele hoop.
Aan het eind van het semester brak de dag aan waarop mijn essay zou worden beoordeeld. Ik liep de aula in, waar de juryleden in hun zwarte toga’s aan de linkerkant zaten. De leerlingen van de vijfde zaten tegenover me, en die van de zesde, in hun keurige groene rokken en in nylons gestoken benen, rechts van me.
Me bewust van mijn gekreukte overgooier en kniekousen, beklom ik de twee treden naar het podium, het essay, waarvoor ik het hele semester research had gedaan, tegen me aangeklemd. Ik was de laatste kandidaat die dag, omdat ik de jongste was.
Zenuwachtig sloeg ik de pagina’s open en voelde mijn stem beven toen ik begon te lezen. Toen de passie die ik voelde voor mijn onderwerp me kalmeerde, voelde ik de sfeer in de klas veranderen van ongeduld en geamuseerde onverschilligheid in belangstelling. Uit mijn ooghoek zag ik dat de juryleden zich naar voren bogen om beter te horen. Toen ik mijn laatste zin had uitgesproken, voelde ik het applaus losbarsten nog voor ik het daadwerkelijk hoorde. Ik wist dat ik gewonnen had voordat dr. Johnston het aankondigde.
Met een brede glimlach bleef ik triomfantelijk staan. De kille blik in de zwarte ogen van de plaatsvervangende directrice kon op dat moment niets afdoen aan mijn blijdschap en mijn trots.
De directrice feliciteerde me hartelijk toen ze me de boekenbon overhandigde, en er klonk weer een applaus toen ik van het podium stapte. Ik had nog nooit zoveel waardering gekend.
Die middag ging ik met de bus naar huis, en met een warm gevoel na mijn succes liep ik het lege huis in, dat meteen al koud aanvoelde. Ik aaide een paar minuten over Judy’s trouwe kop terwijl ik haar vertelde over mijn dag, en deed toen de deur open, zodat ze in de kleine tuin kon spelen.
Mijn vader, die, dat wist ik, die dag niet werkte, was niet thuis. Hij zou, zoals hij altijd deed op zijn vrije dag, mijn moeder gaan afhalen en ze zouden samen thuiskomen. Ik volgde de gang van zaken, trok mijn uniform uit, hing mijn overgooier voorzichtig op en trok een oude rok en dikke trui aan. Daarna schepte ik de as van de vorige dag uit de kachel en legde een nieuw vuur aan. Toen dat brandde, ging ik naar de kleine, donkere keuken, waar ik de afwas deed van de vorige avond. Ten slotte zette ik een theeblad klaar, zodat de thee op mijn ouders zou wachten als ze thuiskwamen.
Toen die karweitjes gedaan waren, liet ik Judy weer binnen, zodat ze aan mijn voeten kon liggen terwijl ik aan mijn huiswerk begon. Die middag was ik bijna te opgewonden om te kunnen werken. Ik wilde mijn moeder vertellen over mijn prestatie, wilde dat ze me trots zou omhelzen, wat ze al heel lang niet meer gedaan had.
Ik hoorde de auto van mijn vader en schonk snel het water dat zachtjes stond te koken op de theeblaadjes in de pot. Toen ze binnenkwamen begon ik hun mijn nieuws te vertellen.
‘Mama,’ zei ik, ‘ik heb de prijs gewonnen! Mijn essay was het beste van de hele school.’
‘Dat is mooi, lieverd,’ was haar enige antwoord, terwijl ze ging zitten om haar thee te drinken.
‘Wat voor prijs was dat?’ vroeg mijn vader.
‘Voor mijn essay over de apartheid in Zuid-Afrika.’ Ik begon bijna te stotteren en voelde mijn opgetogenheid verdwijnen toen ik zijn spottende blik zag.
‘En waaruit bestond die prijs?’ vroeg hij.
Nog terwijl ik antwoordde: ‘Een boekenbon’, wist ik met een wee gevoel wat er ging komen.
‘Goed, geef maar aan je moeder,’ beval hij. ‘Die kan gebruikt worden voor je schoolboeken. Een grote meid als jij hoort haar steentje daartoe bij te dragen.’
Ik keek hem aan en probeerde de minachting te verbergen die ik voor hem voelde, want ik zag niet alleen mijn vader, maar ook wat hij vertegenwoordigde: het grove machtsmisbruik. Toen ik naar mijn moeder keek, die door haar zwijgen haar instemming betuigde, zag ik dat ze toegaf aan zijn tirannie. Ik keek naar zijn zelfingenomen, voldane gezicht en voelde zó’n golf van haat dat ik moeite had om rechtop te blijven staan. Ik bad in stilte tot een God in wie ik niet langer geloofde, om een eind te maken aan zijn leven.
Voor mijn ogen flitste een beeld van een overleden vader, en van mijn moeder en mij die samen gelukkig waren, want ik geloofde nog steeds dat het gedrag van mijn moeder door hem bepaald werd. Terwijl ik de moeder gadesloeg die ik adoreerde, dacht ik dat ze beter af zou zijn zonder hem. Ik zag hoe ze hem in de watten legde, en toen werd ik me bewust van die intieme, liefdevolle glimlach op haar gezicht, een glimlach die ze alleen voor hem bewaarde, een glimlach die mij nooit ten deel viel.
Dat was het moment waarop ik me eindelijk realiseerde dat de reden waarom mijn moeder bij hem bleef haar eigen wens was. Plotseling wist ik dat ze alles zou opofferen om bij de man te blijven met wie ze getrouwd was, hem te behagen en gelukkig te maken.
Na jarenlang mijn vader de schuld te hebben gegeven en zonder ooit kritiek uit te oefenen op mijn moeder, zag ik haar die avond als zwak. Ze kwam over als een vrouw die niet alleen de kans gemist had op een normaal gelukkig leven, maar als iemand die de weg was kwijtgeraakt door haar liefde voor mijn vader. Toen wist ik dat ik niet zo zwak was als mijn moeder. Dat had ik bewezen met mijn prestatie die dag. Alleen door de plaatsvervangende directrice het hoofd te bieden was ik in staat geweest om te winnen. Ik zwoer bij mezelf dat niemand ooit de baas zou zijn over mijn emoties. Ik zou mijn liefde bewaren voor de kinderen die ik verwachtte te zullen krijgen en voor mijn dieren. Ik zou mezelf nooit toestaan me daardoor te laten verzwakken, niemand ooit toestaan zo dicht bij me te komen. Het was een besluit dat jarenlang een schaduw over mijn leven zou werpen.