25

Ik was naar een klein, bedompt vertrek in het politiebureau gebracht, waarin slechts een tafel met een bruin formicablad en een paar houten stoelen stonden. Onder mijn voeten zag ik gebarsten, bruin linoleum, en het enige kleine raam in de met nicotine besmeurde muur zat te hoog om naar buiten te kunnen kijken. Ik wist dat mijn vader in de buurt was. Ik wist dat er een eind moest zijn gekomen aan mijn nachtmerrie, maar in plaats van me opgelucht te voelen, was ik bang. Wat zou de toekomst nu voor me inhouden, vroeg ik me af.

De deur ging open en ik zag dezelfde vrouwelijke agent die ik eerder had gezien, maar deze keer werd ze vergezeld van een andere jonge vrouw in burgerkleding. Ze vroegen me of ik had gegeten. Toen ik mijn hoofd schudde, ging de agent weg, om een paar minuten later terug te komen met een blad met thee, sandwiches en een paar chocoladebiscuitjes, die ze met een vriendelijke glimlach voor me neerzette. Er kwamen notitieboekjes tevoorschijn, wat me duidelijk maakte dat, ook al probeerden ze een ontspannen sfeer te scheppen, het allemaal toch heel officieel was. De vrouw in burgerkleding werd aan me voorgesteld als een maatschappelijk werkster, die Jean heette. Ze vroegen me of ik wist waarom ik hier was, en vervolgens of ik me er goed van bewust was dat wat mijn vader en ik hadden gedaan een misdrijf was. Op beide vragen antwoordde ik fluisterend ‘Ja.’

Vriendelijk legde de politievrouw uit dat mijn vader ook ondervraagd werd in een ander vertrek, en dat ik alleen maar de waarheid hoefde te vertellen. Ze legde verder uit dat hij, omdat ik minderjarig was, de schuld droeg van het misdrijf en dat hij ongetwijfeld naar de gevangenis zou gaan.

‘Antoinette, jij hebt niets verkeerds gedaan, maar we moeten je een paar vragen stellen. Denk je dat je die kunt beantwoorden?’ vroeg de politievrouw.

Ik staarde haar aan. Hoe zou ik kunnen praten over een geheim dat ik zoveel jaren verborgen had gehouden? Een geheim waarvan mijn vader me herhaaldelijk had verteld dat ze het mij zouden verwijten? Ik had al ondervonden dat als het ontdekt werd, het zou leiden tot de woede en verwijten die hij had voorspeld.

Toen mengde Jean zich voor het eerst in het gesprek.

‘Antoinette, ik wil je helpen, maar dat kan ik alleen als ik jouw versie van het verhaal ken. Ik weet dat het pijnlijk voor je is, maar we staan aan jouw kant.’

Ze strekte haar hand over tafel uit en pakte mijn hand vast. ‘Geef alsjeblieft antwoord op de vragen.’

De eerste vraag voor de bewijsvoering werd gesteld door de politievrouw.

‘Hoe oud was je toen je vader je voor het eerst aanraakte?’

Ik voelde de warme druk van Jeans hand op de mijne.

‘Zes,’ fluisterde ik ten slotte, en toen kwamen de tranen los. Een stille stroom vloeide over mijn wangen. Zwijgend werden me zakdoekjes overhandigd. Geen van beide vrouwen zei iets tot ik me weer beheerst had.

‘Waarom heb je al die jaren je mond gehouden? Waarom heb je het niet tenminste aan je moeder verteld?’ waren de eerste vragen die Jean me stelde.

Er kwamen geen woorden, mijn doos met herinneringen bleef gesloten; de keer dat ik geprobeerd had het mijn moeder te vertellen bleef zorgvuldig opgeborgen. Ik schudde mijn hoofd. Zou mijn leven anders zijn geworden als ik het me toen had herinnerd en het hun had verteld? Ik zou beslist bij haar zijn weggehaald en de gebeurtenissen die me later beschadigden zouden niet zijn voorgevallen. Of zou die liefde voor haar me altijd hebben beïnvloed en een impact hebben gehad op mijn leven? Zelfs nu heb ik het antwoord op die vraag nog niet kunnen vinden.

Op een vriendelijke manier wisten ze uit me te krijgen hoe hij me in de weekends had meegenomen voor autoritjes, dat hij me had verteld dat ze me weg zouden halen als ik mijn mond opendeed, dat de mensen mij de schuld zouden geven en mijn moeder niet meer van me zou houden. Toen ze dat hoorden zag ik dat de twee vrouwen een blik wisselden die ik begreep. Ze wisten dat zijn dreigementen waar waren. Zij wisten beter dan ik dat alles waarmee hij had gedreigd, en erger, werkelijkheid zou worden – zoals ik ook zou ondervinden – en dat elk spoor van mijn kindertijd definitief was verdwenen.

Langzamerhand werd met meelevende vragen het verhaal uit me getrokken, waarop ik naar waarheid antwoordde. Maar het was me onmogelijk enige aanvullende informatie te verschaffen. Het zou heel wat jaren duren voor ik zonder schaamte en schuldbesef vrijuit over mijn kindertijd zou kunnen praten. Ze vroegen of ik niet bang was geweest om zwanger te worden. Ik antwoordde dat ik gedacht had dat het onmogelijk was om zwanger te worden van mijn vader.

Het tikken van de klok markeerde de tijd die verstreek. Vermoeidheid en hopeloosheid vervulden me terwijl ik me voortdurend afvroeg wat er met me zou gebeuren.

‘Wat zijn je plannen voor de toekomst?’ vroeg Jean. ‘Zul je nu op school kunnen blijven?’

Ik keek haar niet-begrijpend aan, maar besefte plotseling wat ze bedoelde. Ik was een betalende leerling, mijn vader ging de gevangenis in, en ook al werkte mijn moeder, mijn vader had het hoogste inkomen. Plotseling drong de enormiteit van wat ik had gedaan tot me door, besefte ik wat voor schade ik had aangericht; het huis van mijn ouders was gekocht met een banklening, mijn moeder kon niet autorijden en mijn schoolgeld kon niet betaald worden. Alle gedachten aan het tehuis waarin mijn ouders me hadden willen opbergen verdwenen uit mijn hoofd en een schuldbewuste paniek kwam ervoor in de plaats. Ik had, besefte ik, het leven van mijn moeder verwoest.

Toen ze mijn wezenloze blik zag veranderen in begrip, toen iets van wat me te wachten stond tot me doordrong, probeerde ze me gerust te stellen.

‘Antoinette, dit is niet jouw schuld. Je moeder moet toch wel wat vermoed hebben in al die jaren?’

Zoiets geloven zou te veel voor me zijn geweest, zou ik niet hebben kunnen verdragen. Hoe had ik opgewassen kunnen zijn tegen de gedachte aan dat verraad van de enige van wie ik onvoorwaardelijk hield? Wanhopig ontkende ik het, en weer zag ik de blik die ze wisselden, een blik die een mengeling was van medelijden en ongeloof.

‘Antoinette,’ zei de politievrouw, medelevend en tegelijk vastbesloten haar werk te doen, ‘je zult getuige moeten zijn bij het proces van je vader – begrijp je wat dat betekent?’

Voor ik tijd had om me dat te realiseren, vergrootte ze mijn angst door me te vertellen dat hij op borgtocht zou worden vrijgelaten en hij en ik samen terug zouden gaan naar huis. Toen verliet ze het vertrek en liet me achter met Jean. Ik bleef zwijgend zitten terwijl de feiten langzaam tot me doordrongen, en toen kwam mijn angst boven.

‘Ik kan niet naar huis,’ stamelde ik. ‘Alstublieft.’

Ik voelde Jeans medelijden toen ze antwoordde: ‘Tenzij de politie verklaart dat je risico loopt, kan ik niets doen.’

Minuten gingen voorbij voordat de deur openging en de politievrouw weer binnenkwam, vergezeld van haar brigadier. Met een effen gezicht gingen ze tegenover me zitten.

‘Je vader heeft schuld bekend,’ viel de brigadier met de deur in huis. ‘Dat maakt het proces gemakkelijker voor je. Het proces zal in camera worden gehouden omdat je minderjarig bent. Weet je wat dat betekent?’

Ik schudde mijn hoofd en probeerde ‘nee’ te fluisteren.

‘Dat betekent dat geen pers of publiek dat niets met de zaak te maken heeft, zal worden toegelaten. De datum voor het proces is nog niet vastgesteld, maar dat zal niet langer duren dan een paar weken. Nu brengen we jou en je vader naar huis.’

Ik barstte in tranen uit. Verzwakt als ik was door bloedverlies en mijn spoedoperatie, liet mijn weerstand me in de steek. Ik voelde me verlamd van angst.

‘Stuur me alstublieft niet terug,’ hijgde ik tussen mijn snikken door, denkend aan de afranseling toen ik mijn schooluniform niet had opgeborgen. Als hij dat had gedaan voor zo’n licht vergrijp, wat voor straf zou ik hiervoor dan wel niet krijgen? Doodsbang klampte ik me vast aan de rand van de tafel, alsof ik op die manier het moment kon uitstellen dat ik naar huis moest.

De politievrouw was de eerste die sprak. ‘We hebben geen opvang voor iemand van jouw leeftijd, Antoinette, maar je ouders zullen je geen kwaad meer doen. De brigadier, Jean en ik gaan met je mee om met je moeder te praten.’

De brigadier probeerde me verder gerust te stellen. ‘Met je vader is al gesproken. Hij kent de gevolgen als hij je weer iets zou doen.’

Zijn woorden boden me weinig troost, want ik kon me de woede van mijn moeder herinneren, de minachting van de dokter en de wreedheid van mijn vader. Ik wist dat ik werd teruggebracht naar een huis waar ik niet gewenst was, naar een moeder die niet meer van me hield en een man die mij de schuld zou geven van alles wat er nu met het gezin ging gebeuren.

We werden in twee neutrale auto’s teruggereden, zoals mijn moeder gevraagd had, en stopten voor het huis waar de lichten nog brandden. Met een stug gezicht liet mijn moeder ons binnen en liet mij toen goddank naar boven gaan naar mijn kamer, waar ik het gemompel van stemmen kon horen maar ze niet verstond. Ik rammelde van de honger en realiseerde me dat ik behalve de sandwiches die de politievrouw me had gegeven niets meer had gegeten sinds het ontbijt in het ziekenhuis. Ik vroeg me af of mijn moeder daaraan zou denken, maar toen ik eindelijk de deur achter de politie hoorde dichtvallen, hoorde ik geen voetstappen die naar mijn kamer kwamen. Eindelijk viel ik in een rusteloze slaap, waarin de dromen hun angst verspreidden. Ik werd wakker in een zwijgend huis.