1

Niets aan het huis in de rustige buitenwijk van Belfast was opvallend. Het indrukwekkende bakstenen gebouw lag een eindje van de weg af en was omgeven door fraai aangelegde tuinen. Het zag eruit als elke andere grote gezinswoning. Het nummer op het hek bevestigde dat ik me op het juiste adres bevond nadat ik voor alle zekerheid het vel papier in mijn hand had geraadpleegd.

Ik kon het niet langer uitstellen, pakte mijn koffer op, die de taxichauffeur op het trottoir had gezet, liep het pad af en duwde de deur open.

‘Ik ben Toni Maguire,’ zei ik tegen de nonchalant geklede vrouw achter de receptiebalie. ‘De dochter van Ruth Maguire.’

Ze keek me nieuwsgierig aan.

‘Ja, uw moeder vertelde vanochtend dat u zou komen. We wisten niet dat ze een dochter had.’

Nee, dacht ik, dat geloof ik graag.

‘Kom, dan zal ik u bij haar brengen. Ze wacht op u.’

Kwiek liep ze door de gang naar een aangenaam zaaltje met vier bedden, waar mijn moeder lag. Ik liep vlak achter haar aan, mijn emoties onderdrukkend.

Vier oude dames zaten ontspannen in stoelen voor hun nachtkastjes. Op drie van die kastjes stonden foto’s van geliefde mensen; het vierde, dat van mijn moeder, was leeg. Ik voelde een vertrouwde scheut van pijn door me heen gaan. Er stond zelfs niet een van mijn babyfoto’s.

Ze zat in haar stoel met een plaid over haar knieën en haar voeten op de omhooggekrikte voetensteun. Dit was niet de sterke vrouw die er ruim een jaar geleden tijdens mijn laatste reis naar Ierland nog tien jaar jonger had uitgezien dan op haar geboortebewijs vermeld stond. Die vrouw was vervangen door deze verschrompelde, frêle oude dame, die een terminale ziekte leek te hebben.

De donkergroene ogen, die zo vaak hadden gefonkeld van woede, waren nat van de tranen toen ze haar armen naar me uitstak. Ik liet koffer en tas op de grond vallen en liep naar haar toe. Voor het eerst sinds vele jaren omhelsden mijn moeder en ik elkaar, en mijn liefde, die ik zo lang onderdrukt had, kwam weer boven.

‘Je bent gekomen, Toni,’ mompelde ze.

‘Ik zou altijd zijn gekomen als je het me gevraagd had,’ antwoordde ik, geschokt door de broodmagere schouders die ik door haar ochtendjas heen voelde.

Een verpleegster kwam haastig binnen en stopte de plaid steviger in rond de benen van mijn moeder. Zich naar mij omdraaiend, informeerde ze beleefd naar mijn reis, omdat ik uit Londen moest komen.

‘Valt erg mee,’ zei ik. ‘Drie uur van deur tot deur.’

Dankbaar nam ik een kop thee van haar aan en staarde aandachtig in het kopje, opdat mijn gezicht niet zou verraden hoe geschrokken ik was van mijn moeders broosheid. Ze was, dat wist ik, al eens eerder in het verpleeghuis opgenomen geweest om de pijn onder controle te houden, maar ik wist ook dat dit de laatste keer zou zijn.

De arts van mijn moeder, die op de hoogte was gesteld van mijn komst, kwam me opzoeken. Hij was een opgewekte, sympathiek uitziende jongeman, met een stralende glimlach.

‘Ruth,’ vroeg hij, ‘ben je blij nu je dochter je is komen bezoeken?’

‘Heel blij,’ antwoordde ze op haar gebruikelijke bekakte toontje, zo onverschillig alsof ze commentaar gaf op het weer.

Toen hij zich naar mij omdraaide, was het met dezelfde nieuwsgierige blik als ik in de ogen van de receptioniste had gezien.

‘Mag ik Toni zeggen?’ vroeg hij. ‘Zo noemde je moeder je.’

‘Natuurlijk.’

‘Ik wil je graag even spreken als je je thee op hebt. Kom maar naar mijn kamer, als je wilt. De verpleegster wijst je wel de weg.’

Met een geruststellende glimlach voor mijn moeder ging hij weg.

Ik nam een paar minuten de tijd om uit te stellen wat ik voelde dat een moeilijk gesprek zou worden, en dronk langzaam mijn thee voordat ik naar hem toe ging om te horen wat hij wilde.

Toen ik zijn kamer binnenkwam, zag ik tot mijn verbazing een andere man in vrijetijdskleding naast hem zitten. Alleen zijn boordje verried zijn professie. Ik nam plaats op de enige stoel die beschikbaar was, keek naar de arts met een naar ik hoopte ondoorgrondelijke uitdrukking en wachtte tot hij het gesprek zou beginnen. Toen hij op vriendelijke toon begon de situatie uit te leggen, zonk mijn hart in mijn schoenen. Ik besefte dat er bepaalde antwoorden van me verlangd zouden worden, antwoorden die ik liever niet gaf omdat ze de geheugencel zouden ontsluiten waar de geest van mijn jeugd huisde.

‘We hebben een paar problemen met de behandeling van uw moeder en we hoopten dat u mogelijk enige duidelijkheid zou kunnen verschaffen. De pijnstillende medicatie werkt minder goed dan ze hoort te doen. En, om heel eerlijk te zijn, ze krijgt al de maximale dosering die we kunnen voorschrijven.’

Hij zweeg even om mijn reactie te peilen. Toen die niet kwam, vervolgde hij: ‘Overdag reageert ze goed op het verplegend personeel, laat ze zich door hen naar de cafetaria brengen, is geïnteresseerd in haar uiterlijk en heeft een goede eetlust. De problemen komen ’s nachts.’

Weer zweeg hij, en nog steeds bleef ik hem met een bewust nietszeggend gezicht aankijken, niet bereid om ook maar iets te verraden. Na een paar seconden ging hij verder, met een tikje minder zelfvertrouwen.

‘Je moeder is ’s nachts heel onrustig. Ze wordt volkomen overstuur wakker, met meer pijn dan ze hoeft te hebben. Het is bijna of ze zich verzet tegen haar medicatie.’

O, ja, de spookuren van de nacht, dacht ik. Ik kende die uren maar al te goed, die uren waarin je de controle over je gedachten verliest en de zwartste herinneringen bovenkomen, die je klaarwakker schudden en je wanhoop, woede, angst of zelfs schuldbesef opdringen. In mijn geval kon ik opstaan, thee zetten, lezen of naar muziek luisteren. Maar wat kon mijn moeder nu doen om die duistere gedachten te verdrijven?

‘Twee keer heeft ze de verpleegster gevraagd om de geestelijke te halen. Maar,’ – hij richtte zich tot de man naast hem – ‘mijn vriend vertelt me dat ze zich, als hij komt, heeft bedacht en ze niet langer de behoefte voelt met hem te praten.’

De geestelijke knikte om het te bevestigen en ik voelde de impact van twee paar ogen die in mijn gezicht naar een antwoord zochten. Deze keer was het de geestelijke die de stilte verbrak, zich over het bedtafeltje boog en de volgende vraag stelde.

‘Toni, is er iets dat je ons kunt vertellen dat ons kan helpen met haar behandeling?’

Ik zag de oprechte bezorgdheid in zijn gezicht en koos mijn woorden zorgvuldig.

‘Ik denk dat ik begrijp waarom de nachtrust van mijn moeder wordt verstoord. Ze gelooft in God. Ze weet dat ze nog maar heel weinig tijd heeft voor ze Hem zal ontmoeten, en ik denk dat ze bang is voor de dood. Ik wil helpen, maar ik kan niet veel doen. Ik hoop voor haar dat ze de kracht zal vinden met u te praten.’

De dokter keek verbaasd. ‘Bedoel je dat je moeder last van haar geweten heeft?’

Ik dacht aan alles in het verleden van mijn moeder waarover ze zich schuldig moest voelen, vroeg me af of haar herinneringen door haar hoofd spookten. Ik deed mijn best mijn gevoelens te verbergen, maar voelde dat een zucht me ontsnapte toen ik antwoord gaf.

‘Dat móét ze hebben. Dat hoort ze te hebben. Maar of ze ooit zal toegeven dat ze iets verkeerds heeft gedaan, weet ik niet. Dat heeft ze nog nooit gedaan.’

De dokter keek zorgelijk. ‘Het heeft in ieder geval een negatieve invloed op de pijnbeheersing. Als de geest zo rusteloos is als die van je moeder schijnt te zijn, werkt de medicatie niet voor de volle honderd procent.’

‘In dat geval zult u meer toezicht moeten houden op de medicatie en op mijn moeder,’ zei ik, abrupter dan mijn bedoeling was, omdat een gevoel van hulpeloosheid me overviel. Met die woorden keerde ik terug naar het zaaltje van mijn moeder.

Toen ik binnenkwam, keek ze me strak aan.

‘Wat wilde de dokter?’ vroeg ze.

In de wetenschap dat ze het wist, keek ik haar recht in de ogen.

‘Ze vertelden me dat je de geestelijke twee keer midden in de nacht hebt laten komen en dat je erg overstuur was.’ Toen liet mijn moed me in de steek, zoals altijd. ‘Maar daar hoeven we ons nu geen zorgen over te maken, toch?’

De gewoonte uit mijn kindertijd om in te spelen op haar wensen bleef onveranderd.

De rest van die eerste ochtend was ze huilerig. Ik wist dat het gebruikelijk was bij terminale patiënten, maar toch onderging ik het met een bijna ondraaglijke ontroering. Met een teder gebaar veegde ik haar tranen af, herinnerde me de tijd dat zij, toen ik nog klein was, hetzelfde bij mij had gedaan. Ze was aanhankelijker dan ze jarenlang was geweest; ze wilde mijn hand vasthouden, ze wilde praten en herinneringen ophalen aan gelukkiger tijden. Ik keek naar haar zoals ze nu was, een oude vrouw wier dagen geteld waren en wier leven waarschijnlijk niet zo vredig zou eindigen als ik zou willen, en ik besefte hoe hard ze me nodig had.

‘Hoelang blijf je?’ vroeg ze.

‘Zolang als je me nodig hebt,’ antwoordde ik luchtig, in een poging te verheimelijken wat ik werkelijk bedoelde.

Mijn moeder, die me altijd kon doorzien, glimlachte. Met een schok kwam de tijd bij me terug toen ze zoveel jonger was en we zo intiem waren met elkaar. Ik voelde plotseling weer mijn oude liefde voor haar.

‘Ik weet niet hoelang dat zal zijn,’ zei ze met een wrang lachje. ‘Maar ik denk niet dat het erg lang zal duren.’

Ze zweeg even, keek naar me en vroeg toen: ‘Je bent alleen gekomen omdat je weet dat ik gauw doodga, hè?’

Ik pakte haar hand en wreef zachtjes met mijn duim over de rug ervan. ‘Ik ben gekomen omdat je het vroeg. Ik zou altijd zijn gekomen als je het gevraagd had. En ja, ik ben gekomen om je te helpen vredig te sterven, omdat ik geloof dat ik de enige ben die dat kan.’

Ik hoopte dat ze de wilskracht zou hebben om er eerlijk over te praten, en gedurende korte tijd die dag dacht ik dat ze dat zou doen.

Ze trok even aan mijn hand en zei: ‘Weet je, Toni, de tijd toen je nog een kleine baby was, was de gelukkigste van mijn leven. Ik herinner het me als de dag van gisteren. Toen je geboren was, zat ik rechtop in dat ziekenhuisbed en voelde me enorm trots dat ik op mijn negenentwintigste jou op de wereld had gezet. Je was zo’n perfect klein mensje. Ik hield zo verschrikkelijk veel van je. Ik wilde je in mijn armen houden. Ik wilde voor je zorgen en je beschermen. Ik wilde een goed leven voor je. Ik voelde zoveel tederheid en liefde. Dat was wat ik toen voelde.’

Ik kreeg een brok in mijn keel toen ik dacht aan al die jaren geleden, toen ik omgeven was door haar liefde. Toen was ze een moeder die me knuffelde en met me speelde, me verhalen voorlas en in bed stopte; een moeder van wie ik de geur inademde als ze zich bukte en me een nachtzoen gaf.

Een kinderstem drong door in mijn geheugen, tot de geluiden in mijn oor veranderden in gefluisterde woorden.

‘Waar is die liefde gebleven, Toni? Vandaag is je verjaardag. Ze zegt dat ze zich jou herinnert toen je geboren werd. Ze zegt dat ze toen van je hield, maar veertien jaar later probeerde ze je de dood in te sturen. Herinnert ze zich dat niet meer? Denkt ze dat jij dat niet doet? Heeft ze het echt buitengesloten? Heb jij dat?’

Ik hield me doof voor die stem en dwong hem tot zwijgen. Ik wilde mijn herinneringen in de hokjes laten waarin ik ze dertig jaar lang had opgesloten, zonder er ooit naar te kijken of aan te denken, behalve als de spookuren ze lieten ontsnappen en ze een lift gaven naar het eind van een vervagende droom. Hun ijskoude tentakels beroerden mijn onderbewustzijn en lieten duistere beelden achter uit een andere tijd, tot ik wakker werd en ze kon verdrijven.

Later die dag ging ik met haar naar buiten en reed haar rond in de tuin. Ze had er altijd van gehouden om mooie tuinen te creëren; het was alsof ze al haar verzorgende instincten, die ze voor mij al lang geleden was kwijtgeraakt, daarop botvierde.

Ze vroeg me stil te houden bij diverse planten en struiken en vertelde me de namen ervan. Bedroefd mompelde ze, meer tegen zichzelf dan tegen mij: ‘Ik zal mijn tuin nooit meer terugzien.’

Ik herinnerde me mijn bezoek aan haar toen ze pas ziek was geworden. Ik was naar Noord-Ierland geweest met een vriendin. Profiterend van het feit dat mijn vader die dag was gaan golfen, had ik mijn moeder bezocht. Trots had ze me foto’s getoond van haar tuin zoals die eruitzag voor ze erin aan het werk was gegaan, een verwaarloosd stuk land met plukken grof gras zonder één wilde bloem om er wat kleur aan te geven.

Toen ze me rondleidde, liet ze me iets zien dat me even deed glimlachen. Op moederdag en op haar verjaardag stuurde ik haar altijd een mand met kleine bloemen. Ze liet me zien hoe ze die, gemengd met andere planten die ze gestekt had, opnieuw geplant had in haar eclectische verzameling bloembakken, variërend van schoorstenen en oude gootstenen tot terracotta potten en een drinkbak, waardoor er een explosie van kleur was ontstaan rond de patio die ze had ontworpen.

Ook die middag had ze me de namen van alle struiken verteld.

‘Dit is mijn lievelingsstruik, een Buddleja. Maar ik hou meer van de bijnaam, de “vlinderstruik”.’

Als om de populairdere naam waar te maken, fladderde er een zwerm vlinders boven de donkerpaarse struik; hun vleugels glinsterden in de zon. Een ander deel van de tuin verspreidde een bedwelmende geur van rozen, waarvan de bloemblaadjes varieerden van een roomkleurige perfectie tot intens donkerroze. In weer een ander deel bloeiden haar geliefde lelies. En elders vermengden wilde bloemen zich met de gekweekte.

‘Als ze mooi zijn, is het geen onkruid,’ zei ze lachend.

Er waren kiezelpaden, met bogen van ijzerdraad, waarlangs jasmijn en kamperfoelie met tedere zorg tot bloei waren gebracht; de heerlijke geuren stegen op in de lucht. Aan de voet van een van die bogen stond een verzameling kabouters.

‘Mijn kinderlijke hobby,’ noemde zij ze. Ze zag er die dag zo kalm en gelukkig uit, dat het een herinnering werd die ik opborg in mijn mentale fotoalbum. Een die ik naar believen eruit kon halen en waar ik blij mee kon zijn.

De volgende dag reed ik naar een tuincentrum en kocht een klein prieeltje om haar tegen de elementen te beschermen en liet dat bezorgen.

‘Zodat je altijd van je tuin kunt genieten, wat voor weer het ook is,’ zei ik tegen haar, al wist ik dat ze niet meer dan één zomer zou hebben om ervan te profiteren.

Ze had een Engelse tuin geschapen in Noord-Ierland, een land dat ze zich nooit eigen had gemaakt en waar ze zich nooit thuis had gevoeld.

Ik haalde die herinnering tevoorschijn en voelde me zo bedroefd voor haar, mijn eenzame moeder die een leven had gecreëerd in haar fantasie en dat tot realiteit wilde maken.

Deels vond ik het prettig om bij haar te zijn in het verpleeghuis, ook al was ze zo zwak. Eindelijk kon ik wat tijd alleen met haar doorbrengen, tijd waarvan ik wist dat hij minuut na minuut verstreek.

Die avond hielp ik haar naar bed, borstelde haar haar naar achteren en gaf haar een zoen op haar voorhoofd.

‘Ik slaap in de stoel naast je bed,’ vertelde ik haar. ‘Ik blijf dicht bij je.’

Toen de zuster de slaappillen had uitgedeeld, hield ik haar hand vast, die smal en mager was geworden. De huid, bijna transparant en met blauwe aderen, leek bijna doorzichtig. Iemand had haar een manicure gegeven, de nagels ovaal gevijld en gelakt met lichtroze nagellak, zo heel anders dan de nagels die ik me herinnerde van mijn laatste bezoek, nagels die zwart zagen van de aarde.

Toen ze in slaap was gevallen pakte ik een roman van Mavis Cheek en ging naar de lounge. Ik voelde me overmand door verdriet omdat de moeder van wie ik vroeger zoveel had gehouden stervende was, verdriet omdat ze, ondanks al het kwaad dat ze had gedaan, nooit gelukkig was geweest. Ik treurde om de relatie met haar die ik altijd gewild had, maar die me, afgezien van mijn prilste jeugd, altijd was ontzegd.

Het boek bleef die avond ongelezen, omdat de controle over mijn herinneringen me was ontnomen. Mijn gedachten gingen terug naar die eerste tijd die ik met haar had doorgebracht, een tijd waarin ik me gekoesterd, beschermd en geliefd had gevoeld, een tijd die in mijn herinnering altijd zonnig was – tot alles duister werd.

Antoinette, het kind, kwam naar me toe in die ruimte die door de schemering wordt gecreëerd, als de dromen ons hebben verlaten maar het bewustzijn nog sluimert – gekleed in schakeringen van grijs, haar ivoorwitte gezicht glanzend onder haar pikzwarte pony.

‘Toni,’ fluisterde ze, ‘waarom heb je me nooit toegestaan om op te groeien?’

‘Laat me met rust,’ riep ik zwijgend, al mijn geestelijke energie verzamelend om haar van me af te duwen.

Mijn ogen gingen open, en nu dansten er slechts stofwolkjes in de lucht, maar toen ik mijn handen naar mijn gezicht bracht, werden ze nat van de tranen van een kind op volwassen wangen.

‘Toni,’ fluisterde ze, ‘laat me je het verhaal vertellen van wat er werkelijk gebeurd is. Het is nu tijd.’

Ik wist dat Antoinette ontwaakt was en ik haar niet zou kunnen dwingen de jarenlange sluimering te hervatten waarnaar ik haar eens verbannen had. Ik sloot mijn ogen en stond haar gefluisterde woorden toe in mijn geest door te dringen toen ze ons verhaal begon.