14

Vaag hoorde ik de stem van mijn moeder langs de trap naar boven roepen, en door de golven van pijn heen dringen die achter mijn ogen op de loer lagen, een pijn die zich boven in mijn hoofd vastzette, terwijl onzichtbare klauwen zich om de achterkant van mijn hals klemden.

Ik wist dat het tijd was om naar beneden te gaan en water te halen om me te wassen. Ik deed mijn mond open om mijn moeder te roepen, maar slechts een schor geluid ontsnapte aan mijn lippen. Mijn ogen leken op elkaar geplakt, als om ze te beschermen tegen het felle licht van de ochtend, dat pijnlijk door mijn oogleden drong. Ik stak een hand op die plotseling loodzwaar was geworden, met vingers die gezwollen en stijf waren. Ik probeerde ze te masseren, maar ik voelde niets anders dan de brandende hitte van mijn voorhoofd.

Ik dwong mezelf om rechtop te gaan zitten, duizeligheid deed de kamer om me heen draaien, zwarte vlekken dansten voor mijn ogen en zweet parelde op mijn voorhoofd. IJskoud, met een trillend lichaam en klapperende tanden, in paniek en met wild kloppend hart, voelde ik het bloed kloppend door mijn lichaam stromen.

Moeizaam zette ik mijn benen buiten het bed en wankelde naar de spiegel. Het gezicht van een vreemde staarde me aan, een vreemde met een gele huid die strak over een gezwollen gezicht spande. In één nacht waren er donkere kringen onder mijn ogen verschenen, en sluik, vochtig haar zat aan mijn hoofd geplakt. Weer hief ik mijn hand op om mijn haar naar achteren te strijken en zag dat mijn vingers net zo geel waren als mijn gezicht en tot twee keer hun omvang waren opgezwollen. Bevend kwam ik de trap af, op benen die te zwak waren om me te dragen, en liet me op een stoel vallen. Tranen rolden onbeheerst over mijn wangen toen ik de kille blik van mijn moeder zag.

‘Wat is er nu weer, Antoinette?’ hoorde ik haar vragen, maar toen kwam er een bezorgde klank in haar stem. ‘Antoinette, kijk me aan.’ Haar hand raakte even mijn voorhoofd aan. ‘Mijn god,’ riep ze uit, ‘je gloeit.’

Haastig vertelde ze me dat ik me niet moest bewegen – niet dat ik dacht dat ik daartoe in staat zou zijn – en toen hoorde ik haar door de kamer lopen naar het kleine halletje waar de telefoon stond. Ze draaide een nummer en sprak snel in het apparaat.

Een paar minuten later kwam ze terug met een deken, die ze voorzichtig om mijn schouders drapeerde, en vertelde me dat de dokter onderweg was. Hoeveel tijd er verstreek wist ik niet, want ik was verzonken in een koortsachtige versuffing. Het ene moment rilde ik over mijn hele lijf, en het volgende had ik het gevoel dat ik in brand stond. Ik hoorde vaag dat er op de deur geklopt werd, en de stem van de dokter. Ik voelde me opgelucht omdat ik zeker wist dat hij me zou helpen.

Een koele thermometer werd in mijn mond gebracht, vingers hielden mijn pols vast en al die tijd vervaagden de gestalten voor me. De dokter vertelde mijn moeder dat ik 41 graden koorts had en een nierontsteking. ‘Nefritis’ noemde hij het, en stond erop dat er onmiddellijk een ambulance werd gebeld.

Ik hoorde de ziekenwagen naderen, voelde dat mijn moeder tijdens de rit mijn hand vasthield, maar was me er nauwelijks van bewust dat ik op de stretcher naar de kinderafdeling werd gebracht en op een bed werd gelegd, in afwachting van het onderzoek. Ik wilde alleen maar slapen.

De volgende paar dagen waren slechts een vage herinnering, een wazige indruk van voortdurende misselijkheid, scherpe naalden die in mijn billen werden gestoken en een substantie injecteerden waarvan ik later zou horen dat het penicilline was, handen die me omdraaiden, en een vochtige doek die op geregelde tijden mijn koortsachtige lichaam afveegden. Andere keren werd mijn slaap onderbroken als mijn hoofd werd vastgehouden en een rietje in mijn mond werd gestopt, waardoor een koel vocht door mijn uitgedroogde keel drupte, of als een koude metalen kom onder mijn billen werd geschoven en stemmen zeiden dat ik niet rechtop moest gaan zitten maar plat moest blijven liggen tot ik sterker was.

Die eerste paar dagen leken tot één dag ineen te vloeien, en slechts de zorgende handelingen van de zusters onderbraken mijn slaap. Het bezoekuur was de enige tijd waarin het me nodig leek mijn ogen open te houden.

De kinderen om me heen letten angstvallig op de dubbele deur aan het eind van de zaal, staarden ongeduldig naar de klok terwijl de wijzers langzaam voortkropen naar het uur waarop de deuren naar twee kanten zouden openzwaaien om een stroom glimlachende volwassenen binnen te laten met speelgoed, boeken en fruit.

Ik draaide mijn hoofd om op het kussen, mijn ogen strak gericht op de deur, gespannen uitkijkend naar mijn moeder. Als de deur openging kwam ze haastig naar me toe in een wolk van parfum, ging naast mijn bed zitten, hield mijn hand vast, streek het haar uit mijn gezicht en zoende me in een publiek vertoon van genegenheid. De glimlach waarmee mijn vader naar me staarde, getuigde van zijn bezorgdheid, en de glimlach waarmee hij naar de zusters keek leverde hem stralende reacties op.

Ze had zich ongerust gemaakt over me, vertelde mijn moeder me, want ik had haar enorm doen schrikken. Maar nu was ik in goede handen, en ik moest een brave meid zijn en gauw weer beter worden. Ik moest, legde ze uit, een paar weken in het ziekenhuis blijven, en niet alleen in het ziekenhuis, maar in bed. Ze vertelde me verder dat ik een heel ernstige nierontsteking had en een dieet kreeg van glucose en gerstewater. Ze zei dat het stil in huis was zonder mij, dat Judy me miste, en dat ze wist dat ik zo snel ik kon beter zou worden. Uit mijn liggende positie naar haar opkijkend, richtten mijn ogen zich op haar, tot de starende blik van mijn vader ze van haar wegtrokken naar hem.

De glimlach om zijn lippen was altijd die van de aardige vader, maar in zijn ogen zag ik de slechte vader, degene die voor iedereen onzichtbaar was, die in zijn hoofd leefde.

De dagen werden weken en mijn kracht kwam langzamerhand terug, en daarmee de belangstelling voor mijn omgeving. Hoewel ik nog steeds in bed moest blijven, kon ik rechtop zitten tegen een stapel kussens, die van één tot drie waren aangegroeid in hetzelfde aantal dagen. Nu mijn ogen niet langer van vermoeidheid dichtvielen, werd lezen weer een genot. Twee keer per week wachtte ik gespannen op de kar die de gewenste boeken zou brengen. Bij het eerste bezoek, toen ik de bibliothecaresse vertelde dat mijn voorkeur uitging naar detectiveverhalen, keek ze me aan met een blik van verbijstering en een afkeurend geluid over zo’n onkinderlijke smaak. Maar we bereikten een compromis met de verhalen van Agatha Christie over de capriolen van Tommy en Tuppence, gevolgd door Miss Marple en Hercule Poirot. Gelukkig voor mij was Agatha een productief schrijfster, en mijn voorraad leek onuitputtelijk.

De vaste routine van de zaal bood een bepaalde troost. Eerst de vroege ochtendronde met po’s voor de kinderen die aan bed gebonden waren. Dan zaten we als rijen broedkippen te persen, in de wetenschap dat de inhoud van die koude metalen bakken aandachtig onderzocht zou worden voor ze werden weggebracht. Vervolgens kwamen er kommen water voor onze ‘kop-en-staart’ wasbeurt, waarbij ter wille van de privacy de gordijnen om ons heen werden dichtgetrokken.

Daarna volgde het ontbijt. Proteïnerijke eieren en bruin brood werden in de naburige bedden opgediend en deden me watertanden, maar ik kreeg alleen mijn kom lichtgrijze stroperige glucose.

Pas als de bladen waren weggehaald, kon ik mijn boek pakken en zoeken naar de oplossing van de mysteries voordat de onderhavige detective moeiteloos de schuldige ontmaskerde.

Ik was me nauwelijks bewust van het constante geroezemoes van de activiteit om me heen in de drukke zaal. Het geruis van de blauw-met-witte uniformen van de verpleegsters, de zachte stappen van hun witte veterschoenen op de grijze, industriële vloerbedekking, het gebabbel van herstellende kinderen en de metalen klank van de gordijnringen als de gordijnen werden dichtgetrokken rond het bed van een kind dat zieker was dan ik, verdwenen allemaal naar de achtergrond terwijl ik de pagina’s omsloeg.

De geuren van de lunch drongen in mijn neusgaten, het ontberen van elke proteïne maakte dat al het eten van de anderen heerlijk rook. Ik keek jaloers naar de bladen als ze me mijn glucose kwamen brengen.

‘Drink op, Antoinette,’ was het opgewekte bevel als ik opstandig naar het onappetijtelijke vocht keek. ‘Het zal je goed doen.’

Ik wilde vast voedsel.

‘Het maakt je beter, en dan mag je naar huis.’

Ik wilde cake, ijs, snoep en een bord vol bruine toast, druipend van de boter en met dotten donkerbruine marmite. Beelden van zulke traktaties zweefden voor mijn ogen als het water me in de mond liep bij de herinnering eraan. Dan lepelde ik het onsmakelijke goedje uit de kom in mijn mond en dwong mezelf het door te slikken. De inspanning om beter te worden, met het hongerdieet en het eindeloze prikken van naalden, leek een moeizame en langdurige onderneming.

Na de lunch kwam het opmaken van het bed, waarbij de lakens zo strak werden getrokken dat we ons niet konden bewegen. Daarna, met stevig ingepakte armen en keurig gekamd haar, wachtten we de ronde af van de hoofdzuster.

De dubbele deur zwaaide open en een statige gestalte maakte haar entree, gevolgd door een entourage van artsen, een in het blauw geklede zaalzuster en een stafzuster. Een gesteven opstaande kraag hield het imponerende hoofd met de witte kap van de hoofdzuster rechtop, haar cape golfde achter haar aan. Gebiedend bleef ze bij elk bed staan en vroeg aan het gemummificeerde kind hoe het zich voelde.

Na het horen van ‘Heel goed, dank u, zuster’, liep ze verder naar het volgende bed tot haar ronde voltooid was. Daarna ging de deur weer open en ontlokte haar vorstelijke vertrek een collectieve zucht van opluchting aan zowel verpleegsters als patiënten; armen werden uit de lakens gewrongen, lichamen gleden in een comfortabelere positie voor het middagslaapje, waarna het bezoekuur kon beginnen.

De nacht begon altijd te vroeg voor mij, en onderbrak mijn detective altijd als hij op het punt stond de meest onwaarschijnlijke persoon in het boek als de schuldige aan te wijzen. Maar al vond ik het nog zo vervelend dat mijn avontuur door een hogere macht een halt werd toegeroepen, meestal viel ik snel in een vrijwel ononderbroken slaap. Alleen de zeldzame opname van een nachtelijke patiënt kon me storen. Bij een van die gelegenheden zag ik de baby.

Ik hoorde het lichte gerammel van de gordijnhaken twee bedden bij me vandaan, opende een slaperig oog en zag een kleine vorm met, in mijn kinderlijke verbeelding, het hoofd van een monster. Een hoofd dat volledig kaal was en zo groot dat elke beweging, dacht ik, het tere nekje zou breken. Een lamp erboven wierp een vage oranje gloed op het ledikantje. Een vrouw boog zich eroverheen, raakte met haar hand de kleine vingertjes van de baby aan, waarna de ringen weer rammelden en het gordijn werd gesloten, en ik weer in een onrustige slaap viel.

Twee dagen lang bleven de gordijnen rond dat bed gesloten terwijl verpleegsters en artsen heen en weer liepen en aan het oog onttrokken wat er te zien was. De derde nacht zag ik, als in een droom, de vrouw weer, en ik zag aan haar houding dat ze verdriet had. Ik zag een ingepakte vorm in de armen van de zaalzuster, die het pakketje mee de zaal uit nam, en ik zag het licht uitgaan. Toen vielen mijn ogen dicht.

De volgende ochtend waren de gordijnen opengetrokken, het nu lege ledikantje was keurig opgemaakt en van de baby was geen spoor te bekennen.

Met die instinctieve wetenschap die kinderen soms hebben, wist ik dat de baby dood was. Ik wist ook dat ik er niet naar moest vragen.

Elke middag zag ik hoe de kinderen naar de deur keken terwijl ze opgewonden wachtten op hun ouders en familie. Ik zag hun gezicht oplichten, zag hun armen omhooggaan om geknuffeld te worden en voelde mijn eigen angst. Terwijl ik in dat ziekenhuisbed lag kon ik de ogen van mijn vader niet vermijden, evenmin als de angst die ik voor hem voelde.

Zes weken na mijn opname kwam hij alleen. Herinneringen, die door de prettige routine van het ziekenhuis gedeeltelijk waren vervaagd, kwamen met een schok bij me terug en mijn vingers klemden zich om de lakens.

Ik vroeg me af waar mijn moeder was toen hij mijn hand pakte en zich bukte om me een zoen op mijn wang te geven. In antwoord op mijn onuitgesproken vraag vertelde hij me dat ze een ernstige kou had gevat en geen ziektekiemen de zaal in wilde brengen. Zijn dikke, golvende haar glansde die dag van de brillantine en zijn glimlach voor de verpleegsters sprankelde. Maar de slechte vader lag op de loer in zijn ogen en kwam zijn mond uit met elk woord dat hij zei.

Nog steeds mijn hand vasthoudend, terwijl ik me verder onderuit liet zakken in de kussens, zei hij: ‘Antoinette, ik heb je gemist. Heb jij je papa gemist?’

De marionet nam het over. ‘Ja,’ fluisterde ik, en mijn herwonnen kracht scheen mijn lichaam te verlaten.

‘Nou, als je thuiskomt heb ik een geschenk voor je. Daar hou je toch van, hè, Antoinette?’

Ik vroeg hem niet wat het geschenk was; ik wist het. Ik voelde de druk van zijn hand terwijl hij wachtte op mijn reactie. Ik keek naar hem op en gaf hem het antwoord dat hij horen wilde.

‘Ja, papa.’

Hij keek me stralend aan, en ik zag de zelfvoldane glans in zijn ogen. ‘Gedraag je goed, Antoinette. Ik kom morgen terug.’ En hij kwam.

De zusters bleven me vertellen wat een lieve vader ik had, hoeveel hij van zijn kleine meisje hield, en dat het niet lang meer zou duren voor ik naar huis mocht.

Na zijn derde bezoek wachtte ik tot de andere kinderen in slaap waren gevallen. Ik pakte het koord van mijn ochtendjas, bond één eind om mijn nek en het andere eind aan het hoofdeinde van het bed. Toen liet ik me op de grond vallen.

Natuurlijk werd ik gevonden. De nachtzuster scheen te denken dat ik depressief was omdat ik naar huis wilde, en ze verzekerde me herhaaldelijk dat het niet lang meer zou duren. Ze stopte me weer in bed en bleef naast me zitten terwijl ik in slaap viel. De volgende ochtend was het koord van mijn ochtendjas verdwenen.

Op dat bezoekuur kwamen allebei mijn ouders binnen. Mijn moeder pakte mijn hand beet terwijl mijn vader er met over elkaar geslagen armen bij stond.

‘Antoinette,’ zei ze, ‘ik weet zeker dat afgelopen nacht een vergissing was. De hoofdzuster heeft me vandaag gebeld. Je wilt toch zeker niet dat ik me weer zo ongerust over je moet maken?’

Ik zag haar heldere glimlach en wist dat het incident stevig opgeborgen was in het kistje met het opschrift ‘Niet over praten’. Het spel van het gelukkige gezin was nog steeds aan de orde en zij was de centrale figuur in het tableau.

‘Papa en ik hebben samen gepraat,’ ging ze verder, haar stralende glimlach nu ook op mijn vader richtend. ‘Je zult beslist erg verzwakt zijn als je uit het ziekenhuis komt. Dus hebben we besloten je naar tante Catherine te brengen.’ Ik kende tante Catherine nauwelijks, maar tijdens haar zeldzame bezoeken had ik haar altijd aardig gevonden. ‘Een paar weken buiten op het land zullen je goed doen. We zullen het niet meer over die malle geschiedenis hebben, lieverd, en natuurlijk zullen we niets tegen tante Catherine zeggen. We willen haar toch niet bezorgd maken, wel?’

Ik voelde de starende blik van mijn vader terwijl ik naar mijn moeder keek, en ik voelde ook haar ruk aan het koord waarmee ik met haar verbonden was. Verlangend naar haar goedkeuring, antwoordde ik: ‘Dank je, dat lijkt me leuk.’

Nu hun taak voltooid was, ontspanden beide ouders zich tijdens de rest van het bezoekuur, en toen de bel ging om het eind ervan aan te kondigen, vertrokken ze na veel gezoen. Ik veegde mijn kin af waar de lippen van mijn vader terecht waren gekomen, pakte toen mijn boek op en verdiepte me in het verhaal.

Getrouw aan haar belofte werd er nooit meer een woord over het incident met het koord gezegd. Mijn moeder had een vast patroon om problemen aan te pakken: ‘Als we er niet over praten, is het niet gebeurd.’ Alsof haar ontkenning aanstekelijk werkte, volgde het ziekenhuispersoneel haar voorbeeld.

Mijn vader kwam nog slechts één keer alleen op bezoek.

‘Antoinette, denk aan wat ik je gezegd heb. Je praat niet over familiezaken. Begrepen?’

‘Ja, papa.’ antwoordde ik, zakte verder onderuit in bed en probeerde de felle blik in zijn ogen te vermijden. In hun diepte kon ik een glimp opvangen van de woede die ik zou ontketenen als ik het ooit waagde hem ongehoorzaam te zijn.

Elke dag wachtte ik tot mijn moeder weer door die deur binnen zou komen, en herhaaldelijk werd ik teleurgesteld. Toen ze eindelijk weer verscheen, putte ze zich uit in excuses, die rond mijn hoofd zweefden, en omdat ik haar wilde geloven, knikte ik op de juiste momenten. Door haar werk, zei ze, was ze te vermoeid geweest. Zo’n lange tocht met de bus, ging ze verder. Ze vertelde me dat tante Catherine zich verheugde op mijn bezoek, en omdat haar familie heel bemiddeld was, hoefde ze niet te werken. Mijn moeder wilde dat ze vrij kon nemen om voor me te zorgen, maar ze wist dat ik het zou begrijpen waarom dat niet kon. En ik verheugde me toch zeker ook op mijn bezoek.

Op mijn elfde wist ik alleen dat ik naar huis wilde naar mijn moeder, maar mijn verlangen om het haar naar de zin te maken bleef even groot als vroeger.

‘Het zal leuk zijn tante Catherine weer te zien,’ antwoordde ik, en werd beloond met een stralende glimlach en twee kussen op elke kant van mijn gezicht.

De laatste dagen in het ziekenhuis vloeiden ineen terwijl ik las, speelde met de andere kinderen en wachtte tot me verteld zou worden dat het morgen mijn laatste dag in het ziekenhuis zou zijn. Eindelijk was het zover.

Ik kleedde me die ochtend vroeg aan, pakte mijn kleine koffer met de grotere hoeveelheid boeken en kleren die ik had vergaard in de drie maanden die ik in het ziekenhuis had doorgebracht. Toen die taak volbracht was, ging ik geduldig op mijn bed zitten en wachtte op mijn moeder.