Hoofdstuk 8
Toen Audrey Louis' eerstvolgende
briefje las, was ze verbijs-terd dat Cecil hem over zijn aanzoek
had verteld. Ik word verteerd door een brandende jaloezie, schreef
Louis. Hoewel ik weet dat dergelijke emoties geen enkele zin
hebben, kan ik er niets aan doen dat ik mijn broer o?n zijn euvele
moed veracht. Audreys moed zonk haar nog verder in de schoenen. Ze
had het hem zelf willen vertellen, die avond in de tuin, als ze de
kwestie samen konden bespreken en een plan konden bedenken. Ze
dacht aan Cecil en haar weerzin groeide. Toen ze bedacht dat hij
het misschien ook nog aan anderen zou vertellen, huiverde ze. Ze
had gehoopt dat het, als ze wakker werd, een akelige droom zou
blijken te zijn. Nu stond haar maar één weg open: Cecil vertellen
dat ze niet verliefd op hem was en dat ze nooit met hem zou
trouwen. Daarna zou ze haar ouders eenvoudigweg moeten vertellen
dat ze haar hart had verpand aan Louis, en de gevolgen onder ogen
moeten zien.
Haastig stak ze haar antwoord in
de kier in het baksteen en verliet het station voordat Juan Julio
in de gaten kreeg dat ze weer op het perron rondhing. Toen ze weg
was, kwam de stationschef als een luie, volgevreten kater zijn
kantoortje uit geschuifeld, krabde aan zijn kruis en keek om zich
heen om zich ervan te vergewissen dat niemand zag dat hij de
volgende aflevering van een liefdesverhaal las waaraan hij even
verslaafd was als een meisje aan een roman. Hij drentelde langs de
muur, zijn gezicht vertrokken van verwachting, en keek links en
rechts het perron af. Toen hij zich ervan had vergewist dat Audrey
Garnet echt weg was, stak hij zijn dikke vinger in de kier en
pulkte het witte briefje eruit als een slak uit zijn huisje. Hij
grinnikte toen hij zocht naar het woord 'liefde', dat een van de
weinige niet-Spaanse woorden was die hij kon begrijpen, en naar
andere die op Spaans leken. Het deed er niet toe dat de inhoud van
het briefje een raadsel voor hem bleef; de geheimzinnigheid
van
in de hele affaire boeide
hem mateloos en hij kon zijn ongeduld bijna niet bedwingen tot de
volgende dag. Nadat hij het papiertje zorgvuldig had teruggestopt -
hij wilde zijn genoegen niet door onzorgvuldigheid in de waagschaal
stellen - liep hij het perron op naar het seinhuis, waar hij uit de
kou zat, terwijl hij in zijn neus peuterde en nadacht over het lot
van deze onfortuinlijke geliefden.
Toen Isla uit school thuiskwam,
was ze bleek en huilerig, en beweerde ze dat ze zich niet lekker
voelde. Albert rolde met zijn ogen en beschuldigde haar ervan dat
ze maar deed alsof om aandacht te krijgen, en Rose was het in
stilte met hem eens, totdat ze de temperatuur bij haar dochter
opnam en zag dat ze een flinke griep te pakken had.
'Het komt wel weer in orde, lieve
Isla,' stelde haar moeder haar vriendelijk gerust. 'Ik zal een
lekker warm drankje voor je maken met citroen en honing, en dan ben
je zo weer de oude.'
'Ze hoeft morgen zeker niet naar
school,' bromde Albert. Het was niet de eerste keer dat Isla haar
lessen oversloeg vanwege een of andere ingebeelde ziekte. Maar dit
keer had ze de koorts als bewijs en lag ze met het melodramatische
air van een actrice in bed te genieten van alle aandacht.
'O, lieve Isla,' verzuchtte
Audrey, en ze nam de warme hand van haar zusje in de hare. 'Arme
meid. Voel je je erg beroerd?'
'Vreselijk,' antwoordde Isla.
'Maar je kunt me opvrolijken. Zie je Louis vanavond nog?'
'Natuurlijk, en dan ga ik Cecil
de waarheid vertellen.' Isla trok een gezicht alsof ze eraan
twijfelde of haar zusje voor zoiets stoutmoedigs wel dapper genoeg
was. 'Alleen aan Cecil, of vertel je papa en mama ook de
waarheid?'
'Iedereen. Ik heb er genoeg van
om te liegen en mijn gevoelens te verbergen, en Louis ook.'
'Mooi zo!' riep Isla met een
brede grijns uit. 'Ik kan niet wachten om te zien hoe dat
afloopt.'
'Maar ik heb wel met Cecil te
doen. Hij is een heel leuke man. Hij verdient het niet om zo
behandeld te worden als ik hem heb behandeld. Ik ben op een
afschuwelijke en nonchalante manier met zijn gevoelens
omgesprongen.'
'Allemachtig, Audrey,' tierde
Isla. 'Het is zijn eigen schuld, hij had er niet zo snel mee op de
proppen moeten komen! Het was nog maar jullie eerste etentje.
Mannen worden niet geacht zo snel een aanzoek te doen.' Vervolgens
keek ze naar Audrey met ogen die tot spleetjes waren geknepen
en die schitterden van de griep en van ondeugendheid. 'Je hebt hem
er zeker toe aangemoedigd om zo impulsief te zijn.' Audrey trok wit
weg van afschuw.
'Ik heb helemaal niets gedaan om
hem aan te moedigen,' protesteerde ze fel, beledigd door deze
beschuldiging. 'Helemaal niets!' Ze sloeg defensief haar armen over
elkaar en herinnerde zich huiverend dat ze hem wél haar hand had
laten vasthouden.
'Sorry hoor. Ik bedoelde niet dat
je hem expres hebt aangemoedigd, alleen dat hij je op de een of
andere manier verkeerd moet hebben begrepen.'
'Hij heeft me zeer zeker verkeerd
begrepen,' antwoordde ze snel, en ze wendde haar ogen af van de
onderzoekende blik van haar zusje.
'Het komt wel in orde,' stelde
Isla haar gerust. 'Bereid je maar voor op de storm.'
Tante Hilda zat aan haar
toilettafel crème in haar gerimpelde huid te wrijven. Zoals zoveel
vrouwen die in een warm klimaat leefden had ze haar gezicht te vaak
door de zon laten verbranden, maar hoeveel zorg ze er ook aan
besteedde, aan de ruw aanvoelende schade die de zon had aangericht
en de immer voortgaande corrosie van de bitterheid die haar trekken
niet minder tekende, was weinig te doen. Als de jeugd haar een
zekere schoonheid had geschonken, dan had de ouderdom haar daar
weer van beroofd. Haar kille, bloeddoorlopen ogen en de smalle lijn
van haar mond, die zelden glimlachte, ook niet tijdens de zeldzame
momenten dat ze echt iets had om blij om te zijn, hadden weinig
aantrekkelijks. Ze was niet in staat om genoegen te scheppen in
andermans geluk en was uit gewoonte voortdurend teleurgesteld over
haar eigen leven. Voor tante Hilda was haar negatieve wereld even
onontbeerlijk als geruststellend bekend. Toen Nelly, haar tweede en
minst kleurloze dochter, haar kamer binnenkwam met het nieuws dat
Isla met griep w bed lag, stopte Hilda ermee haar gezicht met crème
te maltraiteren en merkte op dat ze er niets van geloofde. 'Dat
kind houdt Rose voor de mal,' verzuchtte ze. 'Ik heb gegronde reden
om te geloven dat ze een geheim verbond heeft gesloten met die
vreselijke Louis Forrester. Griep-ja ja!'
Nelly, die groot was geworden op
een ongezond dieet van haar "loeders wr°k in die zin dat ze haar
altijd voorhield dat de dochters ^an haar zuster knapper en
charmanter waren dan die van haarzelf,
schepte in niets zoveel genoegen
als in lange gesprekken waarin de volmaaktheid van haar
nichtjes onderuit werd gehaald, zodat zij een beter gevoel over
zichzelf kreeg, al was dat dan tijdelijk. Het feit dat zij ook een
oogje had op Louis Forrester maakte haar gretige bereidheid om
kritiek te leveren er des te groter op. 'Waarom denk je dat?' vroeg
Nelly, die haar ongemak probeerde te verhullen door afkeer te
veinzen. Hilda draaide het deksel op de crèmepot en veegde het
teveel met tissues van haar gezicht.
'Ieder ander heeft het in de
gaten, Nelly, behalve die lieve Rose en Henry,' antwoordde ze. 'Ze
worden te zeer afgeleid door Au-dreys romance met Cecil. Ze zullen
de dag dat die twee jongens naar Hurlingham zijn gekomen nog eens
verwensen, let op mijn woorden.'
'Maar hoe weet je dat Louis
verliefd is op Isla?' drong Nelly ongeduldig aan. Zij had het niet
kunnen bedenken. 'Isla is te jong om in jongens geïnteresseerd te
zijn, dat weet ik zeker.'
Haar moeder lachte honend en trok
haar overmatig geëpileerde wenkbrauwen omhoog op haar glanzende
voorhoofd.
'Lieverd, Edna is het met me
eens. Rose heeft zelfs gezien dat ze elkaar briefes toestopten, en
kennelijk hebben ze het nogal druk met paardrijden.'
'Waarom zouden ze het geheim
willen houden? Isla gaat problemen nooit uit de weg; ze leeft er
juist van op.'
'Dat mag dan zo zijn, maar ze
weet heus wel wat het verschil is tussen een "probleem" en een
"schandaal". Die meid is zo uitgekookt als wat. Ze denkt dat ze
iedereen voor de mal kan houden. Griep, ja, ja! Ze doet alleen maar
alsof ze ziek is, zodat ze stiekem afspraakjes kan maken met Louis.
Let op mijn woorden.'
'Als dat waar is, zijn Louis en
Isla voor elkaar gemaakt; ze zijn allebei even onverantwoordelijk,'
zei Nelly met de bedoeling haar moeder ertoe uit te dagen op het
onderwerp door te gaan. Haar opzetje had succes, want Hilda draaide
zich om op haar kruk en trok haar roze peignoir dicht over haar
knokige borstkas.
'Je hebt helemaal gelijk, Nelly.
Gelukkig heb ik dan toch nog een verstandige dochter grootgebracht.
Isla is zo sluw als een vos, maar god mag weten wat er in haar
hoofd omgaat. Jongemannen hebben tegenwoordig respect voor vrouwen
die kunnen nadenken. Kiezen voor een geheime verhouding met Louis
Forrester is hetzelfde als kiezen voor maatschappelijke zelfmoord.
Ja, zo is het, let op mijn woorden. Er zijn van de andere kant van
de Atlantische Oceaan bepaalde verhalen tot hier doorgedrongen,
maar volgens mij had hij nooit kunnen denken dat zijn verleden hem
nog eens zou inhalen.'
Ze trok nogmaals haar wenkbrauwen
op om allerlei afschuwelijkheden te insinueren. 'De deugdzaamheid
van de vrouw is haar grootste goed; als ze die verliest, is ze
alles kwijt,' zei ze plechtig, waarmee ze duidelijk dit punt in de
opvoeding van haar dochter nog eens wilde benadrukken. Nelly was
niet in staat haar moeder in de ogen te kijken.
'Wil je beweren dat Louis maar op
één ding tut is, mama?' vroeg ze, en ze bloosde diep bij de
wellustige gedachten die in haar hoofd opkwamen en die hem er
alleen maar des te aantrekkelijker op maakten.
'Dat is precies wat ik wil
beweren, vrees ik. Goddank hebben jij en je zussen te veel klasse
om zijn ronddwalende blik te trekken.' Maar Nelly verlangde er heel
erg naar zijn blik te trekken en in stilte had ze bewondering voor
Isla's moed, hoewel ze daar ook aanstoot aan nam. Als zij in Isla's
schoenen stond, zou zij hem ook onweerstaanbaar vinden.
Het regende hard toen Lotus en Cecil bij het huis van de Gamets arriveerden om iets te komen drinken. Cecil keek ernaar uit Audrey te zien en hoopte op een antwoord, terwijl Louis niets liever wilde dan een einde maken aan de poppenkast en iedereen de waarheid vertellen. Isla lag in bed, en haar koorts steeg zo snel en zo gevaarlijk dat Rose de dokter had gebeld. De wind van het lot rammelde aan het raam alsof hij dreigde zich een weg naar binnen te banen en Isla mee te nemen het donker in.
Isla hoorde de regen tegen het
glas kletsen en in haar wankele gemoedstoestand, verzwakt door
koorts, meende ze dat het gekras het geklauw was van een
afschuwelijk monster en ze riep om haar moeder. Rose werd te zeer
afgeleid door haar jongste dochter om aandacht te besteden aan de
broers, die vanuit de kou binnen kwamen schuifelen en als honden
hun natte schouders schudden. En zo sprak Henry met Cecil over
zaken in de zitkamer bij de haard, terwijl Louis stuurs op de bank
zat en wenste dat Audrey een einde zou maken aan zijn nachtmerrie
door iedereen de waarheid te vertellen. Maar Audrey wachtte bezorgd
samen met haar moeder op de dokter. Cecil had het gevoel dat het
niet het juiste moment was om bij haar op een antwoord aan te
dringen en Louis realiseerde zich dat ze zouden moeten wachten
voordat ze hun bom lieten vallen.
Toen de dokter arriveerde,
stortten de twee vrouwen zich op nem. Audrey nam zijn natte jas
aan, terwijl Rose hem bijna naar de trap duwde. 'Ze ijlt, dokter,
de koorts is gevaarlijk, heel gevaarlijk,'
herhaalde ze, en ze schudde
zorgelijk haar hoofd. 'Ze transpireert enorm en ligt maar te
mompelen over een monster. Ik hoop dat u iets kunt doen om het leed
van het arme kind te verzachten.' Dokter Swanson, een oude
Engelsman met een dikke wollige haardos als een schaap en het
blozende ronde gezicht van een man die na een zware dag werken
graag een paar borrels mag drinken, volgde Rose naar Isla's
slaapkamer, met zijn zwarte dokterstas, die de zusjes toen ze klein
waren altijd zo had gefascineerd, in de hand. Nu zag hij er alleen
maar onheilspellend uit en de angst sloeg Audrey om het hart.
Toen hij Isla's schitterende ogen
zag, zette hij zijn tas neer en liep naar het bed, waarna hij
ernstig fronste. 'Je hebt een flinke koorts, meisje,' zei hij, en
hij legde zijn koude hand op haar voorhoofd. Isla keek hem zwijgend
met knipperende ogen aan, overweldigd door de kracht die zo snel al
haar energie aan haar onttrok.
'Toen ze vanmiddag thuiskwam uit
school zag ze heel bleek,' zei Rose handenwringend. 'Het is heel
snel gegaan. Het ene moment had ze verhoging, het volgende moment
voelde ze gloeiend heet aan.' Dokter Swanson trok een stoel bij,
ging zitten en trok zijn zwarte tas op zijn knie.
'Ga ik dood?' vroeg Isla
opeens.
Dokter Swanson grinnikte
geamuseerd. 'Niet aan de griep, kind. Niemand hier is ooit aan de
griep overleden,' zei hij geruststellend, terwijl hij een lange
zwarte stethoscoop te voorschijn haalde.
'Isla toch, zulke dingen moet je
niet zeggen,' riep Audrey uit, en ze keek naar haar moeder om
bijval.
'Isla houdt nogal van drama,' zei
Rose, die deed of ze geamuseerd was. Maar ze voelde zich
ongemakkelijk, alsof haar instincten haar iets probeerden duidelijk
te maken. 'Kom, Audrey, laten we wat ruimte voor de dokter maken,'
zei ze, en ze leidde haar oudste dochter naar de overloop.
'Ga jij nu maar naar beneden om
met de jongens te praten. Henry verveelt ze vast met zijn praatjes
over zaken. Dat is niet waar ze voor komen, ze kunnen de hele dag
over het werk praten,' zei ze. Maar Audrey wilde niet gaan.
'Ik wil bij jou blijven
wachten.'
'Nee, lieverd, Cecil zal
teleurgesteld zijn als je niet naar beneden gaat.'
'Isla is belangrijker,'
protesteerde ze.
'Met haar komt het wel in orde.
Ze heeft een flinke griep. Maar zoals de dokter al zei: niemand
hier is ooit doodgegaan aan de griep.'
'Goed, ik ga wel naar beneden,
maar alleen als je belooft dat je ons zodra de dokter weg is komt
vertellen wat hij heeft gezegd.' Rose knikte en duwde haar dochter
zachtjes tegen haar elleboog. Audrey hoorde haar moeder teruggaan
naar Isla's kamer en de deur achter zich dichttrekken.
De sfeer in de zitkamer was gespannen, ook al zaten Albert en zijn twee jongere broers whist te spelen aan de kaarttafel in de hoek. Audrey zat naast Louis op de bank, terwijl Cecil haar stijfjes gadesloeg vanuit de armstoel. 'Hoe is het met haar?' vroeg Henry op zijn gebruikelijke flegmatieke toon, alsof hij het als een routinevraag beschouwde.
'Het gaat helemaal niet goed,
papa,' antwoordde Audrey plech-tig.
'De arme meid,' zei Louis, en hij
hield Audreys blik zo lang vast als hij kon zonder iets te
verraden. Audrey wist wat hij dacht, maar tot haar verrassing was
ze niet in staat iets anders te voelen dan bezorgdheid om haar
zusje.
'Ze ziet er vreselijk uit,'
vervolgde ze. 'Eerst was er niets aan haar te zien, maar opeens
heeft ze het flink te pakken gekregen.'
'De eerste nacht is bij griep
altijd het ergst,' zei Cecil, die behulpzaam wilde zijn. 'De nacht
is altijd erg.' Toen voegde hij er zachtjes aan toe, terwijl hij
van Henry naar Audrey keek: 'Misschien zouden we allemaal moeten
weggaan.'
'Geen sprake van, Cecil,'
antwoordde Henry, en hij pakte de humidor. 'Een sigaar?' Cecil boog
zich voorover en tuurde in het kistje. 'Verrekt lekkere sigaren,
vers uit Havana,' zei Henry trots. 'Louis?' Louis schudde zijn
hoofd. Cecil koos er een uit en leunde achterover in zijn stoel om
hem aan te steken. 'Isla is een taaie. Morgenochtend is ze weer zo
fris als een hoentje, let maar eens op,' vervolgde hij met een
glimlach naar Audrey. 'Er is erg weinig voor nodig om de vrouwen
hier in huis bezorgd te maken.' Hij grinnikte- 'Er is nog nooit
iemand doodgegaan aan de griep.'
Audrey bleef een poosje
stilletjes zitten terwijl Cecil en haar vader het over politiek en
industrie hadden en het vervolgens kregen over het kleine eilandje
kilometers ver weg dat ze als hun thuisland beschouwden. Louis
wilde graag haar hand vasthouden om haar zijn steun te bieden, maar
ze leek ver weg, alsof ze haar liefde voor-°P'g had opgeschort.
Zijn keel werd dichtgesnoerd bij de gedachte dat ze langzaam van
hem weg zou drijven. Hij had het gevoel dat er lets vreselijks te
gebeuren stond en trok wit weg, totdat hij slap werd van
misselijkheid. Ten slotte hoorde Audrey de dokter zachtjes met haar
moeder praten boven aan de trap. Ze spitste haar oren, maar kon
niet verstaan wat ze zeiden. Toen kwamen ze naar beneden de hal in,
bleven daar een poosje staan terwijl de dokter zich in zijn jas
hees, waarna ze, wat harder pratend, afscheid namen met stemmen
waarin Audrey met alle geweld een positieve ondertoon wilde horen.
Eindelijk kwam Rose de zitkamer binnen en ze toverde een glimlach
op haar gespannen gezicht die haar duidelijk moeilijk afging. 'Het
komt wel goed met haar,' zei ze, zich tot Audrey richtend. 'Het zal
een onaangename nacht voor haar worden, maar morgenochtend zal ze
zich beter voelen.'
'Mag ik bij haar gaan kijken?'
vroeg ze.
'Ja, maar maak het niet te lang,
ze moet rusten,' antwoordde haar moeder, die zich in een stoel liet
zakken. 'Moeder zijn is geen gemakkelijke taak,' zei ze met een
zucht. 'Je maakt je altijd maar zorgen om je kinderen, ook als ze
geen kinderen meer zijn.'
Louis keek toe hoe Audrey de
kamer uit ging en wilde achter haar aan gaan. Hij wist dat, hoewel
de regen haar niet van hun middernachtelijk rendez-vous zou
weerhouden, Isla's ziekte dat wel zou kunnen doen. Ze stond haar
zusje meer na dan wie ook, inclusief hemzelf. Hij keek hoe Cecil
zijn sigaar rookte en besefte dat hij zich achter zijn ijzeren
zelfbeheersing niet minder zorgen maakte. Toch stonden de zorgen
van zijn broer Louis helemaal niet aan. Hoe durfde hij er zulke
gedachten op na te houden? Maar hoe graag hij de hoop die zijn
broer koesterde ook de bodem in zou willen slaan, hij besefte dat
hij zou moeten wachten tot Isla weer beter was, omdat Audrey zolang
ze nog niet was hersteld, haar zou toebehoren.
De regen bleef maar neerstromen in een stortvloed waar geen einde aan leek te komen. Louis en Cecil haastten zich terug naar de club onder hun paraplu's, allebei zwijgend, in gedachten verzonken. Terwijl Cecil zich zorgen maakte om Audrey en bad dat het met Isla de volgende ochtend weer beter mocht gaan, arriveerde Louis chagrijnig van frustratie bij de club. Audrey had hem amper opgemerkt. Kwaad dat ze hem had behandeld met de afstandelijkheid van een vreemde ging hij in zijn doorweekte kleren op de met tapisserie beklede kruk zitten, dronken van ellende en alcohol, en uitte zijn gekweldheid door op de ivoren toetsen van de piano te hameren, totdat zijn broer en kolonel Blythe zich genoodzaakt zagen hem vloekend weg te trekken en op te sluiten in zijn slaapkamer.
'Beste jongen,' zei de kolonel
tegen Cecil toen ze later samen met een dubbele whisky in de lounge
zaten, 'wat die jongeman nodig heeft is een beetje discipline. Het
leger zou hem een heleboel 2oed hebben gedaan. Het zou een man van
hem hebben gemaakt. Het heeft geen zin om om een vrouw te jammeren.
Ze zijn het niet waard, die kwikzilverige feeksen.' Hij sloeg de
inhoud van zijn glas achterover en dacht aan Charlotte Osborne.
'Kwikzilverige feeksen, allemaal,' zei hij snuivend. Cecil vroeg
zich af of Louis zijn hart aan Isla had verpand, maar naarmate de
whisky zijn geest verwarmde, vroeg hij zich helemaal niets meer af
en dwaalden zijn gedachten weer naar Audrey.
Audrey bleef met haar moeder
zorgelijk waken; ze hielden het gloeiend hete lichaam van haar
zusje in de gaten terwijl het vuur beetje bij beetje haar zwakker
wordende geestkracht verteerde. Ten slotte wist Henry hen ervan te
overtuigen dat ze naar bed moesten gaan. 'Jullie maken haar alleen
maar bang,' zei hij vriendelijk, en hij leidde zijn vrouw zachtjes
bij de arm weg. 'Laat haar nou maar rustig slapen.'
Audrey kon niet slapen. Ze
luisterde naar de regen en maakte zich zorgen om Isla, tot de
tranen langs haar neus op haar kussen liepen en het bevlekten met
angst. Cecil en Louis waren ver van haar gedachten. Ze omklemde de
lakens en herinnerde zich de nachten dat ze tegen het warme lichaam
van haar zusje aan gedrukt had gelegen en haar had verteld over de
middernachtelijke afspraakjes met Louis en haar geheime tochtjes
naar Palermo. Isla had plaatsvervangend van elke minuut genoten.
Audrey wenste dat ze terug konden gaan in de tijd en die momenten
weer konden herleven, omdat er vanbinnen iets afschuwelijks aan
haar knaagde, iets onheilspellends. Ze durfde er niet naar te
luisteren. Probeerde het van haar af te zetten. Maar hoe meer ze
ook haar best deed om aan de leuke dingen te denken, hoe sterker de
angst dat ze Isla zou kunnen verliezen werd, totdat ze hem niet
langer kon negeren.
Zachtjes drentelde ze naar haar
zusjes slaapkamer. De ramen rammelden onder de neergutsende regen,
maar het licht van de straatlantaarns scheen erdoor naar binnen en
verlichtte het bed en de koortsachtige gestalte van Isla, die maar
lag te woelen in de brandende hel die het was. Met een angstig
voorgevoel ging ze op de rand van het bed zitten en nadat ze de
spons uit de kom met water ad gepakt, begon ze heel teder Isla's
bezwete voorhoofd te betten. Word alsjeblieft beter,' fluisterde
ze. 'O, vecht alsjeblieft, Isla.' Isla let haar hoofd van de ene
kant naar de andere rollen en kreunde.
Audrey begon te huilen. 'God,
help haar, want ik voel me zo hopeloos, ik weet niet wat ik moet
doen.' Toen sprak ze, dringender en terwijl ze haar zusje met
louter wilskracht probeerde wakker te maken en te laten luisteren:
'Ik voel dat je wegglijdt, Isla. Glijd alsjeblieft niet weg. Ik heb
je nodig.'
Op dat moment deed Isla haar ogen
open. Ze waren roodom-rand en glinsterden als natte kiezelstenen.
Hoe gericht ze tevoren ook waren geweest, nu leken ze ver weg,
alsof ze halverwege deze wereld en de volgende verkeerden. 'Isla,
kun je me horen?' vroeg ze met trillende stem, en ze legde de spons
terug in de kom om hem uit te spoelen. Isla keek om zich heen alsof
ze haar eigen slaapkamer niet herkende. Audrey bracht de spons naar
haar hals en begon de gloeiende huid daar te betten. Maar Isla leek
zich er niet van bewust en bleef om zich heen kijken, met haar ogen
knipperend naar de kleine kamer, die haar nu heel weinig zei.
Audrey sloeg haar wanhopig gade. Ze wilde haar moeder roepen, maar
Isla had het nu niet moeilijk. Ze lag niet te roepen. Integendeel,
ze leek juist tevreden en sereen. Audrey hoopte dat ze het ergste
achter de rug had.
Toen Isla haar blik op haar zus
richtte, dacht ze even dat die een engel was die haar kwam halen om
naar de volgende dimensie te gaan. Ze had nooit in de geestenwereld
geloofd. Dat was een overtuiging van Audrey, maar nu, nu ze op het
randje van de dood balanceerde, wist ze zeker dat die wel degelijk
bestond. Ze vroeg zich af waarom ze zo sceptisch was geweest, want
het leek haar nu allemaal zonneklaar. Ze lachte en merkte op dat
Audreys gezicht zich verrast vertrok. Teleurgesteld realiseerde
Isla zich dat ze helemaal geen engel bleek te zijn, maar haar zus.
Het was haar tijd nog niet. 'Audrey,' fluisterde ze, waarna ze zich
afvroeg waarom haar stem het niet deed zoals tevoren. Ze had de
energie niet om iets anders voort te brengen dan een fluistering.
Audrey boog zich over haar heen.
'Isla, heb je pijn?'
Isla schudde haar hoofd. 'Het is
net of ik dronken ben,' antwoordde ze, en toen glimlachte ze. 'Het
voelt wel lekker.'
'O, Isla, wat ben ik blij. Je
wordt nu weer beter. Morgen voel je je weer goed en lachen we
erom.'
'Ik ga dood,' antwoordde ze
zonder enige emotie. Audrey schrok.
'Nee, dat ga je niet.'
'Jawel hoor.'
'Isla!'
'Ik wil een grootse begrafenis
waarbij kosten noch moeiten worden gespaard. Tranen, gejammer en
tandengeknars.'
'Isla, alsjeblieft...'
'Ik hou jullie in de gaten, dus
zorg maar dat ik een mooi afscheid la-ijg. Ik merk het heus wel als
jullie dat niet doen.'
'Dit is belachelijk, Isla. Je
doet afschuwelijk. Je gaat helemaal niet dood.' Toen brak haar
stem. 'Je kunt niet doodgaan. Ik heb je nodig.'
'Je redt het heus wel zonder mij.
Straks heb je Louis.'
'Ik wil Louis niet als ik jou
ervoor moet opofferen.'
'Beloof me alleen één
ding.'
'En dat is? Ik doe alles voor
je.'
'Heb de moed om je hart te
volgen, Audrey,' zei ze, genietend van het melodrama van de dood.
Ze was zich ervan bewust dat ze precies zo klonk als een heldin uit
de romans die Audrey las en de laatste woorden sprak die zij graag
van haar wilde horen. Maar tot haar teleurstelling ging ze niet
dood. Dus moest ze blijven zoeken naar geschikte laatste woorden,
totdat ze ten slotte het bewustzijn verloor, afgeleid door het
helderwitte licht en haar grootmoeder, die met gespreide armen op
haar toe kwam lopen en een liefde uitstraalde waarvan ze besefte
dat die op aarde niet bestond.
Toen Rose en Henry vroeg in de ochtend Isla's kamer binnengingen, lag Audrey op het bed te slapen, opgekruld achter haar zusje, met haar arm om Isla's middel. Htm lange pijpenkrullen waaierden als gouden stralenkransen uit op de kussens en glansden in het bleke ochtendlicht, en het zachte rijzen en dalen van hun lichamen verried geen enkel teken van de strijd die ze hadden gestreden. Audreys wangen gloeiden als rijpe perziken, maar die van Isla zagen grauw. Het vuur was uitgegaan en Isla's kleine lichaam werd niet langer gemarteld, maar had vrede. Rose werd opeens bekropen door angst en greep met een koude hand naar haar hals. Ze haastte zich naar het bed en liet zich op haar knieën vallen, met door tranen omfloerste ogen knipperend naar haar jongste dochter. 'Isla,' sprak ze met verstikte stem. 'Word wakker, Isla.'
Audrey werd onmiddellijk wakker
en sprong in paniek uit bed. Isla vertoonde geen teken van leven,
behalve dat oppervlakkige ademtochten haar lichaam in en uit leken
te gaan als een grillige wmd die door het gangpad van een verlaten
kerk floot. Toen geen yan haar beide ouders erin slaagde haar tot
leven te wekken, realiseerden ze zich tot hun afschuw dat ze buiten
bewustzijn was.
De brave dokter werd weer gehaald
en nadat hij de patiënt met een ernstig gezicht en een bedrukt
gemoed had onderzocht, verklaarde hij dat ze in coma was geraakt.
Toen de hele familie om haar bed stond in afwachting van de
ambulance, had alleen Albert de moed om te zeggen wat iedereen
dacht. 'Niemand is ooit aan de griep gestorven,' zei hij; hij sloeg
zijn gezwollen ogen op naar zijn moeder en drong stilzwijgend aan
op een verklaring. Rose wendde zich tot haar echtgenoot, die diep
zuchtte en zijn lippen in een smalle streep van wanhoop
trok.
'Het is geen griep, zoon,'
antwoordde hij, en hij schudde zijn hoofd, dat zwaar en massief
aanvoelde alsof het gevuld was met lood.
'Wat is het dan wel, papa?'
'De dokter zegt dat het
meningitis is.'
'Waarom heeft hij dat gisteravond
dan niet gezegd?'
'Omdat hij dat toen nog niet
wist. Meningitis heeft dezelfde symptomen als griep, Albert. Hij
kon het niet weten.' Henry was niet in staat om zijn vrouw aan te
kijken. Ze wisten allebei wat meningitis betekende.
'Maar komt het wel goed met
haar?' vroeg hij, en hij herinnerde zich die keer dat hij een pinda
in haar open mond had gegooid en dat ze toen weer beter was
geworden.
'Ze gaat toch niet dood, hè?'
vroeg George, een van de jongste zonen van Henry en Rose. Iedereen
keek het jongetje aan dat nog te klein was om te begrijpen wat
doodgaan betekende.
'Nee, nee,' zei Henry dapper.
'Onze Isla niet.' Hij klopte George geruststellend op zijn
schouder.
'De dokters maken haar toch wel
weer beter?' zei Albert hoopvol.
Toen nam Audrey het woord. 'Isla
is heengegaan,' zei ze met een klein stemmetje. Sinds de vroege
uren van de ochtend, toen ze haar zusje had gesmeekt niet weg te
gaan, had ze niets meer gezegd, en nu klonk haar stem ver weg en
vreemd. Maar Isla had toch willen gaan. De dood had haar niet
langer angst ingeboezemd, maar haar als een oude bekende aan zijn
borst verwelkomd.
Ze keken allemaal strak naar het
bed, waarin Isla's lichaam nu stil lag. De grillige wind was verder
getrokken en had een lege huls achtergelaten. Niemand zei iets. Op
hen allen daalde een geschokte stilte neer. Rose huilde zachtjes;
de tranen stroomden over haar wangen en ze stak een hand uit naar
haar echtgenoot. Geen verdriet is zo diep als het verdriet van een
ouder om een overleden kind, en Rose en Henry stonden alleen
met hun pijn, hun vingers verstrengeld, stilzwijgend worstelend met
hun geloof. De kleine George en zijn jongere broertje Edward
huilden omdat hun moeder huilde; ze waren te klein om te begrijpen
hoe definitief de dood was. Albert had ook wel willen huilen, maar
zijn angst deed zijn emoties bevriezen en ontnam hem zijn stem,
zodat alleen zijn kin trilde, waarmee hij woordeloos blijk gaf van
zijn angstgevoelens.
'We hebben helemaal geen afscheid
genomen,' fluisterde Rose. 'We hebben haar niet eens meer verteld
hoeveel we van haar houden.' .
'Dat wist ze wel,' zei
Henry.
'Ik was de laatste die met haar
heeft gesproken,' zei Audrey zachtjes, zonder haar blik van haar
zusje los te maken. 'Ze wist dat ze zou gaan sterven, maar ze was
niet bang. Ze vond het fijn om te gaan, ze was zelfs ongeduldig.
Het was alsof ze zich ervan bewust was dat ze haar laatste woorden
sprak. Ze vertelde me dat ik tegen jullie allemaal moest zeggen dat
ze van jullie hield en altijd van jullie zal houden, en dat het
haar speet dat ze niet de tijd had om dat jullie zelf te vertellen.
Toen zei ze dat ze moest gaan.'
Rose schudde haar hoofd en bracht
haar hand naar haar lippen om het trillen tegen te gaan.
'Waarnaartoe?' vroeg ze met een rauwe fluisterstem.
Audrey haalde haar schouders op.
'Het was niets voor Isla.' Ze glimlachte bij de herinnering aan hoe
haar zusje was vertrokken. Het was sereen geweest, een zacht
wegglijden. 'Ze staarde naar de verste hoek van de kamer en haar
hele gezicht lichtte op. Toen zei ze: "Dus däär ben je heen gegaan,
oma; ik heb me altijd al afgevraagd hoe de hemel eruit zou
zien.'"
'Zei ze dat?' vroeg Rose
verbaasd. Opeens was haar dochter in haar gedachten veranderd van
een feilbaar menselijk wezen in een heilige, of althans een
engel.
'Ja, en ik moet niet vergeten dat
ze ook heeft gezegd dat ze een grootse begrafenis wilde, met een
heleboel gejammer en tandengeknars.'
'Echt, Audrey!' zei haar vader
ongelovig. Het was niet bepaald het moment voor grapjes.
Maar Rose plooide haar gezicht in
een breekbare glimlach en snoof.
'Natuurlijk heeft ze dat gezegd,'
zei ze verdrietig. 'Dat is echt iets voor Isla!'