Hoofdstuk 4
Audrey zat in haar eentje in de
schaduw van de eucalyptus-boom en keek met vermoeide berusting uit
over het clubterrein. Ze had wel geweten dat Isla niet te
vertrouwen was, maar dwaas als ze was had ze zich er toch weer toe
laten verleiden haar zusje in vertrouwen te nemen. Nu dachten haar
ouders dat ze haar hart aan Cecil had verloren. Als ze wisten hoe
het werkelijk zat, zouden ze het besterven.
Haar gedachten dwaalden naar Emma
Letton. Ze vroeg zich af hoe anders Emma's leven zou zijn geweest
als ze met de Argentijn zou zijn getrouwd. Gelukkiger, of was het
alleen maar een bevlieging geweest die na een poosje over zou zijn
gegaan? Misschien had ze er wel onbewust naar verlangd de regels te
overtreden. Om te ervaren hoe het leven eruitzag buiten de
beschermende grenzen van het eilandje van hun gemeenschap.
Ze besefte dat Cecil degene zou
zijn op wie ze verliefd zou moeten worden. Niet alleen omdat ze
instinctief begreep wat er van haar werd verwacht, maar ook omdat
ze had gehoord wat mensen zoal over de broers zeiden. Cecil was de
verstandige en verantwoordelijke van de twee; hij zag er goed uit,
was charmant en had een degelijke, voorspoedige toekomst. Louis was
eigenzinnig en impulsief, degene die niet had willen vechten voor
zijn land.
'Is alles goed met je?' klonk een
diepe stem achter haar. Ze draaide zich om en zag dat Cecil naast
haar stond, zijn gezicht in de zon, terwijl hij door zijn donkere
bril naar haar tuurde.
'Met mij is alles in orde,'
antwoordde ze, en toen zuchtte ze verontschuldigend. 'Neem me niet
kwalijk dat ik vanochtend zomaar ben weggelopen. Het kwam door de
warmte, ik werd er opeens misselijk van.'
'Nou, ik hoop dat je je nu weer
beter voelt. Het is hier koel in de schaduw.' Hij grijnsde haar
toe, zodat de lijnen om zijn mond diepe plooien werden, in een
huid die al gebruind was door de warme Argentijnse zomer. 'Heb je
er bezwaar tegen als ik naast je kom zitten?' Audrey schudde haar
hoofd en keek toe hoe hij naast haar plaatsnam. Op dat moment zag
ze dat hij rijkleding droeg. Glanzende bruinieren laarzen over een
witte rijbroek met een poloshirt erboven.
'Speel je polo?' riep ze verrast
uit.
'In Engeland heb ik dat een
beetje gedaan,' antwoordde hij, en toen grinnikte hij. 'Maar ik ben
er niet erg goed in.'
'Hier wordt dat wel beter. Dit is
een pololand.'
'Dat weet ik. In racketsporten
ben ik vrij goed, ik heb een goed oog voor de bal, dus polo mag ook
geen al te groot probleem zijn. Oefening baart kunst.'
'Ja, zeker,' beaamde ze, met een
blik in de verte. 'Vind je het hier niet heerlijk?'
'Het voelt al echt als thuis.
Aardige mensen en een idyllische manier van leven. In dit deel van
de wereld zijn geen grijze luchten en heb je niets te maken met de
grauwheid van na de oorlog.'
'Ik heb gehoord dat je als een
held bent teruggekeerd,' zei ze, zich afvragend hoe ze het gesprek
op Louis zou kunnen brengen. 'Je moet wel erg dapper zijn.'
'Je weet van tevoren nooit hoe je
in een oorlogssituatie zult reageren. Ik was bang dat ik er
misschien achter zou komen dat ik stiekem een lafaard was. Maar de
oorlog heeft een man van me gemaakt.'
'Iedereen heeft het over je
heldhaftige gedrag, met name kolonel Blythe. Aan hem heb je een
echte bewonderaar.'
Cecil grinnikte. 'Ik ben erg op
de kolonel gesteld.'
'Louis heeft niet gevochten in de
oorlog, hè?' vroeg ze, hoewel ze het antwoord wel wist, maar ze
wilde een excuus hebben om zijn naam te noemen. Cecils gezicht werd
grauw en zijn mondhoek trilde.
'Hij is anders dan anderen, ben
ik bang.'
'Dat maakt deel uit van zijn
charme,' zei ze, en ze draaide haar gezicht weg in een poging het
vuur dat door haar wangen heen brandde te verbergen.
'Dan ben je de enige die hem
charmant vindt,' zei hij, verbaasd en dankbaar dat ze zocht naar
iets goeds aan Louis en dat had gevonden. Dit bracht hem ertoe haar
kreunend te bekennen: 'O, Audrey, soms weet ik het echt niet meer.
Ik maak me zorgen om hem, om zijn toekomst.'
'Maar hij doet het toch goed bij
papa op de zaak?'
Hij schudde zijn hoofd en lachte.
'Wat ben je toch lief, Audrey. Hij verdient een salaris omdat je
vader een heel genereuze man is. Maar Louis wil alleen maar dromen
en pianospelen. Als hij zijn muziek niet had, zou hij volgens mij
helemaal verloren zijn, maar hij is bijzonder getalenteerd. Het is
jammer dat hij dat talent niet voor andere zaken aan kan wenden.
Maar hij wil niet werken. Hij zou concertpianist kunnen zijn, een
van de allerbeste. Hij zou muziekles kunnen geven, kunnen
componeren, maar daartoe ontbreekt hem de wil en de discipline. In
plaats daarvan zit hij maar in een saai kantoor in de stad achter
een bureau karikaturen van zijn collega's te tekenen. Hij leeft in
een heel eigen wereldje waar niemand anders hem kan bereiken. Zelfs
ik niet.'
Audreys hart sloeg op dat moment
een slag over, omdat ze wist dat zij Louis wél bereikt had, dat hij
haar in zijn wereld binnen had genood, en dat ze zich daar thuis
had gevoeld. Cecil keek zo gekweld wanneer hij het over zijn broer
had dat ze hem wilde geruststellen door te vertellen over hun
gedeelde liefde voor muziek en hun pianospel, maar ze hield zich
in. Toen Cecil haar met vaste blik aankeek, zag ze hoezeer hij haar
bewonderde en wilde ze hem geen pijn doen. Tevoren had hij niet
kwetsbaar geleken, maar nu, nu hij over zijn broer sprak, zag hij
er verslagen uit.
'Is hij altijd zo geweest?' vroeg
ze, terwijl ze een gevallen blad oppakte en het tussen haar vingers
wreef om de medicinale euca-lyptusgeur vrij te laten komen.
'Ja. Hij heeft zich alleen altijd
prettiger gevoeld dan met andere kinderen. Hij leek met niemand
echt contact te hebben. De enige momenten waarop hij tot leven kwam
was wanneer hij pianospeelde. Mijn moeder had thuis een vleugel in
de salon staan en daar kon hij uren op spelen; hij bedacht
melodieën nog voor hij echt noten leerde lezen. Hij kon alles
spelen; je hoefde maar een wijsje te neuriën en hij maakte er iets
ongelofelijks van. Ik heb geen idee waar dat talent vandaan komt,
want mijn ouders zijn geen van beiden bijzonder muzikaal. Mijn
moeder speelt alleen omdat haar ouders haar in haar jeugd hebben
gedwongen het te leren, maar ze is geen natuurtalent, niet zoals
Louis. Vervolgens meldde hij zich niet aan toen alle andere jonge
mannen van zijn leeftijd vrijwillig ten strijde wilden trekken. Dat
was een vreselijke klap voor mijn vader, die in de Eerste
Wereldoorlog heeft gevochten en een onderscheiding heeft gekregen.
Hij is een trotse man, een echte militair; hij heeft Louis nooit
begrepen. Mama deed, omdat ze nu eenmaal een vrouw is en
gevoeliger is, haar best, maar gaf het op toen Louis steeds verder
wegdreef.'
'En hoe zit het met
Cicely?'
'Ah, Cicely. Zij is de
vrouwelijke versie van papa. Louis vormde altijd een probleem. Ze
deed alsof hij geadopteerd was. Ze zei het zo vaak dat ik het bijna
begon te geloven, omdat Louis zo anders is dan wij.'
'Wat wreed,' zei Audrey, naar
adem snakkend. 'Besefte Louis dat?'
'Ik vrees van wel, maar hij leek
het niet erg te vinden. Ik geloof niet dat hij bij ons wilde horen.
Hij wil bij niemand horen. Ik heb hem meegenomen hiernaartoe omdat
ik dacht dat een nieuwe plek goed voor hem zou zijn. Een piekwaar
niemand hem kent, waar hij opnieuw kan beginnen.'
Audrey keek naar hem, haar
gezicht gloeiend van bewondering. 'Je bent ontzettend aardig,' zei
ze, met ogen die overstroomden van dankbaarheid. 'Louis mag in zijn
handen knijpen dat jij je om hem bekommert.'
'Ik doe mijn best, maar soms
vraag ik me af waarom. Hij is me niet erg dankbaar en het doet me
pijn om mensen kritiek op hem te horen leveren.'
'Ze zijn zo grof omdat ze niet
beter weten. Het is een kleine gemeenschap; als je je niet aan hun
normen aanpast, lig je eruit. Ik heb dat eerder zien gebeuren,' zei
ze, denkend aan Emma Letton.
'Ik vrees dat Louis geen enkele
kans maakt.'
'O, jawel hoor. Uiteindelijk zal
hij hen allemaal voor zich winnen. Ik heb nog nooit iemand zo mooi
piano horen spelen - hij is trouwens niet raar, maar alleen
excentriek en artistiek. Hij is uniek, een heel getalenteerd en
heel bijzonder mens.'
'Je bent lief,' zei hij, en hij
verloor helemaal zijn hart aan haar. 'Als ik je een geheimpje
vertel, beloof je dan datje het voor je houdt, wat er ook
gebeurt?'
Audrey knikte ernstig. 'Dat
beloof ik,' antwoordde ze.
Cecil staarde naar de wazige
blauwe verte. 'Louis wilde wél ten strijde trekken. Hij wilde
ontzettend graag meedoen met de oorlog, maar dat werd hem niet
toegestaan. Zijn gezondheid, snap je.'
'Wat mankeert hem dan?' vroeg ze
met zachte, bezorgde stem.
Cecil zuchtte diep, zich ervan
bewust dat hij op het punt stond iets te onthullen waarvan alleen
zijn familie op de hoogte was. Hij aarzelde even en worstelde met
zijn geweten. Toen zette hij zijn bedenkingen opzij en zei met
zachte stem: 'Hij is een paar jaar geleden geestelijk
ingestort.'
'Wat is dat precies, geestelijk
instorten?'
'Een zenuwinzinking. Hij is een
paar maanden opgenomen geweest voor een ernstige depressie. Hij kan
niet functioneren als hij onder druk staat. Je kunt niet van hem op
aan, snap je?'
'Ik snap het,' zei ze langzaam,
en haar hart stroomde over van medeleven met deze ernstig
getroebleerde jongeman. Nadat ze even had nagedacht voegde ze eraan
toe: 'Ik weet zeker dat liefde hem zou kunnen genezen. Hij heeft
iemand nodig die van hem houdt en voor hem zorgt.'
'Zo iemand kunnen we allemaal wel
gebruiken,' zei Cecil zacht. Hij keek haar met vaste blik
aan.
'Hij is kennelijk te gevoelig
voor deze wrede wereld,' besloot ze.
'Je begrijpt het allemaal heel
goed, terwijl je toch nog zo jong bent. Hoe kom je zo wijs?'
Audrey lachte verlegen. 'Ik
geloof niet dat ik nou zo bijzonder wijs ben.'
'Jawel, dat ben je wel.'
'Ik lees veel. Ik lees vanalles.
Romans, honderden romans. De literatuur kan je een heleboel leren
over de menselijke geest.'
'Nou, jij hebt er in elk geval
heel wat van opgestoken.'
'Dank je.'
'Nee, ik dank jóu, Audrey. Ik ben
de laatste tijd nogal somber geweest. Jij hebt me vandaag heel blij
gemaakt. Ik zal vanavond genieten van je feestje.'
'Ik ook.'
'Beloof je me een dans?'
'Natuurlijk.'
'Mag ik je een gunst vragen?' zei
hij opeens, met zijn hoofd schuin naar één kant en een rimpel in
zijn voorhoofd.
Ze knikte.
'Ik vraag dit niet graag van
je...'
'Alsjeblieft, vraag maar, ik vind
het vast niet bezwaarlijk,' antwoordde ze, en ze hoopte dat ze het
inderdaad niet bezwaarlijk zou vinden.
'Wil je ook met Louis
dansen?'
Audrey keek hem verbaasd aan.
'Natuurlijk,' antwoordde ze, amper in staat een glimlach te
bedwingen.
'Als jij het goede voorbeeld
geeft, Audrey, zal de rest van de gemeenschap volgens mij vanzelf
wel volgen. Iedereen heeft jou hoog zitten.'
'Maak je geen zorgen, Cecil. Ik
doe het graag,' zei ze zelfverzekerd.
Cecil ontspande zijn schouders en
zuchtte van dankbaarheid. 'Je hebt een bijzonder lief karakter,
Audrey. Niemand anders is zo genereus voor Louis geweest. Ik ben
bang dat hij je niet zal bedanken, maar dat doe ik dan maar voor
hem.'
'Ik hoef niet bedankt te worden.
Iedereen verdient een kans,' antwoordde ze, omdat ze niets anders
wist te zeggen. Maar Cecil vond haar de vriendelijkste, meest
bescheiden persoon die hij ooit had ontmoet. Later, toen hij over
het poloveld heen en weer denderde, was Audrey in zijn gedachten en
in zijn hart, en het kon hem niets schelen dat hij de bal telkens
miste, want hij was eindelijk de vrouw tegengekomen met wie hij de
rest van zijn leven samen wilde zijn.
Voor Audrey was een bad altijd een zinnelijke ervaring. Te midden van de geuren van rozen- en lavendelolie lag ze in het roze water omwolkt door stoom, zodat ze in haar eentje kon wegzinken in de geheime wereld der dromen. Isla's schrille stem klonk door de gang terwijl ze kibbelde met Albert, maar Audrey was ver weg met Louis, op de top van een groene berg waar ze als ze hun handen omhoogstaken de lucht konden aanraken. Ze moest alsmaar denken aan de muziek die ze samen op de piano hadden gespeeld en aan zijn woorden die haar hadden meegevoerd naar zijn betoverde wereld. Ze sloot haar ogen en herinnerde zich elk moment weer zo intens dat het net leek of ze het opnieuw beleefde. Ze haalde zich zijn zandkleurige haar voor de geest en verstoutte zich er met haar handen doorheen te woelen; met haar vingertoppen voelde ze de textuur ervan en ze ademde de kruidige mannelijke geur in die om zijn hoofd hing. Ze raakte zijn gezicht aan, de lijnen die vanaf zijn slapen naar zijn ogen liepen en de lijnen die geluksgevoelens op zijn wangen hadden gegrift bij elke glimlach en elke lach. Toen vond ze de plooien die de melancholie diep in zijn huid had gekerfd en ze drukte er een lichte kus op in een poging ze te doen verdwijnen, evenals de herinneringen die ze hadden achtergelaten. Ze bleef in het bad liggen tot het water was afgekoeld en de stoom was neergeslagen. Ze opende haar ogen en keerde met tegenzin terug uit het rijk der fantasie. Ze had in boeken alles gelezen over de pijn van de liefde, maar nu begreep ze die ten volle. Haar ledematen voelden pijnlijk aan en haar hart probeerde uit alle macht de overmaat aan emotie te verwerken die ernaartoe stroomde. Ze wist dat haar moeder ontzet zou zijn en ze durfde er niet eens aan te denken wat de Krokodillen zouden zeggen als ze zouden weten hoe haar hart hunkerde naar Louis. Maar ze was niet in staat haar toenemende warme gevoelens een halt toe te roepen. Ze kon aan niets anders denken dan aan hem.
De eetzaal van de Hurlingham Club stond vol met een weelde aan aronskelken en gardenia's, seringen en kamperfoelie, die met hun bedwelmende geuren de muffe lucht van oud hout en deftigheid overstemden. De grote deuren stonden open naar de tuinen, die baadden in het amberkleurige licht van de avond en beslagen waren door het vocht. Audrey stond met haar zus op de drempel en keek toe hoe de zon onderging aan een roze hemel. Anders dan op dat moment mode was droegen Audrey en Isla hun haar in lange, dansende krullen, die in een weelderige vloed tot aan hun smalle taille en hun licht gewelfde jongevrouwenheupen vielen. Hun zijden jurken reikten tot de grond en ruisten als ze liepen als herfstbladeren, en ze toonden de zachte golving van hun blote schouders en hun stralend blanke huid. Isla's japon was zeegroen, passend bij haar ogen, en Audrey had gekozen voor eendeneierenblauw. Ze droegen allebei lange handschoenen en trokken een volwassen gezicht, dat gloeide van opwinding. 'Ik ben dol op dit uur van de dag,' verzuchtte Audrey, denkend aan Louis. 'Het is zo romantisch - je wilt dat het blijft duren, maar opeens is het voorbij en is alle schoonheid verdwenen. Ik denk dat het voor een deel zo mooi is omdat het zo vergankelijk is.'
'Met wie ga je dansen?' vroeg
Isla, die veel te opgetogen was om stil te blijven staan bij zo'n
enorm cliché als een zonsondergang. 'Ik ga met iedereen dansen.
Sterker nog, ik dans de hele nacht door, zonder te stoppen. Jij
gaat zeker tot in de kleine uurtjes met Cecil aan de zwier?'
'Misschien wel,' antwoordde ze
terughoudend, en een klein glimlachje deed de hoeken van haar
lippen trillen. Er was maar één man met wie ze wilde dansen.
'Als jarige kun jij dansen met
wie je wilt.' Isla lachte.
'Ik ben heel trots op jullie
allebei,' zei hun vader, die achter hen verscheen, en zijn
glimmende zwarte schoenen tikten met karakteristieke precisie over
de vloer. De meisjes draaiden zich om en glimlachten hem hartelijk
toe. 'Knappe jongedames,' voegde hij eraan toe terwijl hij hun
stralende gestaltes en kalme waardigheid in zich opnam. 'Jullie
doen me deugd, allebei.' Audrey en Isla zwollen van trots, want hun
vader was niet scheutig met complimentjes, maar als hij die gaf was
het ook gemeend. Zelfs Isla, die graag grenzen mocht
verkennen, kon er niets aan doen dat ze er een zekere vreugde in
schepte hem te behagen. 'Nog niet zo lang geleden waren jullie twee
kleine meisjes,' vervolgde hij, peinzend over het snelle
verstrijken van de tijd. 'Zoals je weet, Audrey, kwamen in het jaar
dat jij werd geboren de prins van Wales en zijn broer prins George
op bezoek. Het lijkt wel of het nog maar gisteren was dat ik met
jullie moeder in precies deze zelfde zaal danste terwijl jij thuis
in je wiegje lag te slapen.'
'En mama kon het best dansen van
iedereen,' voegde Audrey er met een toegeeflijke glimlach aan toe;
ze had het verhaal al wel duizend keer gehoord. Henry Garnet trok
een vergenoegd gezicht.
'Inderdaad,' antwoordde hij,
gnuivend van bewondering. 'Niemand kan zo mooi walsen als jullie
moeder.'
'Ook tante Edna en tante Hilda
niet?' zei Isla, die uitdagend grijnsde, zodat haar gezicht opeens
zijn waardigheid verloor en zich plooide tot een kinderlijk lachje.
Henry kon zijn geamuseerdheid niet verbergen toen hij terugdacht
aan tante Edna's stevige lichaam dat onhandig rondzwalkte aan de
arm van een ruimhartig man die haar ten dans had gevraagd, en aan
tante Hilda, die zo mager was dat het had geleken of ze louter en
alleen door de vibraties van de muziek doormidden had kunnen
breken.
'Die kunnen zich niet van nature
zo gracieus bewegen als jullie moeder,' antwoordde hij
diplomatiek.
Isla lachte luid. 'Ze kunnen geen
van tweeën iets van nature,' giechelde ze.
Haar vader grinnikte. 'Kom, Isla,
dat is niet helemaal fair, vind je wel?' zei hij, en vervolgens
voegde hij eraan toe: 'Jullie mogen allebei blij zijn dat jullie de
elegantie van jullie moeder hebben geërfd. Audrey, ik zou vanavond
graag als eerste met je dansen.' Audreys gezicht plooide zich tot
een brede glimlach en ze keek blij naar hem op.
'Dat zou ik heel fijn vinden,'
zei ze.
'Die jonge kerels moeten maar
even wachten,' voegde hij eraan toe toen hij zag hoe verheugd zijn
dochter was. Ze gaf hem het gevoel of hij weer twintig was.
Toen de gasten arriveerden en hun cadeautjes neerzetten op de tafel bij de ingang, speurde Audrey de gezichten af, zoekend naar het enige gezicht dat er voor haar iets toe deed. Tante Edna kwam binnen met Rose en tante Hilda, met haar vier papzakken van dochters en haar echtgenoot Herbert, die in zijn rokkostuum met witte das met veel vertoon voor hen uit beende. De gezusters Pearson tuimelden naar binnen, kwetterend als twee mussen in de lente, gevolgd door kolonel Blythe en Charlo Osborne, die iedereen nog steeds wist te verblinden in een lang zilveren gewaad, met haar glanzende witte haar opgestoken, twinkelend van de glimmende parels. Toen de andere Krokodillen haar zagen arriveren aan de arm van de kolonel, vormden ze onmiddellijk een kleine kring, waar ze druk bleven staan roddelen tot de kolonel op hen toe sprong als was hij een leeuw en hen uiteenjoeg als een trio gieren die in een stuk oud vlees pikten.
De band speelde en de gasten vermengden zich en Audrey deed haar best zich te concentreren terwijl ze hen allemaal begroette en tegen iedereen een hoffelijke opmerking maakte of een vleiend compliment gaf over een japon of een kapsel, zodat niemand haar gezelschap verliet zonder een opmerking te maken over haar charme of goedheid. 'Rose, ik moet je echt zeggen dat je verrukkelijke dochters hebt. Uiterst charmante meisjes, vooral Audrey,' dweepte Phyllida Bates met oprechte bewondering. Voordat Rose haar kon bedanken draaide Cynthia Klein, die met haar rug naar het groepje toe stond, zich snel om om hen te vergasten op haar mening.
'Ik ben het met Phyllida eens,'
zei ze ferm. 'Het is een verademing om zoveel verfijning en klasse
te zien. Er zijn hier genoeg alledaagse meisjes om de jongemannen
terug de oorlog in te sturen. Echt, als ik hun nietszeggende
gezichtjes zie, springen de tranen me in de ogen,' gaf ze luid haar
commentaar. Rose bloosde en keek bezorgd om zich heen of iemand het
had gehoord.
'Je hebt helemaal gelijk,
Cynthia, hoewel ik het nooit zo zou hebben uitgedrukt,' stemde
Phyllida in, en haar keverachtige gezicht kneep zich vol vreugde
samen.
'Schoonheid gaat niet dieper dan
de huid,' wierp Rose tactvol tegen, in een poging haar
onvriendelijkheid met een lach af te doen en hopend dat iemand haar
te hulp zou komen.
'Maar lieverd, de huid is datgene
waar we allemaal naar moeten kijken,' zei Cynthia snuivend. 'Wat
heb je aan een lief karakter als het niet door je huid heen te zien
is?' vervolgde ze met de ongevoeligheid van mensen op leeftijd die
het idee hebben dat het hun recht is om precies te zeggen wat ze
denken. Tot Roses opluchting stapte de lange, gesteven gestalte van
Cecil Forrester op hen toe om het gesprek te onderbreken en Rose
uit haar benarde situatie te redden.
'Goedenavond, Rose,' zei hij met
een lichte buiging. Vervolgens wendde hij zich tot de
Krokodillen en begroette hen allebei door hun naam te noemen. 'Wat
een prachtige avond,' merkte hij op, om de gastvrouw te
complimenteren met de prachtige aankleding van de zaal. Rose, die
een dergelijke terughoudendheid heel goed begreep, was hem zeer
erkentelijk.
'Kijk, dit is nog eens een
keurige jongeman,' zei Cynthia, die nog helemaal niet klaar was met
Rose Garnet. 'Cecil, in deze zaal bevindt zich één jonge vrouw die
jou waardig is, en ik stel voor dat je haar inpikt voordat iemand
anders het doet.' Rose bloosde weer.
'U plaatst me op een voetstuk,
mevrouw Klein, en ik vrees dat ik dat niet verdien,' antwoordde hij
fijntjes.
'Jawel hoor,' drong Phyllida
aan.
'Ik hoop dat je een dans hebt
besproken bij de jarige,' zei Cynthia, die verwachtingsvol haar
wenkbrauwen optrok.
'Dat heb ik inderdaad,'
verzekerde hij haar, en hij wendde zich tot Rose. 'Het zal me een
hele eer zijn.'
'Daar ben ik blij om,' antwoordde
ze enigszins zenuwachtig. 'Luister maar niet naar Cynthia, ze is
veel te vriendelijk.'
'Kom, kom, Rose, jij kent me wel
beter. Phyllida, leg jij Cecil eens uit dat ik nooit dingen zeg die
ik niet meen.'
'Als u op Audrey doelt, mevrouw
Bates, van haar kwaliteiten hoeft u me niet te overtuigen,' zei
Cecil, die over de hoofden van de aanwezigen heen keek of hij haar
ergens ontwaarde.
'Kom, Cecil, ik weet dat mijn man
je graag even wil spreken,' zei Rose, die het moment aangreep om
zich van de anderen los te maken. 'Excuseer ons,' voegde ze er
tegen de Krokodillen aan toe, die zodra ze weg was de zaal af
speurden naar een volgend slachtoffer.
Toen Audrey Louis zag, door het trillende schuim van zijde en vlinderdassen heen, kreeg ze weer dat bekende opgewonden gevoel dat ze eerder had ervaren, na hun duet op de piano. Ze was niet in staat haar gezicht in de plooi te houden; een brede glimlach deed haar stralen en er verscheen een blos op haar wangen. Toen zag hij haar ook en hij glimlachte terug, een glimlach die ontwapenend was in zijn eerlijkheid en tederheid, alsof hij alleen voor haar was gekomen. Dat korte en vluchtige moment, toen de oprechtheid in hun blik gevoelens onthulde die niet langer onderdrukt konden worden, voelden ze allebei dat ze elkaar beter kenden dan wie ook. Terwijl het feestgedruis om hen heen zich voortzette, verklaarden Audrey en Louis elkaar de liefde, in stilte maar onbetwistbaar, en geen van beiden wilden ze de eerste zijn die zich terugtrok.
Toen de muziek de eerste wals
inzette, was Audrey verplicht met haar vader te dansen. Maar dat
vond ze niet erg, want terwijl ze over de vloer gleed kon ze voelen
dat Louis naar haar keek en haar door haar passen heen droeg,
waardoor ze energieker en eleganter werd, zodat haar vader naar
haar gezicht moest kijken om zich ervan te vergewissen dat hij niet
danste met zijn vrouw, achttien jaar geleden. Maar Audrey voelde
Cecils ogen niet die haar van de andere kant van de zaal volgden.
Aangemoedigd door het gesprek met haar moeder kreeg hij het gevoel
dat het over een poosje, als ze elkaar beter zouden kermen, wel
gepast zou zijn haar mee uit eten te vragen. Uiteraard zou hij de
kwestie eerst aan haar vader voorleggen, uit respect, maar zijn
bedoelingen waren eerzaam - en golden voor het leven.
Toen het diner begon, kreeg Audrey een plaats tussen Cecil en James Pearson in, de oudste broer van de tweeling. Ze had nog steeds niet met Louis gesproken. Ze had daar geen moment de tijd voor gehad, want vanuit de armen van haar vader was ze beland in die van oom Herbert, die haar twee dansen lang in een wellustige greep had willen houden, en vervolgens was ze overgegaan in de stuntelige omhelzing van Cecil, die met de discipline van een legerofficier, met vierkante schouders, een rechte rug en een opgeheven kin, geduldig op zijn beurt had gewacht. Audrey had niet langs hem heen hoeven kijken om te zien of Louis nog steeds keek, want dat wist ze wel; zijn blik bleef op haar rusten als de warme gloed van de zon, en ze moest erom glimlachen, een diepe glimlach waaraan haar hele gezicht meedeed. Cecil was ervan overtuigd dat ze naar hem glimlachte, want haar ogen wendden zich geen moment af van de zijne, maar boorden zich recht in zijn ziel, alsof ze hem volkomen doorgrondde.
Plichtsgetrouw vulde Cecil
Audreys bord aan het buffet en sprak vervolgens tot aan het dessert
geanimeerd met haar. Audrey zocht naarstig naar Louis en speurde de
zaal af, terwijl Cecil zijn best deed haar aangenaam bezig te
houden. Gealarmeerd omdat hij nergens te zien was excuseerde ze
zich en haastte zich naar de toiletruimte voor de dames, waar ze
tegen Isla op botste, die ondeugend giechelde. 'Audrey,' zei ze,
'ik heb met oom Herbert gedanst, en ik zweer je dat hij een noot in
zijn zak had.'
'Een noot in zijn zak?' vroeg
Audrey, in verwarring gebracht, terwijl ze geagiteerd heen en weer
liep.
Ja, je weet wel, een nootV
herhaalde ze, haar groene ogen snaaks van ondeugendheid.
Vervolgens barstte ze weer in een lachbui uit. Audrey begreep het
opeens en schudde haar hoofd.
'Jakkes,' riep ze uit. 'Hij is je
oom!'
'Het was wel een armzalig nootje
- geen wonder dat Hilda altijd zo zuur doet.' Isla gnuifde.
'Isla!'
'Zo is het toch? Dat nootje van
oom Herbert zou nog geen muis kunnen bevredigen.'
'Volgens mij heb je weer te veel
gedronken.' Audrey zuchtte; opeens vergat ze haar frustratie en
richtte al haar aandacht op het koortsige gezicht van haar
zusje.
'Ik dans nooit van mijn leven
meer met hem,' vervolgde Isla. 'Wat heb je aan een man met een
klein nootje? Ik moet het tante Edna gaan vertellen, dat zal ze
enig vinden!', en ze stoof de toiletruimte uit en liet Audrey
alleen achter voor de spiegel, waar ze zorgelijk naar haar bleke
gezicht staarde. Straks was de avond voorbij en had ze nog steeds
niet met Louis gedanst.
Opeens verscheen Louis' vrolijke
gezicht om de hoek van de deur. Audrey veerde geschrokken op.
'Louis!' riep ze geschrokken uit, alsof ze betrapt was op hardop
nadenken. Zijn ogen bleven vol tederheid op haar rusten en zijn
mondhoeken krulden zich alsof hij haar gedachten had gehoord.
'Ik weet dat mannen hier helemaal
niet horen te komen, maar je zit hier al zo lang en Cecil beweert
dat je me een dans hebt beloofd,' zei hij met een opgetrokken
wenkbrauw. Audrey kon er niets aan doen dat ze moest lachen. Ze
liep met gloeiende wangen naar hem toe. 'Ik heb de hele avond
gewacht,' vervolgde hij terwijl hij haar bij de hand nam. Allebei
kregen ze vanbinnen een schokje toen ze elkaar voor de eerste keer
aanraakten, en Audrey was blij dat haar satijnen handschoenen
tussen hen in zaten, alsof de sensatie van zijn huid tegen de hare
haar volledig uit het lood zou slaan. Maar de warmte van zijn hand
drong door het satijn heen en leek op te stijgen via haar arm naar
haar borst toen hij haar met zachte hand de zaal door leidde. Ze
was ervan overtuigd dat haar lichaam gloeide als een Chinese
lampion. 'Je hebt je toch niet bedacht?' vroeg hij ernstig, en hij
stapte de dansvloer op en trok haar zelfverzekerd in zijn armen.
Overweldigd door de nabijheid van zijn lichaam tegen het hare kwam
ze niet verder dan een hoofdschudden en een glimlach, terwijl ze
knipperend met haar ogen naar hem opkeek toen de geur van zijn huid
haar zintuigen binnendrong en haar hart in vuur en vlam zette met
gedachten waarvan ze besefte dat ze ze niet zou moeten
hebben.
Ze lieten zich leiden door de
muziek en staarden elkaar zwijgend in de ogen. Terwijl ze zich
soepel door de zaal bewogen, waren ze zich niet bewust van de
rimpeling van bewondering en verrassing die door de feestgangers
heen trok, want niemand had verwacht dat de 'excentrieke' Louis
Forrester zo gracieus zou kunnen dansen. Heel even keken de
Krokodillen door de ongepoetste schoenen en het stoffige rokkostuum
heen en werden ze getroffen door zijn knappe gezicht en het intense
licht in zijn ogen terwijl zijn geest tot grote hoogten steeg op de
golven van de muziek. 'Mijn goede vriend,' mompelde de kolonel
tegen Cecil, terwijl hij met onvaste hand het ijs in zijn lege glas
liet rinkelen. 'Hij weet dan misschien niet wat de voor- of
achterkant van een geweer is, maar zijn voetenwerk is verrekte
fraai. Wie had dat kunnen denken - de jonge Louis, nota bene!'
Cecil voelde een steek van jaloezie, waarna hem te binnen schoot
dat hij degene was geweest die Audrey had voorgesteld met zijn
broer te dansen. Opeens wenste hij dat hij dat niet had
gedaan.
Audrey voelde niets dan de druk
van Louis' hand op haar rug en de warmte van zijn borst tegen de
hare. Ze besefte dat ze nog nooit zo goed had gedanst. Ze gleden
voort als één volledig wezen, alsof ze al gedurende vele levens met
elkaar hadden gedanst en eikaars reacties net zo goed kenden als
die van henzelf. Toen de dans ten einde was, bleef Louis niet
wachten op de volgende, maar voerde Audrey zonder een woord te
zeggen naar de privacy van de tuinen, naar een plek waar ze
eindelijk alleen konden zijn.
Het grasveld werd verlicht door
een heldere wassende maan die glimlachend op hen neerscheen vanuit
een met sterren bezaaide hemel. Het was vochtig en de lucht was
zwaar van de lieflijke geuren van bedauwd gras en gardenia's. Louis
liet Audreys hand niet los, maar hield die stevig vast toen ze
wegliepen van het feest, tot de muziek amper nog een zacht
geroezemoes in de verte was en ze werden verzwolgen door de
mysterieuze stilte van de nacht. Uiteindelijk bleef hij staan en
nam allebei haar handen in de zijne. 'Ik ben ontzettend verliefd op
je,' zei hij, en hij kneep zachtjes in haar handen om te
benadrukken dat hij het meende. Toen schudde hij zijn hoofd en
slaakte een diepe zucht. 'Ik ben in vervoering en tegelijkertijd
ben ik ook diepbedroefd, net als wanneer je naar een prachtige
zonsondergang of een betoverend vergezicht kijkt. Ik voel
melancholie.' Audrey werd geraakt door zijn oprechtheid en
kwetsbaarheid.
'Zo voel ik het ook,' antwoordde
ze, verbaasd door haar eigen stoutmoedigheid.
'Melancholie?' vroeg hij, terwijl
hij liefdevol met zijn ogen knipperend naar haar
omlaagkeek.
'Nee, liefde,' zei ze, en tot
haar verrassing bloosde ze niet, noch trilde of stamelde ze. Met
een impulsiviteit die haar aan het lachen maakte sloeg hij zijn
armen om haar heen en trok haar dicht tegen zich aan. Toen raakten
zijn lippen de zachte huid van haar hals, en de sensatie van zijn
stoppelbaard tegen haar huid golfde door haar hele lichaam alsof er
een steen in een vijver was geworpen; ze sloeg haar armen om zijn
schouders om niet om te vallen.
'Waarom voel ik melancholie?'
vroeg hij in haar oor.
'Omdat mooie dingen ons altijd
verdrietig maken,' antwoordde ze, en ze sloot haar ogen en vlijde
haar hoofd tegen het zijne.
'Waarom?'
'Omdat we ze niet voor altijd
vast kunnen houden.'
'Nee, ze zijn vluchtig, als een
regenboog of een zonsondergang. Niets wat mooi is is blijvend. Of
misschien komt het doordat ze ons herinneren aan waar we vandaan
gekomen zijn en hunkert ons hart ernaar daarnaar terug te keren,'
fluisterde hij.
'Misschien.'
'Geloof je in God?' vroeg hij.
'Ja.'
'Ik ook. Geloof je in het
noodlot?'
'Ja.'
'Ik geloof dat God ons voor
elkaar heeft geschapen. Ik geloof dat het noodlot me naar
Argentinië heeft gevoerd om jou.' Audrey lachte zachtjes. 'Ik wist
het zodra ik je zag. Het was als de bliksem. Zo plotseling en
onverwacht. Ik heb aan je gedacht terwijl je met vakantie was. Ik
heb elk moment van de dag aan je gedacht. Mijn hart hunkerde naar
je. Ik weet niet waarom, maar ik heb het gevoel dat jij hier de
enige bent die me begrijpt. De enige bij wie ik mezelf kan zijn.
Bij ieder ander ben ik iemand anders. Ik heb een heleboel tijd
gehad om na te denken, Audrey, terwijl jij in Uruguay was. Ik vroeg
me af of jij naar dezelfde lucht keek en aan mij dacht. Ik
probeerde mijn gevoelens te ontkennen, hoopte dat ze over zouden
gaan, maar ze werden alleen maar sterker. Ik had je nog maar één
keer gezien, maar toch was je gezicht me bijgebleven. Alsof het
voor mij bedoeld was. Ik heb geprobeerd het te negeren; je vader is
tenslotte mijn baas en ik ben niet het soort man van wie hij zou
willen dat hij werk van zijn dochter maakte.'
'Dat besef ik,' verzuchtte ze
bedroefd. 'Je bent impulsiever dan goed voor je is.'
'Ik kon mijn hart niet negeren,
Audrey. Ik heb het geprobeerd. Maar ik kon het niet,' legde hij
uit. 'Toen we die avond bij jullie in de tuin met elkaar praatten,
wist ik dat jij me begreep. Toen we vandaag samen pianospeelden,
werd dat bevestigd. Jij begrijpt me, is het niet,
Audrey?'
'Ik begrijp je, Louis,' herhaalde
ze kalm, omdat ze wist hoeveel het voor hem betekende begrepen te
worden.
'Je hebt geen idee hoeveel we op
elkaar lijken. Jij droomt onmogelijke dromen en je hart is te groot
voor je lichaam. O, Audrey, je hart is zo groot als een oceaan en
het mijne is zo groot als de hemel; ik dank God dat ik iemand heb
gevonden met een hart dat groot genoeg is om het mijne plaats te
bieden.'
Audrey slikte toen haar emoties
in haar keel bleven steken. 'Wat zeg je toch mooie dingen,'
fluisterde ze.
'Omdat ik bij jou ook zulke mooie
dingen vóél. Bij jou kwelt de muziek in mijn hoofd me niet langer,
omdat ik elke melodie creëer voor jou.'
'Eerst was ik bang. Je maakte me
bang. Die intense blik in je ogen, je stoutmoedigheid, je
impulsiviteit - maar nu maak je me helemaal niet bang meer. Ik wil
mijn armen om je heen slaan en voor je zorgen. Je bent net een
zeldzaam dier, een prachtig zeldzaam dier uit het woud, en ik wil
je koesteren en van je houden en voor je zorgen.'
'Nu zeg jij de mooiste dingen,'
zei hij, en er glinsterden tranen in zijn ogen omdat er niemand
ooit eerder om hem had gegeven. Zijn ouders hadden zich altijd voor
hem geschaamd omdat hij anders was, maar Audrey hield daarom juist
van hem. Hij voelde zich als een klein scheepje dat op de woeste
baren eindelijk de haven bereikt. Bij Audrey voelde de echte wereld
als een plek waar je veilig kon wonen.
Toen de muziek van het feest hen
bereikte, dansend door de lucht te midden van de geuren van de
pijnbomen en het vochtige gras, hield Louis haar dicht tegen zich
aan en bewoog mee op het ritme. 'O, Audrey, hoe heb ik al die jaren
zonder je gekund?' Hij nam haar hoofd in zijn handen, dat in het
zilveren licht van de maan nog bleker en lieflijker was, en kuste
haar zachtjes op het voorhoofd. Ze wist dat het verkeerd was om hem
al zo snel te kussen, maar het kon haar niet schelen. Ze sloot haar
ogen en stond hem toe haar te kussen zoals geliefden elkaar kusten
in haar romans, zoals Emma Letton was gekust onder de sycomore. Ze
was niet nerveus, ze voelde alleen een intense droefheid, het soort
droefheid dat je voelt wanneer je tegenover iets heel moois
staat. Ze sloeg haar armen om hem heen en deed wat haar hart haar
ingaf, zoals die middag aan de piano, en al die tijd dat ze hem
vasthield weerklonk keer op keer de melodie die hij voor haar had
gecomponeerd, en die hypnotiseerde haar met een wonderlijke magie
die tussen de klanken door vibreerde en een onuitwisbare stempel
drukte op haar gemoed.