•6•
Terwijl Lee en Serov schoten wisselden, probeerde Faith weer wat lucht te krijgen. De botsing met Newman had haar de adem afgesneden en haar een bonzende pijn in haar schouder bezorgd. Met een geweldige krachtsinspanning wist ze hem van zich af te duwen. Ze voelde iets warms en kleverigs op haar jurk. Eén afschuwelijk moment dacht ze dat ze was geraakt. Zonder dat Faith het wist had de Glock van de fbi -agent als een minischild gediend en de kogel doen afbuigen toen hij Newmans lichaam verliet. Dat was de reden waarom ze nog leefde. Ze wierp een blik op de restanten van Newmans gezicht en voelde zich misselijk worden.
Faith wendde haar hoofd af, hurkte laag op de oprit en stak haar hand in Newmans zak om zijn autosleuteltjes te pakken. Haar hart bonsde zo hevig dat ze moeite had zich te concentreren. Ze liet de sleuteltjes bijna uit haar hand vallen. Nog steeds gehurkt opende ze voorzichtig het linkerportier.
Ze trilde zo, dat ze niet eens wist of ze wel zou kunnen autorijden als ze was ingestapt. Maar even later zat ze achter het stuur, sloeg het portier achter zich dicht en deed het op slot. Toen de auto startte, schakelde ze de versnelling in en gaf gas. De motor verzoop en sloeg weer af. Luid vloekend startte ze opnieuw. De motor sloeg weer aan en Faith was nu wat voorzichtiger met het gaspedaal. De motor bleef lopen.
Ze wilde wegrijden toen haar adem stokte. Opeens dook er een man op naast haar raampje. Hij stond zwaar te hijgen en zag er net zo bang uit als zij zich voelde. Maar haar aandacht ging vooral naar het pistool dat hij recht op haar gericht hield. Hij gebaarde dat ze het raampje omlaag moest draaien. Faith overwoog om gas te geven.
Maar hij las haar gedachten. ‘Waag het niet!’ riep hij. ‘Ik heb niet op jullie geschoten,’ zei hij toen door het glas. ‘Anders was je nu al dood geweest.’
Eindelijk draaide Faith het raampje omlaag.
‘Doe het portier open,’ zei hij, ‘en schuif op.’
‘Wie ben je?’
‘Vooruit, dame. Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik wil hier niet blijven als er straks anderen komen. Die schieten misschien beter.’
Faith opende het portier en schoof naar rechts. Lee stak zijn pistool in zijn holster en gooide zijn rugzak achterin. Toen stapte hij in, trok het portier dicht en reed achteruit. Juist op dat moment ging de mobiele telefoon. Ze schrokken zich allebei wild en Lee stopte. Ze keken eerst naar de telefoon en toen vragend naar elkaar.
‘Het is mijn toestel niet,’ zei hij.
‘Het mijne ook niet,’ antwoordde Faith.
Toen de telefoon zweeg, vroeg hij: ‘Wie is die dode?’
‘Ik zeg helemaal niks.’
Ze kwamen bij de weg. Lee schakelde vooruit en gaf gas. ‘Daar kun je spijt van krijgen.’
‘Ik denk het niet.’
Hij leek van zijn stuk gebracht door haar besliste toon.
Ze deed haar gordel om toen hij wat te snel een bocht nam. ‘Als jij die man daar hebt doodgeschoten, zul je mij ook vermoorden, of ik je nu iets vertel of niet. Als je de waarheid spreekt en je hem niet hebt gedood, zul je mij heus niet vermoorden omdat ik niet wil praten.’
‘Je hebt een heel naïef idee over goed en kwaad. Zelfs de helden uit het verhaal moeten soms iemand doden,’ zei hij.
‘Spreek je uit ervaring?’ Faith schoof wat dichter naar het portier toe.
Hij drukte op de knop om de portieren af te sluiten. ‘Spring maar niet uit de auto. Ik wil alleen weten wat er aan de hand is. Om te beginnen wie die dode vent was.’
Faith staarde hem aan. Ze trilde van de zenuwen. Toen ze eindelijk antwoord gaf, klonk haar stem heel zwak. ‘Vind je het goed dat we ergens heen gaan, geeft niet waar, zodat ik een tijdje rustig kan nadenken?’ Ze strengelde haar vingers in elkaar en vervolgde schor: ‘Ik heb nog nooit zelf meegemaakt dat iemand werd doodgeschoten. Ik ben zelf bijna…’ Haar stem sloeg over bij die laatste woorden en ze begon te beven. ‘Stop, alsjeblieft. God, stop nou! Ik moet kotsen.’
Hij stuurde de auto haastig de berm in en drukte op de knop om het portier te ontgrendelen. Faith gooide het open, leunde naar buiten en begon te braken.
Hij boog zich naar haar toe, legde zijn hand op haar schouder en hield haar stevig vast totdat ze niet meer trilde. ‘Het komt wel goed,’ zei hij langzaam en rustig. Hij wachtte even tot ze weer overeind kon zitten en trok het portier dicht voordat hij vervolgde: ‘Eerst moeten we deze auto kwijt. De mijne staat aan de andere kant van het bos. We kunnen er in een paar minuten zijn. Daarna weet ik wel een plek waar je veilig bent. Oké?’
‘Oké,’ wist Faith met moeite uit te brengen.