•3•

Daniel Buchanan zat in zijn donkere kantoor en dronk zwarte koffie die zo sterk was dat hij zijn hartslag bijna vóélde oplopen met elke slok. Na weer zo’n lange dag van eindeloze gesprekken met politici die hij ervan trachtte te overtuigen dat de zaken waarvoor hij streed hun aandacht dubbel en dwars waard waren, was hij doodmoe en leek cafeïne nog de enige remedie. Vroeg naar bed was er niet bij. Snel een dutje, even de ogen dicht als hij naar de volgende vergadering of het volgende vliegtuig werd gereden, een heimelijk tukje tijdens een lange hoorzitting van het Congres, of hooguit een uurtje of twee thuis in zijn eigen bed – op meer slaap hoefde hij niet te rekenen. En de rest van de tijd werkte hij op de Hill met zijn bijna mystieke regels en gebruiken.

Als hij de ronde deed langs de Congresleden, van het ene kantoor naar het andere, hoorde Buchanan de stem-buzzers afgaan en keek hij naar de tv’s die alle parlementariërs in hun kantoor hadden staan. De monitor liet zien welke wet er behandeld werd, de score vóór en tegen, en hoeveel tijd iedereen nog had om bliksemsnel naar de zaal te rennen en mee te stemmen. Zo’n vijf minuten voor het einde van de stemming maakte Buchanan meestal een eind aan het gesprek en liep haastig de gangen door op zoek naar andere leden die hij wilde spreken, met het Whip Wind-Up Report in zijn hand geklemd. Daarin stond het rooster voor de stemmingen van die dag en aan de hand daarvan kon Buchanan zien waar hij bepaalde parlementsleden kon vinden – belangrijke informatie als je tientallen bewegende doelen probeerde te volgen van wie de meesten niet eens met je wílden praten.

Vandaag was het Buchanan gelukt om een belangrijke senator te strikken in de metro naar het Capitool, op weg naar een stemming. Na hun gesprekje was Buchanan er redelijk zeker van dat de man hem zou helpen. Hij was niet een van Buchanans ‘speciale’ contacten, maar je wist nooit uit welke hoek je steun kon krijgen. Het kon Buchanan niet schelen dat zijn cliënten niet populair waren of geen kiezers achter zich hadden om een Congreslid onder druk te zetten. Hij bleef gewoon op hen inpraten. Het doel heiligde de middelen, dus hoefde hij zich niet te schamen als hij zich niet helemaal correct gedroeg.

Buchanans kantoor was schaars gemeubileerd en had niet veel van de normale luxe waarmee een drukke lobbyist zich omringde. Danny, zoals hij zich graag liet noemen, had geen computer, geen diskettes, geen dossiers, geen belangrijke papieren. Dossiers konden worden gestolen, computers gekraakt. Telefoons werden voortdurend afgeluisterd. Spionnen luisterden met alle mogelijke hulpmiddelen, van omgekeerde glazen tegen de muur tot aan de modernste elektronische snufjes die een jaar geleden nog niet eens waren uitgevonden maar nu een hele informatiestroom zomaar uit de lucht konden opzuigen. Het gemiddelde bedrijf lekte vertrouwelijke informatie zoals een getorpedeerd schip matrozen verloor. En Buchanan had veel te verbergen.

Al meer dan twintig jaar was hij de invloedrijkste lobbyist van Washington. In belangrijke opzichten had hij zelfs de basis gelegd voor het vak, dat was uitgegroeid van een groepje goedbetaalde juristen die tijdens hoorzittingen zaten te snurken tot een zeer complexe wereld waar onvoorstelbare belangen op het spel stonden. Als huurling op Capitol Hill had hij met succes milieuvervuilers vertegenwoordigd in conflicten met het ministerie en hun de kans gegeven hun gif op het nietsvermoedende publiek los te laten. Hij had de politieke strategie bepaald voor farmaceutische giganten die moeders en kinderen de dood in hadden gejaagd. Hij was een hartstochtelijk pleitbezorger geweest van wapenfabrikanten die het een zorg zou zijn dat hun wapens niet deugden. Hij had achter de schermen de belangen verdedigd van autofabrieken die liever een proces begonnen dan toe te geven dat hun producten niet veilig waren. En ten slotte had hij de tabaksindustrie – de grootste melkkoe van allemaal – geholpen in haar strijd tegen alles en iedereen. In die tijd kon Washington het zich nog niet veroorloven om hem
of zijn cliënten te negeren. En zo had Buchanan een vermogen verdiend.

Veel strategieën die hij in die tijd had ontwikkeld, waren een voorbeeld geworden voor de manipulaties van de moderne politiek. Hij had Congresleden wetten laten indienen waarvan hij wist dat ze het niet zouden halen, alleen om de mogelijkheid van latere wijzigingen te torpederen. Buchanans cliënten hadden de pest aan elke verandering. Voortdurend leverde hij achterhoedegevechten, terwijl de tegenstanders van zijn opdrachtgevers hem op de hielen zaten. Hoe vaak had hij niet een politieke ramp voorkomen door de kantoren van de leden te overspoelen met brieven, propaganda en nauwelijks verholen dreigementen om alle financiële steun in te trekken? ‘Mijn cliënt zal uw herverkiezing steunen, senator, omdat we weten dat u ons niet laat zakken. O ja, onze donatie is al overgemaakt op uw campagnerekening.’ Hoe dikwijls had hij die woorden niet uitgesproken?

Ironisch genoeg waren het juist de verdiensten van al dat lobbyen voor de machtigen die meer dan tien jaar geleden een dramatische verandering in Buchanans leven hadden veroorzaakt. Het was altijd zijn bedoeling geweest om eerst carrière te maken en pas daarna te trouwen en een gezin te stichten. Hij wilde eerst de wereld zien voordat hij de verantwoording voor een vrouw en kinderen op zich nam, en dus was hij in een Range Rover van zestigduizend dollar op fotosafari gegaan door West-Afrika. Behalve prachtige dieren was hij daar ook armoede, ellende en onvoorstelbaar menselijk lijden tegengekomen. Bij een andere reis, naar een afgelegen deel van Soedan, was hij getuige geweest van een massabegrafenis van kinderen. Het dorp was getroffen door een epidemie, hoorde hij. Het was een van die dodelijke ziekten die regelmatig door het gebied waarden en een slachting aanrichtten onder kinderen en bejaarden. Wat voor een ziekte dan? had hij gevraagd. O, zoiets als de mazelen, was het antwoord.

Op weer een andere reis had hij gezien dat miljarden Amerikaanse sigaretten in Chinese havens werden uitgeladen voor mensen die toch al gezichtsmaskertjes droegen vanwege de luchtvervuiling. En een volgende keer zag hij dat voorbehoedsmiddelen die in de Verenigde Staten waren verboden bij honderdduizenden in Zuid-Amerika werden gedumpt met bijsluiters die alleen in het Engels waren gesteld. Hij zag sloppenwijken naast luxe wolkenkrabbers in Mexico City, honger naast de weelde van criminele kapitalisten in Rusland. En hoewel hij er nooit was geweest, wist hij dat Noord-Korea niets anders was dan een gangsterstaatje waar de afgelopen vijf jaar zo’n tien procent van de bevolking de hongerdood was gestorven. Zo had elk land zijn schizofrene geschiedenis.

Na deze ‘pelgrimstocht’, die twee jaar duurde, was Buchanans enthousiasme om te trouwen en een gezin te stichten aanmerkelijk bekoeld. Alle stervende kinderen die hij had gezien waren zíjn kinderen geworden, zíjn gezin. En steeds opnieuw waren er nieuwe massagraven nodig voor die miljoenen kinderen, bejaarden en hongerlijders in de wereld. Maar niet zonder een strijd die hij tot de zijne had gemaakt en waar hij zich voor inzette met alles wat hij had, fanatieker dan hij ooit voor de tabaksindustrie, de wapenfabrikanten of de chemieconcerns had gevochten. Tot op de huidige dag herinnerde hij zich het exacte moment waarop hem de schellen van de ogen waren gevallen: toen hij terugkwam van een reis naar Zuid-Amerika, in de wc van het vliegtuig, kotsend op zijn knieën. Het was alsof hij persoonlijk alle stervende kinderen had vermoord die hij in dat werelddeel had gezien.

Met een totaal andere instelling was Buchanan opnieuw naar al die landen gegaan om te zien hoe hij kon helpen. Hij had zelf een heel transport voedsel en medicijnen gebracht, om pas ter plaatse te ontdekken dat er geen middelen waren om alles naar het binnenland te vervoeren. Machteloos had hij moeten toezien hoe plunderaars er met zijn hulpgoederen vandoor gingen. Daarna was hij als onbetaald fondsenwerver aan de slag gegaan voor allerlei hulporganisaties, variërend van care tot Catholic Relief Services. Dat deed hij goed, maar zelfs al die dollars betekenden niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. De cijfers werkten niet in hun voordeel. De ellende werd alleen maar groter.

Daarom besloot Buchanan terug te vallen op zijn kennis van de politiek in Washington. Hij ging weg bij het kantoor dat hij had opgericht en nam maar één assistente mee: Faith Lockhart. En de afgelopen tien jaar had hij de armste landen ter wereld als zijn enige cliënten, zijn zorgenkinderen, gehad. Eigenlijk zag Buchanan ze nauwelijks als geopolitieke eenheden, maar als kwetsbare, uitgemergelde volkeren zonder eigen stem. De rest van zijn leven wilde hij wijden aan de oplossing van het onoplosbare probleem van de verschoppelingen van deze wereld.

Hij gebruikte zijn geweldige vakkennis en contacten in Washington, maar ontdekte algauw dat de nieuwe zaak waarvoor hij vocht veel minder populair was dan de strijdpunten waar hij zich vroeger voor inzette. Toen hij naar Capitol Hill kwam als voorvechter van machtige bedrijven hadden de politici hem glimlachend ontvangen, ongetwijfeld met visioenen van campagnebijdragen en gratis publiciteit. Nu hielpen ze hem niet meer. Sommige Congresleden pochten dat ze niet eens een paspoort hadden en dat de Verenigde Staten al veel te veel geld uitgaf aan buitenlandse hulp. Het hemd is nader dan de rok, zeiden ze, en dat was maar beter ook.

Maar de meest voorkomende reactie was: ‘Waar wonen mijn kiezers, Danny? Hoe kan ik in Illinois worden herkozen door eten te sturen naar Ethiopië?’ En terwijl hij het ene kantoor na het andere werd uitgewerkt, merkte hij dat ze wat medelijdend naar hem keken: Danny Buchanan, misschien wel de grootste lobbyist aller tijden, zag het niet meer zo scherp. Hij begon seniel te worden. Heel triest. Hij streed voor een goede zaak, dat wel, maar het interesseerde geen hond. Afrika? Hongerige kinderen in Latijns-Amerika? We hebben al genoeg problemen in eigen land.

‘Als het niet over handel, troepen of olie gaat, Danny, waarom zit je dan mijn tijd te verdoen?’ had een gerespecteerd senator hem gevraagd. Het leek een treffende definitie van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Waren ze dan werkelijk zo blind? vroeg Buchanan zich steeds weer af. Of zag hij het zelf verkeerd?

Ten slotte besloot hij dat er nog maar één weg overbleef. Volstrekt illegaal, natuurlijk, maar iemand die met de rug tegen de muur staat bekommert zich niet om ethische principes. Met het kapitaal dat hij in de loop der jaren had verdiend, begon hij belangrijke politici om te kopen, op verschillende manieren. En dat werkte. De hulp aan zijn cliënten nam toe, in allerlei opzichten. Het kostte hem zijn persoonlijke rijkdom, maar toch had Buchanan het gevoel dat het de goede kant op ging. In elk geval niet achteruit. Het behoud van het kostbare, met moeite veroverde terrein was al een heel succes. Hij had weer hoop gekregen. Tot ongeveer een jaar geleden.

Als op een teken werd er op de deur van zijn kantoor geklopt. Hij schrok op uit zijn overpeinzingen. Het gebouw was gesloten, het hoorde beveiligd te zijn en de schoonmakers waren allang naar huis. Buchanan stond niet op. Hij zag de deur opengaan en het silhouet van een lange man tekende zich in de deuropening af. De man stak zijn hand uit en deed het licht aan.

Buchanan knipperde tegen het felle schijnsel van de plafondlampen. Toen zijn ogen aan het licht gewend waren, zag hij dat Robert Thornhill zijn regenjas uittrok, zijn jasje en zijn overhemd gladstreek en tegenover hem ging zitten. Hij bewoog zich elegant en rustig, alsof hij net een drankje had gedronken op zijn country club.

‘Hoe kom je hier binnen?’ vroeg Buchanan scherp. ‘Dit gebouw is afgesloten.’ Op de een of andere manier voelde hij dat er nog meer mensen vlak achter de deur stonden.

‘Dat is het ook, Danny, dat is het ook. Voor de meeste mensen.’

‘Je bent niet welkom hier, Thornhill.’

‘Ik ben beleefd genoeg om jou met je voornaam aan te spreken en ik zou het op prijs stellen als jij dat andersom ook deed. Een detail, ik geef het toe, maar in elk geval vraag ik je niet om menéér Thornhill te zeggen, wat normaal zou zijn tussen meester en knecht. Nietwaar, Danny? Zie je dat ik niet zo’n slechte werkgever ben?’

De zelfvoldane houding van de man was bedoeld om Buchanan zo kwaad te maken dat hij niet meer helder kon denken. Maar Danny leunde ontspannen naar achteren in zijn stoel en vouwde zijn handen voor zijn buik.

‘Waar heb ik dit bezoekje aan te danken, Bób?’

‘Je gesprek met senator Milstead.’

‘Ik had hem ook wel in de stad kunnen spreken. Ik begrijp niet waarom je me naar Pennsylvania stuurt.’

‘Omdat je op die manier meer kans krijgt om je zegje te doen voor de hongerende massa. Zie je, ik heb ook een hart.’

‘Maar geen geweten, vrees ik. Heb je er nooit problemen mee dat je de ellende van miljoenen mannen, vrouwen en kinderen voor wie elke nieuwe dag een godswonder is, misbruikt voor je eigen plannetjes?’

‘Ik word niet betaald om een geweten te hebben, maar om de belangen van dit land te beschermen. Jóúw belangen. Als je op je geweten werd beoordeeld, zou niemand in deze stad nog werk hebben. Bovendien heb ik alle waardering voor jouw inspanningen. Ik heb niets tegen armen en weerlozen. Ga zo door, Danny!’

‘Je vindt het niet erg als ik daar geen woord van geloof?’

Thornhill glimlachte. ‘Elk land heeft mensen zoals ik in dienst. Als ze slim zijn, tenminste. Wij krijgen dingen voor elkaar die iedereen wil, maar waarvoor niemand het lef heeft.’

‘O, dus jij speelt voor God? Interessant beroep.’

‘God is een idee. Ik hou me bezig met feiten. En over feiten gesproken: jij bereikt je doel ook met illegale middelen, dus waarom ontzeg je mij dat recht?’

Daar had Buchanan eigenlijk geen antwoord op. En Thornhills irritant onverstoorbare houding versterkte zijn gevoel van machteloosheid nog.

‘Heb je nog vragen over die ontmoeting met Milstead?’ vroeg Thornhill.

‘Je weet genoeg van Harvey Milstead om hem drie keer levenslang te bezorgen. Wat wil je nou eigenlijk?’

Thornhill grinnikte. ‘Je beschuldigt me toch niet van verborgen bedoelingen?’

‘Zeg het maar, Bob. We zijn partners.’

‘Misschien wil ik alleen maar dat jij door een hoepel springt als ik met mijn vingers knip.’

‘Goed. Maar als je volgend jaar nog eens onaangekondigd binnenkomt, moeten ze je misschien horizontaal naar buiten dragen.’

‘Dreigementen van een eenzame lobbyist. Tegen míj?’ Thornhill zuchtte. ‘O nee, niet eenzaam. Je hebt een leger van één soldaat. Hoe is het met Faith? Alles goed?’

‘Faith heeft hier niets mee te maken. Faith blijft hier buiten.’

Thornhill knikte. ‘Jij bent het enige doelwit. Jij en die corrupte politici van je. De trots van Amerika.’

Buchanan keek zijn tegenstander onbewogen aan, maar zei niets.

‘De zaak wordt op de spits gedreven, Danny. De ontknoping begint te naderen, zoals je al zei. Ik hoop dat je klaarstaat om spoorloos te verdwijnen.’

‘Als ik verdwijn, zullen zelfs jouw spionagesatellieten me niet meer kunnen vinden.’

‘Zelfvertrouwen is heel inspirerend maar vaak ook totaal misplaatst.’

‘Is dat alles wat je me wilde vertellen? Dat ik me gereed moet houden om te vluchten? Dat doe ik al sinds het eerste moment dat ik jou ontmoette.’

Thornhill stond op. ‘Concentreer je maar op senator Milstead. Probeer hem wat sappige feiten te ontlokken. Vraag hem naar het inkomen dat hij straks krijgt als hij met pensioen gaat. En hoe weinig hij daarvoor hoeft te doen. Hoe meer details, des te beter.’

‘Ik ben blij dat je er zo’n plezier in hebt. Veel leuker dan de Varkensbaai, neem ik aan.’

‘Dat was voor mijn tijd.’

‘Dan heb je wel andere dingen op je kerfstok.’

Thornhill leek even geïrriteerd, maar herstelde zich snel. ‘Je zou goed kunnen pokeren, Danny. Maar onthoud wel dat bluffen zonder honneurs nog altijd bluffen is.’ Thornhill trok zijn regenjas weer aan. ‘Doe geen moeite, ik kom er zelf wel uit.’

En het volgende moment was hij vertrokken. De man leek naar believen te kunnen verschijnen en verdwijnen. Buchanan leunde weer naar achteren en zuchtte diep. Zijn handen trilden en hij drukte ze plat tegen zijn bureau om ze stil te krijgen.

Thornhill was zijn leven binnengestormd als een exploderende torpedo. In feite had hij Buchanan tot een loopjongen gemaakt, die mensen moest bespioneren die hij jarenlang met zijn eigen geld had omgekocht. Alles wat Buchanan van hen wist vertelde hij aan Thornhill, die hen ermee chanteerde. En Buchanan kon niets doen om die rat te dwarsbomen.

Ironisch genoeg was Buchanan door zijn slinkende kapitaal en Thornhills manipulaties weer terug bij af. Hij was opgegroeid op de illustere Philadelphia Main Line. Hij woonde op een van de prachtigste landgoederen in dat gebied. Droogstenen muren liepen als dikke, grijze penseelstreken rond uitgestrekte, perfect onderhouden gazons waarop een landhuis van ruim duizend vierkante meter stond, compleet met brede overdekte veranda’s en een vrijstaande garage voor vier auto’s, met een appartement erboven. Het huis had meer slaapkamers dan een hotel en luxe badkamers waarvoor de duurste tegels waren gebruikt. Zelfs zoiets alledaags als de kranen waren in goud uitgevoerd.

Het was de wereld van de Amerikaanse adel, waar een beschut leventje en huizenhoge verwachtingen hand in hand gingen. Buchanan had dit complexe universum van heel dichtbij meegemaakt, maar zonder er deel van uit te maken. Buchanans familie leverde de chauffeurs, de kamermeisjes, de tuinmannen, de kindermeisjes, de klusjesmannen en de koks. Nadat ze generaties lang de winters langs de Canadese grens hadden getrotseerd, waren de Buchanans massaal naar het zuiden getrokken, naar een milder klimaat en minder inspannend werk dan het gezwoeg met een bijl, een spade, een boot en vishaken. Daar in het noorden hadden ze gejaagd om aan de kost te komen en hout gehakt om warm te blijven, terwijl ze machteloos moesten toezien hoe de natuur meedogenloos hun gelederen uitdunde in een natuurlijk proces dat de overlevenden sterker maakte en hun afstammelingen nog sterker. En Danny Buchanan was misschien wel de sterkste van allemaal.

De jonge Danny had het gras gesproeid, het zwembad schoongemaakt, de tennisbaan aangeveegd, de lijnen gekalkt, de bloemen geplukt, de groente uit de tuin gehaald en braaf met de andere kinderen gespeeld. Toen hij ouder werd had hij meegedaan met die verwende rijkeluiskinderen, diep in de beslotenheid van de complexe bloementuinen, waar ze rookten, dronken en elkaar seksueel verkenden. Buchanan had zelfs als drager meegelopen en oprecht gehuild toen twee van die jongelui hun bevoorrechte leventje hadden verspeeld door met te veel whisky op in een sportwagen te stappen en veel te hard te rijden voor hun ernstig vertraagde reflexen. Als je zo snel leefde, stierf je vaak ook snel. Op dit moment zag Buchanan zijn eigen einde razendsnel op zich af stormen.

Sindsdien had hij zich nooit meer thuis gevoeld in een van beide groepen, arm of rijk. Hij zou nooit echt bij de rijken horen, hoeveel geld hij ook op de bank had. Hij had wel gespeeld met de rijke erfgenamen, maar tegen etenstijd gingen zij naar de eetzaal van het landhuis, terwijl hij naar de keuken slenterde om het brood te breken met de andere bedienden. De jonge adel had aan Harvard, Yale en Princeton gestudeerd, hij had een avondstudie gevolgd aan een school die door zijn rijke vriendjes openlijk werd bespot.

Maar ook van zijn eigen familie was Buchanan vervreemd. Hij stuurde geld, maar zij stuurden het terug. En als hij op bezoek kwam, hadden ze niets om over te praten. Ze begrepen niet wat hij deed en dat interesseerde hun ook niet. Maar ze gaven hem wel het gevoel dat zijn werk niet deugde; dat merkte hij aan hun strakke gezichten en hun gemompelde opmerkingen. Washington was net zo tegenstrijdig met alles waar zij in geloofden als de hel zelf. Hij loog voor zijn geld en werd daar rijk mee. Hij had beter eenvoudig maar eerlijk werk kunnen doen, net als zij. Door boven hen uit te stijgen was hij juist diep gezonken onder hun normen van eerlijkheid, integriteit en karakter.

Het pad dat hij de afgelopen tien jaar had gekozen, had zijn isolement nog vergroot. Hij had weinig vrienden. Maar miljoenen vreemden, verspreid over de hele wereld, waren van hem afhankelijk voor zoiets fundamenteels als hun eigen leven. Zelfs Buchanan moest toegeven dat het een bizar bestaan was.

En met de komst van Thornhill was Buchanan nog een stap verder omlaaggegleden langs de helling naar de afgrond. Nu kon hij niet eens meer zijn enige echte vriendin, Faith Lockhart, in vertrouwen nemen. Zij wist niets van Thornhill en ze zou nooit iets te weten komen over de cia -officier. Dat was haar enige bescherming. Maar het had hem wel zijn laatste mogelijkheid tot menselijk contact ontnomen.

Danny Buchanan was nu echt alleen.

Hij liep naar het raam van zijn kantoor en staarde naar de indrukwekkende monumenten die over de hele wereld bekend waren. Sommige mensen zagen in die mooie gevels niets anders dan een façade. Net als de hand van de goochelaar waren ze bedoeld om de blik af te leiden van de echt belangrijke zaken in deze stad, die meestal slechts de belangen dienden van een kleine, selecte groep.

Buchanan had geleerd dat stabiele, effectieve macht uiteindelijk het resultaat was van de heerschappij van de minderheid over de meerderheid, omdat de meeste mensen nu eenmaal geen politieke dieren waren. Het ging om een verantwoorde balans, om de mildheid en beschaving waarmee die kleine minderheid over de grote meerderheid regeerde. En Buchanan wist dat het beste voorbeeld uit de wereldgeschiedenis hier op deze plaats te vinden was.

Hij sloot zijn ogen, liet zich omarmen door de duisternis en zoog nieuwe energie op voor de strijd van morgen. Maar het beloofde nog een lange nacht te worden, want in feite was zijn leven nu één lange tunnel geworden, op weg naar niets. Als hij Thornhill met zich mee zou kunnen sleuren, de afgrond in, was het dat allemaal waard geweest. Eén klein lichtpuntje in de duisternis, dat was alles wat Buchanan nodig had. Kon hij dat maar vinden.

Onder druk
titlepage.xhtml
Onder_druk_125x200_split_0.xhtml
Onder_druk_125x200_split_1.xhtml
Onder_druk_125x200_split_2.xhtml
Onder_druk_125x200_split_3.xhtml
Onder_druk_125x200_split_4.xhtml
Onder_druk_125x200_split_5.xhtml
Onder_druk_125x200_split_6.xhtml
Onder_druk_125x200_split_7.xhtml
Onder_druk_125x200_split_8.xhtml
Onder_druk_125x200_split_9.xhtml
Onder_druk_125x200_split_10.xhtml
Onder_druk_125x200_split_11.xhtml
Onder_druk_125x200_split_12.xhtml
Onder_druk_125x200_split_13.xhtml
Onder_druk_125x200_split_14.xhtml
Onder_druk_125x200_split_15.xhtml
Onder_druk_125x200_split_16.xhtml
Onder_druk_125x200_split_17.xhtml
Onder_druk_125x200_split_18.xhtml
Onder_druk_125x200_split_19.xhtml
Onder_druk_125x200_split_20.xhtml
Onder_druk_125x200_split_21.xhtml
Onder_druk_125x200_split_22.xhtml
Onder_druk_125x200_split_23.xhtml
Onder_druk_125x200_split_24.xhtml
Onder_druk_125x200_split_25.xhtml
Onder_druk_125x200_split_26.xhtml
Onder_druk_125x200_split_27.xhtml
Onder_druk_125x200_split_28.xhtml
Onder_druk_125x200_split_29.xhtml
Onder_druk_125x200_split_30.xhtml
Onder_druk_125x200_split_31.xhtml
Onder_druk_125x200_split_32.xhtml
Onder_druk_125x200_split_33.xhtml
Onder_druk_125x200_split_34.xhtml
Onder_druk_125x200_split_35.xhtml
Onder_druk_125x200_split_36.xhtml
Onder_druk_125x200_split_37.xhtml
Onder_druk_125x200_split_38.xhtml
Onder_druk_125x200_split_39.xhtml
Onder_druk_125x200_split_40.xhtml
Onder_druk_125x200_split_41.xhtml
Onder_druk_125x200_split_42.xhtml
Onder_druk_125x200_split_43.xhtml
Onder_druk_125x200_split_44.xhtml
Onder_druk_125x200_split_45.xhtml
Onder_druk_125x200_split_46.xhtml
Onder_druk_125x200_split_47.xhtml
Onder_druk_125x200_split_48.xhtml
Onder_druk_125x200_split_49.xhtml
Onder_druk_125x200_split_50.xhtml
Onder_druk_125x200_split_51.xhtml
Onder_druk_125x200_split_52.xhtml
Onder_druk_125x200_split_53.xhtml
Onder_druk_125x200_split_54.xhtml
Onder_druk_125x200_split_55.xhtml
Onder_druk_125x200_split_56.xhtml
Onder_druk_125x200_split_57.xhtml
Onder_druk_125x200_split_58.xhtml
Onder_druk_125x200_split_59.xhtml
Onder_druk_125x200_split_60.xhtml
Onder_druk_125x200_split_61.xhtml