•27•

De Monocle was een gerenommeerd restaurant aan de kant van de Senaat op Capitol Hill. Het restaurant en het politiebureau, het voormalige kantoor van de immigratie- en naturalisatiedienst, waren de enige twee gebouwen op deze plek, waar vroeger een heel blok had gestaan. De Monocle was populair bij politici, lobbyisten en vips, die er graag kwamen voor de lunch, het diner of een borrel.

De gerant begroette Buchanan en Ward met hun naam en bracht het tweetal naar een afgezonderd hoektafeltje. De inrichting was conservatief en aan de muren hingen genoeg foto’s van vroegere en huidige politici om het Washington Monument mee te behangen. Het eten was goed, maar dat was van ondergeschikt belang. De meeste mensen kwamen om gezien te worden, zaken te doen en over het werk te praten. Ward en Buchanan behoorden tot de vaste gasten.

Ze bestelden een drankje en kregen de menukaart.

Terwijl Ward de kaart bestudeerde, nam Buchanan hem aandachtig op.

Russell Ward werd al Rusty genoemd zo lang als Buchanan zich kon herinneren. En dat was lang, want de twee mannen waren samen opgegroeid. Als voorzitter van de Senaatscommissie voor de inlichtingendiensten had Ward grote invloed op de voor- en tegenspoed van alle inlichtingenorganisaties in het land. Hij was slim, politiek behendig, eerlijk, ijverig, en hij kwam uit een steenrijke familie in het noordoosten, die al haar geld was kwijtgeraakt toen Ward nog jong was. Ward was naar Raleigh in het zuiden verhuisd en had daar systematisch carrière gemaakt bij de overheid. Inmiddels was hij de oudste senator van North Carolina en genoot hij het respect van de hele staat. Volgens Buchanans classificatie van politici viel Rusty Ward in de categorie van Gelovigen. Hij kende alle politieke spelletjes die ooit waren gespeeld en alle verhalen over iedereen die maar iets betekende in Washington. Hij kende hun sterke en vooral hun zwakke punten. Lichamelijk was de man een wrak, wist Buchanan, met problemen die varieerden van diabetes tot een vergrote prostaat, maar mentaal was Ward nog zo scherp als een scheermes. Wie de man onderschatte op grond van al zijn aandoeningen kwam van een koude kermis thuis.

Ward keek op van zijn kaart. ‘Ben je nog met interessante dingen bezig, Danny?’

Hij had een diep, sonoor stemgeluid, met een zangerige zuidelijke tongval, waaruit alle harde yankee-klanken allang waren verdwenen. Buchanan kon uren naar de man luisteren en had dat ook vaak gedaan.

‘Weinig nieuws, weinig nieuws,’ antwoordde Buchanan. ‘En jij?’

‘Ik had vanochtend een interessante bespreking met de commissie voor de inlichtingendiensten. Over de cia .’

‘O ja?’

‘Ooit gehoord van een zekere Thornhill? Robert Thornhill?’

Buchanans gezicht bleef onbewogen. ‘Ik geloof het niet. Vertel eens wat meer over hem.’

‘Hij is een van de oude machthebbers daar. Adjunct-directeur Operaties. Slim, berekenend, kan liegen alsof het gedrukt staat. Ik vertrouw hem voor geen cent.’

‘Terecht, zou ik denken.’

‘Maar ik moet toegeven dat hij zijn werk goed heeft gedaan en al een paar cia -directeuren heeft overleefd. Iemand die hart heeft voor zijn land. Hij is bijna een legende daar. Daarom laten ze hem zo’n beetje zijn eigen gang gaan. Maar dat is een gevaarlijke politiek.’

‘Hoezo? Hij is toch zo trouw aan zijn land?’

‘Ja, en dat bevalt me niet. Vaak zijn zulke mensen veel te fanatiek. En fanatisme is maar één stap verwijderd van krankzinnigheid. We kennen genoeg voorbeelden uit de geschiedenis.’ Ward grijnsde. ‘Ik herinner me een keer dat hij binnenstapte met zijn gebruikelijke kletsverhaal. Daarbij keek hij zo zelfingenomen dat ik besloot om hem te kietelen.’

Buchanan was duidelijk geïnteresseerd. ‘Hoe dan?’

‘Ik vroeg hem naar de doodseskaders.’ Ward wachtte even en keek om zich heen. ‘Daar hebben we in het verleden vaak problemen over gehad met de cia . Ze financieren kleine terreurgroepen, geven ze wapens en een opleiding, en laten ze dan los als een stelletje honden. Valse honden. Want die jongens doen dingen die bepaald niet door de beugel kunnen. Niet volgens de officiële cia -richtlijnen, tenminste.’

‘Wat had hij daarop te zeggen?’

‘Dat stond niet in zijn draaiboek. Hij bladerde haastig in zijn stukken alsof hij daar een bende gewapende agenten kon vinden om hem te redden,’ zei Ward met een diepe lach. ‘Ten slotte gaf hij een antwoord dat nergens op sloeg. De “nieuwe” cia deed niets anders dan het verzamelen en analyseren van informatie, beweerde hij. Toen ik hem vroeg of hij daarmee toegaf dat de “oude” cia niet deugde, dacht ik dat hij me over de tafel wilde sleuren.’ Ward lachte weer. ‘Weinig nieuws, weinig nieuws.’

‘Maar wat heeft hij uitgevreten? Wat zit jou dwars?’

Ward glimlachte. ‘Probeer je me uit te horen?’

‘Natuurlijk.’

Ward keek weer om zich heen, boog zich toen naar voren en zei zacht: ‘Hij houdt informatie achter, wat anders? Je kent die spionnen, Danny. Ze willen steeds meer geld, maar als je ze vraagt wat ze ermee doen, reageren ze alsof je hun moeder hebt vermoord. Wat verwachten ze ánders als ik rapporten van de inspecteur-generaal van de cia krijg waarin zoveel dingen zijn doorgestreept dat de pagina’s bijna zwart zijn? Dat punt heb ik dus aangekaart bij meneer Thornhill.’

‘En hoe reageerde hij? Kwaad? Rustig en beheerst?’

‘Waarom ben je zo in hem geïnteresseerd?’

‘Je begon er zelf over, Rusty. En ik vind jouw werk nou eenmaal fascinerend.’

‘Nou, hij beweerde dat die rapporten worden gecensureerd om de identiteit van de inlichtingenbronnen te beschermen. Dat het een heel gevoelig punt was en dat de cia er zo verantwoord mogelijk mee omging. Ik antwoordde dat ik aan mijn kleindochtertje moest denken, bij het hinkelen. Omdat ze niet alle vakken kan raken, slaat ze er bewust een paar over. Dat vond ik wel schattig, zei ik. Tenminste, bij kleine kinderen.

Ik moet toegeven dat de man ook zinnige dingen zei. Hij vond het een illusie dat wij dictators zouden kunnen uitschakelen met behulp van satellietfoto’s en highspeed modems. Daarvoor heb je ouderwetse agenten nodig, mensen binnen hun organisatie, op hoge posten. Dat is de enige manier waarop wij kunnen winnen. Dat begrijp ik ook wel. Maar ik kan niet tegen de arrogantie van die man. En ik ben ervan overtuigd dat Robert Thornhill, zelfs als hij geen reden zou hebben om te liegen, toch de waarheid zou verdraaien. Verdomme, hij heeft ook zo’n trucje om met zijn pen op de tafel te tikken, terwijl een van zijn medewerkers hem zogenaamd iets in het oor fluistert. Allemaal flauwekul. Het geeft hem alleen meer tijd om een volgende leugen te bedenken. Dat doet hij nu al jaren. Hij denkt zeker dat ik achterlijk ben en het niet doorheb.’

‘Ik neem aan dat die Thornhill niet zo dom is om jou te onderschatten.’

‘O, hij weet wat hij doet. Vandaag kwam hij zelfs als overwinnaar uit de strijd. De man zei helemaal níéts, maar hij wist het zo overtuigend en zo nobel te brengen alsof het de Tien Geboden waren. En toen hij in een hoek werd gedreven, begon hij te schermen met de nationale veiligheid, in de hoop dat wij dan allemaal zouden terugdeinzen. Aan het eind beloofde hij me dat hij er nog op terug zou komen. En ik zei dat ik me verheugde op de samenwerking.’ Ward nam een slok water. ‘Ja, vandaag heeft hij gewonnen. Morgen beter.’

De ober kwam met hun drankjes en ze gaven hun bestelling op. Buchanan had een whisky met water, Ward dronk bourbon, puur.

‘Hoe is het met je betere helft? Moet Faith weer overwerken voor een cliënt die ons arme, weerloze, gekozen volksvertegenwoordigers wil uitkleden?’

‘Ik geloof dat ze de stad uit is. Persoonlijke redenen.’

‘Niets ernstigs, hoop ik?’

Buchanan haalde zijn schouders op. ‘Dat is me niet duidelijk. Maar ze redt zich wel, dat weet ik zeker.’

‘Ach ja, wij zijn nu eenmaal onverwoestbaar. Hoewel ik me afvraag hoe lang mijn vermoeide oude karkas het nog zal volhouden.’

Buchanan hief zijn glas. ‘Je zult ons allemaal nog overleven. Geloof Danny Buchanan maar.’

‘God, ik hoop het niet.’ Ward keek hem scherp aan. ‘Het is haast niet voorstelbaar dat het al veertig jaar geleden is sinds we van Bryn Mawr kwamen. Weet je, soms ben ik jaloers op je omdat jij bent opgegroeid in dat appartement boven onze garage.’

Buchanan glimlachte. ‘Grappig, ik was juist jaloers op jou omdat je in het grote huis woonde, met al dat geld, terwijl mijn familie de jouwe bediende. Wie van ons klinkt er nu dronken?’

‘Jij bent de beste vriend die ik ooit heb gehad.’

‘Dat is wederzijds, zoals u weet, senator.’

‘En het is heel bijzonder dat je me nog nooit om een gunst hebt gevraagd. Je weet heel goed dat ik in een paar commissies zit die jouw cliënten zouden kunnen helpen.’

‘Ik wil elke schijn van vriendjespolitiek vermijden.’

‘Dan ben je wel de enige in deze stad.’ Ward grinnikte.

‘Laat ik het erop houden dat ik onze vriendschap daarvoor te belangrijk vind.’

‘Ik heb het je nooit gezegd,’ vervolgde Ward zacht, ‘maar wat jij op de begrafenis van mijn moeder zei, heeft me diep geroerd. Ik zou durven zweren dat je die vrouw beter hebt gekend dan ik.’

‘Ze was een geweldige dame. Ze heeft me alles geleerd wat ik moest weten. Ze verdiende een grootse begrafenis. Wat ik zei was nog niet de helft van wat ik voelde.’

Ward staarde in zijn glas. ‘Als mijn stiefvader gewoon van de erfenis van mijn familie had geleefd en niet had geprobeerd de zakenman uit te hangen, zouden we het landgoed misschien hebben behouden en zou hij zichzelf niet met een geweer door zijn kop hebben geschoten. Aan de andere kant zou ik misschien niet zo lang senator zijn geweest als ik een toelage had gehad om er doorheen te jagen.’

‘Als meer mensen het spel speelden zoals jij, Rusty, zou het land er veel beter aan toe zijn.’

‘Ik zat niet naar een complimentje te vissen, maar ik vind het fijn dat je dat zegt.’

Buchanan trommelde met zijn vingers op het tafeltje. ‘Ik ben pas nog naar het oude huis gereden.’

Ward keek verbaasd op. ‘Waarom?’

Buchanan haalde zijn schouders op. ‘Ik weet het eigenlijk niet. Ik was in de buurt en ik had wat tijd over. Het is niet veel veranderd. Nog altijd mooi.’

‘Ik ben er niet meer geweest sinds ik ging studeren. Ik weet niet eens van wie het nu is.’

‘Een jong stel. Ik zag een vrouw en kinderen door het hek. Ze speelden op het grasveld voor het huis. Een rijke bankier of een Internet-kapitalist, misschien. Gisteren nog een ideetje en tien dollar in zijn zak, nu een bloeiend bedrijf en honderd miljoen in aandelen.’

Ward hief zijn glas. ‘God zegene Amerika.’

‘Als ik toen geld had gehad, zou je moeder haar huis niet zijn kwijtgeraakt.’

‘Dat weet ik, Danny.’

‘Maar alles heeft een reden, Rusty. Zoals je al zei, was jij dan misschien niet in de politiek gegaan. Nu heb je een prachtige carrière achter de rug. Je bent een echte Gelovige.’

Ward glimlachte. ‘Die classificatie van jou heeft me altijd geïntrigeerd. Heb je het ergens opgeschreven? Ik wil het wel eens vergelijken met mijn eigen conclusies over mijn geachte collega’s.’

Buchanan tikte tegen zijn voorhoofd. ‘Het zit allemaal hier.’

‘Al dat goud, opgeslagen in het brein van maar één man. Doodzonde.’

‘Jij weet ook alles van iedereen in deze stad.’ Buchanan wachtte even en vroeg toen zacht: ‘Wat weet je eigenlijk van mij?’

Ward leek verbaasd door die vraag.

‘Vertel me nou niet dat de grootste lobbyist ter wereld aan zichzelf begint te twijfelen. Ik dacht dat Daniel J. Buchanan kon bouwen op een onverwoestbaar zelfvertrouwen, een encyclopedische kennis en een goed inzicht in de psychologie van opgeblazen politici en hun aangeboren zwakheden. Waarmee je de oceaan zou kunnen dempen, overigens.’

‘Iedereen twijfelt wel eens, Rusty, ook mensen als jij en ik. Daarom houden we het zo lang vol. Steeds één centimeter van de afgrond. De dood die op de loer ligt als je maar één moment je aandacht laat verslappen.’

Hij zei het op zo’n toon dat de geamuseerde uitdrukking opeens van Wards gezicht verdween. ‘Wil je soms ergens over praten?’

‘Nog niet in duizend jaar,’ zei Buchanan met een plotselinge glimlach. ‘Als ik jou over al mijn geheimen ga vertellen, moet ik mijn limonadekraampje ergens anders neerzetten en helemaal opnieuw beginnen. En daar ben ik te oud voor.’

Ward leunde tegen het zachte kussen en keek zijn vriend onderzoekend aan. ‘Waarom doe je het eigenlijk, Danny? Niet voor het geld, neem ik aan.’

Buchanan schudde zijn hoofd. ‘Als ik het enkel om het geld deed, zou ik al tien jaar geleden zijn gestopt.’ Hij dronk zijn glas leeg en keek naar de deuropening, waar de Italiaanse ambassadeur met zijn omvangrijke gevolg stond te praten met een paar hoge stafleden van Capitol Hill, enkele senatoren en drie vrouwen in korte zwart jurkjes die eruitzagen alsof ze voor een avondje waren gehuurd – en misschien waren ze dat ook. De Monocle stroomde nu zo vol met vips dat je niet kon spuwen zonder een of andere beroemdheid te raken. En ze wilden allemaal de wereld. En ze vroegen allemaal aan jou of je hun die kon bezorgen. Ze vraten je op, ze lieten niets van je over en dan noemden ze je hun vriend. Buchanan kende de tekst van dat liedje maar al te goed.

Hij keek naar een oude foto aan de muur. Een kale man met een haviksneus, een somber gezicht en felle ogen keek op hem neer. Hij was allang overleden, maar ooit was hij een van de machtigste – en meest gevreesde – mannen van Washington geweest. Macht en angst leken hier hand in hand te gaan. Nu kon Buchanan zich de naam van de man niet eens herinneren. Sprak dat geen boekdelen?

Ward zette zijn glas neer. ‘Ik denk dat ik het weet. De laatste jaren zet je je in voor veel socialere kwesties. Je probeert een wereld te redden waar weinig mensen zich nog maar om bekommeren. En jij bent de enige lobbyist die dat doet, voorzover ik weet.’

Buchanan schudde zijn hoofd. ‘Een arme Ierse jongen werkt zichzelf omhoog, verdient een fortuin, ziet het licht en besteedt zijn laatste jaren aan het helpen van de minder bedeelden? Verdomme, Rusty, ik word eerder gedreven door angst dan door menslievendheid.’

Ward keek hem nieuwsgierig aan. ‘Hoe bedoel je dat?’

Buchanan ging rechtop zitten, legde zijn handen tegen elkaar en schraapte zijn keel. Hij had dit nog nooit tegen iemand gezegd, zelfs niet tegen Faith. Misschien werd het tijd. Het klonk krankzinnig, dat wist hij wel, maar in elk geval zou Rusty het niet verder vertellen.

‘Ik heb steeds dezelfde droom. In die droom wordt Amerika steeds rijker en rijker, steeds vetter en vetter. Sportmensen verdienen hier honderd miljoen dollar om een bal te laten stuiteren. Een model krijgt tien miljoen om wat heen en weer te lopen in haar ondergoed. Een knulletje van negentien kan een miljard dollar op de effectenmarkt verdienen door ons via het Internet nog meer nutteloze dingen nog sneller te verkopen.’ Buchanan zweeg en lachte grimmig tegen zijn broodmandje. ‘En een lobbyist verdient zoveel geld dat hij zijn eigen vliegtuig kan kopen. Wij harken alle rijkdom van de wereld naar ons toe. Wie ons voor de voeten loopt wordt verpletterd, op honderd verschillende manieren, terwijl we onszelf presenteren als het mooiste land op aarde. De enig overgebleven supermacht. Nietwaar?

Maar heel langzaam wordt de rest van de wereld wakker, kijkt door onze mooie façade heen en beseft hoe wij iedereen hebben bedrogen. En ze komen onze kant op, in propellervliegtuigjes, op houtvlotten, of God mag weten hoe. Eerst met duizenden, dan met miljoenen en ten slotte met miljarden. En ze vernietigen ons totaal. Ze spoelen ons voorgoed door het riool. Jou, mij, de sportmensen, de filmsterren, de supermodellen, Wall Street, Hollywood en Washington. Het land van schone schijn.’

Ward keek hem met grote ogen aan. ‘Mijn god, een droom of een nachtmerrie?’

‘Zeg jij het maar,’ reageerde Buchanan met een ernstig gezicht.

‘Je land, je moet ervan houden of wegwezen, Danny. Er zit een kern van waarheid in die leus. Wij zijn nog niet zo slecht.’

‘Maar we eigenen ons wel een onevenredig deel van de rijkdommen en de energie van de wereld toe. We zijn grotere vervuilers dan enig ander land. We vermalen buitenlandse economieën zonder ons daar iets van aan te trekken. Maar toch houd ik van mijn land, om een heleboel grote en kleine dingen die ik moeilijk kan uitleggen. Daarom raak ik zo van streek door die nachtmerrie. Dat mag níét gebeuren. Maar het wordt steeds moeilijker om te blijven hopen.’

‘Als dat zo is, waarom ga je dan door?’

Buchanan keek nog eens naar de oude foto en zei: ‘Wil je een kort en bondig antwoord, of een filosofische bespiegeling?’

‘Wat dacht je van de waarheid?’

Buchanan keek zijn oude vriend aan. ‘Ik vind het heel erg dat ik nooit kinderen heb gehad,’ begon hij langzaam en wachtte even. ‘Een goede vriend van me heeft meer dan tien kleinkinderen. Hij vertelde me over een oudervergadering van de school van zijn kleindochter waar hij naartoe was gegaan. Ik vroeg hem waarom hij dat deed. Dat was toch iets voor de ouders? Weet je wat hij zei? Zoals de wereld nu is, moeten we allemaal verder vooruit denken dan ons eigen leven. Zelfs verder dan het leven van onze kinderen. Dat is ons recht. Dat is onze plicht, zei die goede vriend van me.’

Buchanan streek zijn servetje glad. ‘Dus misschien doe ik wat ik doe omdat alle ellende van de wereld bij elkaar opgeteld groter is dan alle geluk. Verder zou ik het echt niet weten.’

Onder druk
titlepage.xhtml
Onder_druk_125x200_split_0.xhtml
Onder_druk_125x200_split_1.xhtml
Onder_druk_125x200_split_2.xhtml
Onder_druk_125x200_split_3.xhtml
Onder_druk_125x200_split_4.xhtml
Onder_druk_125x200_split_5.xhtml
Onder_druk_125x200_split_6.xhtml
Onder_druk_125x200_split_7.xhtml
Onder_druk_125x200_split_8.xhtml
Onder_druk_125x200_split_9.xhtml
Onder_druk_125x200_split_10.xhtml
Onder_druk_125x200_split_11.xhtml
Onder_druk_125x200_split_12.xhtml
Onder_druk_125x200_split_13.xhtml
Onder_druk_125x200_split_14.xhtml
Onder_druk_125x200_split_15.xhtml
Onder_druk_125x200_split_16.xhtml
Onder_druk_125x200_split_17.xhtml
Onder_druk_125x200_split_18.xhtml
Onder_druk_125x200_split_19.xhtml
Onder_druk_125x200_split_20.xhtml
Onder_druk_125x200_split_21.xhtml
Onder_druk_125x200_split_22.xhtml
Onder_druk_125x200_split_23.xhtml
Onder_druk_125x200_split_24.xhtml
Onder_druk_125x200_split_25.xhtml
Onder_druk_125x200_split_26.xhtml
Onder_druk_125x200_split_27.xhtml
Onder_druk_125x200_split_28.xhtml
Onder_druk_125x200_split_29.xhtml
Onder_druk_125x200_split_30.xhtml
Onder_druk_125x200_split_31.xhtml
Onder_druk_125x200_split_32.xhtml
Onder_druk_125x200_split_33.xhtml
Onder_druk_125x200_split_34.xhtml
Onder_druk_125x200_split_35.xhtml
Onder_druk_125x200_split_36.xhtml
Onder_druk_125x200_split_37.xhtml
Onder_druk_125x200_split_38.xhtml
Onder_druk_125x200_split_39.xhtml
Onder_druk_125x200_split_40.xhtml
Onder_druk_125x200_split_41.xhtml
Onder_druk_125x200_split_42.xhtml
Onder_druk_125x200_split_43.xhtml
Onder_druk_125x200_split_44.xhtml
Onder_druk_125x200_split_45.xhtml
Onder_druk_125x200_split_46.xhtml
Onder_druk_125x200_split_47.xhtml
Onder_druk_125x200_split_48.xhtml
Onder_druk_125x200_split_49.xhtml
Onder_druk_125x200_split_50.xhtml
Onder_druk_125x200_split_51.xhtml
Onder_druk_125x200_split_52.xhtml
Onder_druk_125x200_split_53.xhtml
Onder_druk_125x200_split_54.xhtml
Onder_druk_125x200_split_55.xhtml
Onder_druk_125x200_split_56.xhtml
Onder_druk_125x200_split_57.xhtml
Onder_druk_125x200_split_58.xhtml
Onder_druk_125x200_split_59.xhtml
Onder_druk_125x200_split_60.xhtml
Onder_druk_125x200_split_61.xhtml