•25•
‘Wat doen we hier eigenlijk, Lee?’ vroeg Faith. Ze hadden nog twee andere taxi’s genomen na de eerste vanaf het vliegveld. De laatste taxi had hen ergens in het niets afgezet en ze liepen nu al een paar kilometer door kleine straatjes en stegen.
Lee keek haar aan. ‘De belangrijkste regel als je op de vlucht bent voor de politie: ga er altijd vanuit dat ze de taxichauffeurs vinden die je ergens naartoe hebben gebracht. Neem dus nooit een taxi naar de plaats waar je moet zijn.’ Hij wees voor zich uit. ‘We zijn er bijna.’ Onder het lopen bracht Lee zijn handen naar zijn ogen en haalde de contactlenzen eruit, zodat ze weer blauw waren. Hij borg de lenzen in een speciaal doosje in zijn tas. ‘Die krengen irriteren ontzettend.’
Faith keek voor zich uit, maar zag niets anders dan bouwvallige huizen, gebarsten stoeptegels en kwijnende bomen en grasvelden. Ze liepen evenwijdig aan U.S. Route 1 in Virginia, ook bekend als de Jefferson Davis Highway, genoemd naar de president van de Zuidelijke Staten. Heel ironisch dat ze hier nu waren, dacht Faith, omdat Davis zelf ook had geweten hoe het voelde om te worden opgejaagd. Hij was na de oorlog het hele Zuiden door gevlucht totdat de mannen in het blauw hem eindelijk te pakken hadden gekregen en Davis voor jaren in de gevangenis hadden gegooid. Faith kende de geschiedenis, maar ze hoopte dat die zich voor haar niet zou herhalen.
Ze kwam niet vaak in dit noordelijke deel van Virginia. Er was hier zware industrie, afgewisseld met kleine bedrijven, garages en werven, dubieuze autohandelaren met roestige stacaravans als kantoor, en een vlooienmarkt in een haveloos gebouw dat nog maar door één zware balk overeind werd gehouden. Ze was een beetje verbaasd toen Lee zich opeens omdraaide en in de richting van de Jeff Davis liep. Haastig haalde ze hem weer in.
‘Moeten we niet de stad uit? Ik bedoel, volgens jou is de fbi overal toe in staat. En dan worden we ook nog achtervolgd door die andere mensen die je niet wilde noemen. Die zullen op hun eigen manier wel net zo gevaarlijk zijn. Terwijl wij hier rustig door de buitenwijken wandelen.’ Lee gaf geen antwoord, totdat ze hem eindelijk bij zijn arm greep. ‘Lee, wil je me alsjeblieft vertellen wat je van plan bent?’
Hij bleef zo abrupt staan dat ze tegen hem opbotste. Alsof ze tegen een stenen muur knalde.
Lee keek haar nijdig aan. ‘Het zal wel onnozel van me zijn, maar hoe meer ik jou vertel, des te groter is de kans dat je weer zo’n krankzinnig idee in je hoofd krijgt dat ons allebei de kop kan kosten.’
‘Hoor eens, het spijt me van wat er op het vliegveld is gebeurd. Je hebt gelijk, dat was heel stom. Maar ik had mijn redenen.’
‘Redenen? Klets toch niet. Jouw hele leven is niets anders dan slap geouwehoer,’ besloot hij kwaad en liep weer verder.
Ze rende met hem mee en trok hem weer aan zijn arm. Woedend stonden ze tegenover elkaar.
‘Oké, als je er zo over denkt, zullen we dan maar uit elkaar gaan? Hier en nu? Dan hebben we afzonderlijk nog een kans.’
Hij zette zijn handen in zijn zij. ‘Dankzij jou kan ik niet meer naar huis en kan ik mijn creditcard niet meer gebruiken. Ik ben mijn pistool kwijt, de fbi zit achter me aan en ik heb nog maar vier dollar in mijn zak. Bedankt voor je goede ideeën.’
‘Je kunt de helft van mijn geld krijgen.’
‘En waar ga jij naartoe?’
‘Mijn hele leven mag dan slap geouwehoer zijn, maar ik kan wel voor mezelf zorgen.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘We blijven bij elkaar. Om een heleboel redenen. Om te beginnen wil ik je bij me hebben als de fbi ons te pakken krijgt. Dan kun je op het graf van je moeder zweren dat ik onschuldig ben en tegen mijn wil in jouw nachtmerrie verzeild ben geraakt.’
‘Lee!’
‘Discussie gesloten.’
Hij liep weer verder, in hoog tempo, en Faith besloot dat ze maar beter haar mond kon houden. Eigenlijk wílde ze ook niet alleen verdergaan. Ze rende achter hem aan en ze sloegen af naar Route 1. Bij de verkeerslichten staken ze de weg over.
‘Ik wil dat je hier blijft wachten,’ zei Lee, terwijl hij de tassen neerzette. ‘Er is een kans dat ze me zullen herkennen waar ik naartoe ga, en dan wil ik jou niet bij me hebben.’
Faith keek om zich heen. Achter haar stond een ijzeren hek van tweeënhalve meter hoog, met prikkeldraad aan de bovenkant. Het was een reparatiewerf. Achter het hek hield een dobermann de wacht. Hadden boten zoveel beveiliging nodig? In deze omgeving misschien wel, dacht Faith. Op de volgende hoek stond een lelijk gebouw van sintelblokken, met grote rode spandoeken voor de ramen die aankondigden dat hier de beste nieuwe en tweedehands motoren van de stad werden verkocht. Het hele parkeerterrein stond er vol mee.
‘Moet ik hier echt in mijn eentje blijven?’ vroeg ze.
Lee haalde een honkbalpet uit zijn tas en zette zijn zonnebril op. ‘Ja,’ zei hij kortaf. ‘Of was dat net een geest die me vertelde dat ze wel voor zichzelf kon zorgen?’
Faith kon zo snel geen snedig antwoord bedenken en keek hem nijdig na toen hij haastig de straat overstak naar de motorzaak. Terwijl ze wachtte, voelde ze opeens dat er iets of iemand achter haar stond. Ze draaide zich om en stond oog in oog met de grote dobermann. De hond was van het terrein gekomen. Blijkbaar was de beveiliging niet zo goed dat ze de poort dichthielden. Toen het beest zijn tanden ontblootte en een laag, dreigend gegrom uitstootte, bukte Faith zich langzaam en pakte de tassen. Ze hield ze als een schild voor zich uit en stak voorzichtig de straat over naar het parkeerterrein van de motorzaak. De dobermann verloor zijn belangstelling en verdween weer achter het hek van de reparatiewerf.
Faith haalde opgelucht adem en zette de tassen neer. Ze zag een paar mollige pubers met plukkerige baardjes die een Yamaha inspecteerden en tegelijk naar haar loerden. Ze trok haar cap nog verder over haar ogen, draaide zich om en deed alsof ze geïnteresseerd was in een glimmende rode Kawasaki die – hoe bestond het! – te koop was. Aan de overkant van de Jeff Davis was een zaak die zware bouwvakmachines verhuurde. Er stond een kraan van minstens tien meter hoog, met een kabel waaraan een kleine vorkheftruck bungelde met een bordje huur mij . Ze bevond zich in een wereld die ze niet meer kende. Ze bewoog zich altijd in heel andere kringen: de hoofdsteden van de wereld, met belangrijke politieke kwesties, veeleisende cliënten, enorme hoeveelheden geld en macht, voortdurend verschuivend als een groot continentaal plat. En tussen die schuivende platen werd van alles vermorzeld zonder dat iemand het wist. Opeens drong het tot haar door dat de échte wereld bestond uit een twee ton zware vorkheftruck die als een vis aan een lijn bungelde. Huur mij. Verschaf de mensen werk. Bouw iets voor de mensen.
Maar Danny had haar die kans gegeven. Ze was helemaal niets bijzonders, maar toch had ze iets goeds gedaan in de wereld. Al tien jaar hielp ze mensen die dringend hulp nodig hadden. Misschien had ze in die tien jaar ook iets goedgemaakt van het sluimerende schuldgevoel uit haar jeugd, toen ze getuige was geweest van de handeltjes van haar vader, hoe goedbedoeld ook, en alle ellende die hij daarmee aanrichtte. Faith was altijd bang geweest om dat deel van haar leven te diepgaand te analyseren.
Ze hoorde voetstappen achter zich en draaide zich om. De man droeg een spijkerbroek, zwarte laarzen en een sweatshirt met het logo van de motorzaak. Hij was jong, voor in de twintig, forsgebouwd, lang, met slaperige ogen. En knap. Dat wist hij zelf ook, zag ze aan zijn bravoure. De blik in zijn ogen verried dat zijn interesse in Faith verder ging dan haar keuze in gemotoriseerde tweewielers.
‘Kan ik u ergens mee helpen, dame? Waarmee dan ook?’
‘Ik kijk wat rond. Ik wacht op mijn vriend.’
‘Hier, dit is een prachtige machine.’ Hij wees naar een bmw -motor, waarvan zelfs een leek als Faith kon zien dat hij prijzig moest zijn. Geldverspilling, dacht ze. Maar aan de andere kant… Was zij niet de trotse eigenaar van een grote bmw -sedan die nu in de garage van haar prijzige pandje in McLean stond?
De jongen streek met zijn hand over de benzinetank van de Beemer. ‘Hij snort als een poes. Als je goed voor mooie dingen zorgt, zorgen ze ook goed voor jou. Heel goed.’ Hij zei het met een brede grijns op zijn gezicht. Toen nam hij haar van hoofd tot voeten op en knipoogde.
Faith vroeg zich af of dat zijn beste versiertruc was.
‘Ik rij zelf niet. Ik laat me rijden,’ zei ze luchtig, en had meteen spijt van die woordkeus.
Weer grijnsde hij. ‘Dat is het beste nieuws dat ik de hele dag heb gehoord. Sterker nog, het hele jaar! Je láát je rijden, zei je?’ De jongen lachte luid en klapte in zijn handen. ‘Zullen we een tochtje maken, schat? Dan kun je míjn machine uitproberen. Klim er maar op.’
Ze werd rood. ‘Ik ben niet gediend van…’
‘Word nou niet boos! Als je iets nodig hebt, mijn naam is Rick.’ Hij stak haar zijn kaartje toe en knipoogde nog eens. Zachtjes voegde hij eraan toe: ‘Mijn privé-nummer staat achterop, schat.’
Met afkeer keek ze naar het kaartje in zijn hand. ‘Oké, Rick, maar ik zal eerlijk tegen je zijn. Mijn vriend is binnen. Denk je dat je hem aan kunt?’
Rick keek iets minder zelfverzekerd nu. ‘Ik kan álles aan, schat.’
‘Blij dat te horen. Mijn vriend is ongeveer even groot als jij, maar hij is gebouwd als een echte vent.’
Rick liet de hand met het kaartje langs zijn zij zakken en keek een beetje nors. Faith begreep dat zijn gebruikelijke babbel was uitgeput en dat hij niets nieuws kon bedenken.
Ze keek hem scherp aan. ‘Ja, hij heeft schouders zo breed als Nebraska, en zei ik al dat hij bokskampioen is geweest bij de marine?’
‘O ja?’ Rick stak het kaartje weer in zijn zak.
‘Je hoeft me niet op mijn woord te geloven. Daar is hij al. Vraag het hem maar.’ Ze wees achter hem.
Rick draaide zich haastig om en zag Lee uit het gebouw komen met twee helmen en twee integrale motorpakken. Hij had een wegenkaart in de zak van zijn jasje gestoken. Zelfs onder de vormeloze kleren die hij droeg was zijn indrukwekkende postuur duidelijk te herkennen. Hij keek Rick achterdochtig aan.
‘Ken ik jou?’ vroeg Lee bruusk.
Rick glimlachte onzeker en slikte moeilijk toen hij Lee opnam. ‘N-nee, meneer,’ stotterde hij.
‘Nou, jochie, wat moet je dan?’
‘O,’ mengde Faith zich in het gesprek, ‘hij vroeg me waar ik graag op reed, is het niet, Ricky?’ Ze glimlachte tegen de jonge verkoper.
‘Precies. Ja. Nou, tot ziens.’ Rick verdween schielijk weer naar de winkel.
‘Dag, schat,’ riep Faith hem achterna.
Lee keek ontstemd. ‘Ik zei dat je aan de overkant moest wachten. Kan ik je verdomme niet één minuut alleen laten?’
‘Ik had een aanvaring met een dobermann. Een tactische terugtocht leek me het beste.’
‘Goed. En wat stond je met die knul te lullen? Moest hij me op mijn nek springen zodat je kon vluchten?’
‘Doe niet zo raar, Lee.’
‘Was het maar zo. Dan had ik een excuus gehad om iemand in elkaar te slaan. Wat wilde hij dan?’
‘Junior had een voordelige aanbieding, maar het was geen motor. Wat is dat?’ vroeg ze, wijzend op de helmen en de pakken.
‘Onmisbare spullen voor een motorrijder in deze tijd van het jaar. Met honderd kilometer per uur kan het nogal fris worden.’
‘We hebben geen motor.’
‘Nu wel.’
Ze liep met hem mee naar de achterkant van de winkel, waar een enorme Honda Gold Wing se road-bike klaarstond. Met zijn gestroomlijnde, verchroomde, futuristische ontwerp, zijn hightech instrumenten en zijn grote windscherm leek de motor op iets waar Batman op kon rondtoeren. Hij was groen-parelgrijs gespoten, met een donkergroene trim en hij had een king- en queen-zadel met een gevoerde rugsteun. De passagier zat net zo comfortabel als een hand in een handschoen. De machine was zo groot en compleet uitgerust als een luxe terreinwagen met open dak.
Lee stak het sleuteltje in het contact en begon zijn pak aan te trekken. Het andere gaf hij aan Faith.
‘Waar wou je heen op dat ding?’
Lee ritste zijn pak dicht. ‘Wíj rijden naar jouw huis in North Carolina.’
‘Dat hele eind, op een motor?’
‘We kunnen geen auto huren zonder een creditcard en een legitimatie. Jouw auto en de mijne kunnen we niet gebruiken. Trein, bus en vliegtuig zijn ook uitgesloten, omdat ze de stations en vliegvelden in de gaten houden. Tenzij je vleugels kunt laten groeien, is dit de enige mogelijkheid.’
‘Ik heb nog nooit op een motor gezeten.’
Hij zette zijn zonnebril af. ‘Je hoeft ook niet te rijden. Dat doe ik wel. Nou, wat zeg je ervan? Zin in een ritje?’ En hij grijnsde tegen haar.
Faith had het gevoel dat ze door een baksteen werd geraakt toen ze die woorden hoorde. Haar huid begon te gloeien toen ze naar hem keek, op die motor. En precies op dat moment, als door Gods hand, brak de zon door de sombere wolken heen. Een straal zonlicht ontstak die toch al zo stralende blauwe ogen tot vlammende saffieren. Ze merkte dat ze als aan de grond genageld stond. Ze hapte naar adem en haar knieën knikten.
Het was de vijfde klas, in de pauze. De jongen met de mannenogen, precies dezelfde kleur als die van Lee, was op zijn motor met ‘bananenzadel’ naar de schommel toe gereden waar Faith een boek zat te lezen.
‘Zin in een ritje?’ had hij haar gevraagd. ‘Nee,’ had ze gezegd, maar het volgende moment liet ze haar boek vallen en klom achterop. Twee maanden lang waren ze onafscheidelijk, maakten plannen voor een heel leven en bezwoeren elkaar hun eeuwige liefde, hoewel ze elkaar nog niet eens hadden gekust. Toen stierf haar moeder en verhuisde haar vader, met Faith. Heel even vroeg ze zich af of Lee die jongen zou kunnen zijn. Ze had de herinnering zo volledig uit haar onderbewuste gewist dat ze zich niet eens de naam van de jongen kon herinneren. Het was misschien Lee geweest, of niet? Het zou kunnen. Want de enige andere keer in haar hele leven dat ze met knikkende knieën had gestaan, was daar op dat schoolplein geweest. Omdat die jongen hetzelfde had gezegd wat Lee nu zei, omdat de zon net zo in zijn blauwe ogen had geschenen als nu in die van Lee, en omdat haar hart nu ook voelde alsof het zou exploderen als ze niet precies deed wat hij zei. Want zo voelde het.
‘Gaat het?’ vroeg Lee.
Faith hield zich aan het stuur vast om niet te vallen en vroeg zo rustig als ze kon: ‘Mag je hier zomaar mee wegrijden?’
‘Mijn broer is de baas hier. Het is een demonstratiemodel. Officieel maken we een uitgebreide proefrit.’
‘Ik kan niet geloven dat ik dit doe.’ Maar net als in de vijfde klas was het onmogelijk om níét op die motor te stappen.
‘Denk eens aan het alternatief, dan wordt de gedachte van jouw billen op deze Honda opeens heel aantrekkelijk.’ Hij zette zijn zonnebril weer op en klapte het vizier van de helm omlaag alsof hij een uitroepteken achter die opmerking zette.
Faith trok het pak aan en wist met Lee’s hulp de helm op te zetten. Hij laadde de tassen in de grote koffer en de zadeltassen van de Honda en Faith klom achterop. Lee startte de motor, liet hem even op toeren komen en gaf toen gas. Toen hij de koppeling losliet, werd Faith door de kracht van de motor tegen de gevoerde rugsteun gedrukt. Ze klemde haar armen en benen om Lee en de bijna vierhonderd kilo zware motor toen ze de Jeff Davis op draaiden, op weg naar het zuiden.
Ze stortte bijna van de motor toen ze een stem in haar oor hoorde.
‘Oké, rustig maar. Dit is een Chatterbox-verbinding, waardoor je via je helm met elkaar kunt praten,’ legde Lee uit. Hij had haar schrikreactie gevoeld. ‘Ben je wel eens met de auto naar je strandhuis gereden?’
‘Nee, ik ga altijd met het vliegtuig.’
‘Het geeft niet, ik heb een kaart. We nemen de 95 tot aan Richmond. Dan komen we op de Interstate 64 naar Norfolk. Daar zien we wel verder. Onderweg kunnen we een hapje eten. We moeten het kunnen halen voordat het helemaal donker is. Oké?’
Ze merkte dat ze knikte en dacht er bijtijds aan om ‘Ja’ te zeggen.
‘Goed. Ga maar rustig zitten en maak je niet druk. Je bent in goede handen.’
In plaats daarvan leunde ze tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn middel en hield hem stevig vast. Opeens voelde ze zich totaal ondergedompeld in de herinnering aan die goddelijke twee maanden in de vijfde. Dit moest een voorteken zijn. Misschien konden ze wegrijden en nooit meer terugkomen. Bij de Outer Banks een boot huren en naar een afgelegen plekje in de Cariben varen waar niemand nog ooit was geweest en niemand ooit zou komen behalve zij. Ze zou kunnen leren een hut schoon te houden, te koken met kokosmelk of wat je daar had, en een goede huisvrouw te zijn terwijl Lee ging vissen. Elke nacht konden ze vrijen in het maanlicht, zonder dat iemand commentaar zou hebben of hen zou zien. Ze drukte zich nog dichter tegen hem aan. Dat klonk helemaal zo gek nog niet. Of te vergezocht, in deze omstandigheden. Helemaal niet.
‘O, en Faith?’ zei Lee in haar oor.
Ze legde haar helm tegen de zijne en voelde zijn brede rug tegen haar borsten. Ze was weer twintig, de wind was heerlijk, de warmte van de zon inspirerend en haar grootste zorg het volgende tentamen. Opeens had ze een visioen van hen allebei, naakt onder de hemel, egaal bruin, met natte haren en hun benen verstrengeld. Jammer dat ze die pakken droegen, met die dikke ritsen, en met honderd kilometer per uur over het harde asfalt raasden.
‘Ja?’
‘Als je nog ooit zo’n stunt uithaalt als op dat vliegveld, zal ik die goede handen gebruiken om je te wurgen. Begrepen?’
Ze leunde wat naar achteren, met haar rug tegen de sissy-bar, en drukte zich diep tegen het leer. Bij hem vandaan. Weg van haar ridder op het witte paard, met zijn verwarrende blauwe ogen.
Daar gingen haar herinneringen. Daar gingen haar dromen.