•5•
Lee trok zijn pistool en richtte het voor zich uit toen hij de gang door liep. Met zijn andere hand beschreef hij rustige cirkels met de zaklantaarn.
De eerste kamer die hij tegenkwam was de keuken, met een kleine koelkast uit de jaren vijftig, een elektrisch ge -fornuis en versleten geelzwart geruit linoleum op de vloer. De muren waren hier en daar verkleurd door vochtinwerking. Het plafond was nooit afgewerkt, waardoor de vloer van de bovenverdieping zichtbaar was. Lee tuurde naar de oude koperen leidingen en de nieuwere pvc-buizen die in rechte hoeken aan de naakte, donkere steunen tegen de muur waren bevestigd.
Het rook niet naar eten, afgezien van een vetlucht, waarschijnlijk afkomstig van gestold vet op de branders en in de luchtkoker, waar een triljoen bacteriën zich tegoed deden. In het midden stonden een afgebladderde formicatafel en vier metalen stoelen met vinylzittingen. Het aanrecht was leeg, zonder borden of een koffiezetapparaat. Er waren geen theedoeken, geen kruidenpotjes of andere persoonlijke zaken die erop konden wijzen dat de keuken de afgelopen tien jaar nog was gebruikt. Het leek bijna alsof hij was teruggereisd in de tijd of toevallig in een schuilkelder was gekomen die in de hysterie van die dagen was aangelegd.
De kleine eetkamer lag aan de overkant van de gang. Lee keek naar de heuphoge houten lambrisering, donker en gebarsten van ouderdom. Opeens liep er een koude rilling over zijn rug, hoewel het muf en benauwd was binnen. Blijkbaar had het huis geen centrale verwarming en Lee zag ook nergens een airco tegen de muur. Buiten had hij geen olietanks kunnen ontdekken, althans niet boven de grond. Zijn blik gleed over de elektrische kacheltjes langs de plinten, met stekkers in het stopcontact. Net als in de keuken was ook hier het plafond niet afgewerkt. De elektrische leiding naar de stoffige hanglamp liep door gaten die in de kale balken waren geboord. De elektriciteit moest pas zijn aangelegd nadat het huis was gebouwd.
Toen hij door de gang naar de voorkant liep, passeerde hij de onzichtbare elektronische verklikker op kniehoogte. Ergens in het huis klonk een zachte tik. Lee verstijfde even, draaide zich om zijn as, met zijn pistool in de aanslag, en haalde toen opgelucht adem. Het was een oud huis, en oude huizen maken allerlei geluiden. Hij was gewoon zenuwachtig, en met reden. Het huisje en de omgeving leken zo afkomstig uit Friday the 13th .
Lee stapte een van de voorkamers binnen. Bij het licht van zijn zaklantaarn zag hij dat de meubels tegen de muren waren gezet. De dikke laag stof op de vloer vertoonde sleepsporen en voetafdrukken. Midden in de kamer stonden een paar klapstoelen en een rechthoekige tafel. Op een hoek van de tafel zag hij een stapeltje plastic koffiebekertjes naast een koffiezetapparaat met zakjes koffie, poedermelk en suiker.
Lee’s blik gleed de kamer door en hij schrok toen hij de ramen zag. Niet alleen waren de zware gordijnen gesloten, maar daarachter waren de ramen dichtgetimmerd met grote platen multiplex. De onderkant van de gordijnen bungelde er nog onderuit.
‘Shit,’ mompelde Lee. Hij zag nu ook dat de kleine vierkante ruitjes in de voordeur met karton waren afgeplakt. Hij pakte zijn camera en maakte een paar foto’s van die vreemde toestanden.
Lee kreeg haast. Hij wilde zo gauw mogelijk klaar zijn. Snel liep hij de trap op naar de eerste verdieping. Voorzichtig opende hij de deur van de eerste slaapkamer en keek naar binnen. Het bed was klein en opgemaakt, maar de stank van schimmel sloeg hem tegemoet. Hier waren de muren zelfs niet afgewerkt. Lee legde zijn hand tegen de buitenmuur en voelde het tochten door de kieren heen. Hij schrok even toen hij een dunne streep licht boven aan de muur zag, maar realiseerde zich toen dat het de maan was die door de spleet scheen waar de muur en het dak elkaar ontmoetten.
Behoedzaam opende hij de kast. De deur piepte langdurig en Lee hield zijn adem in. Geen kleren of zelfs maar een hangertje. Hij schudde zijn hoofd en stapte de kleine aangrenzende badkamer in. Hier was een moderner, zwevend plafond, linoleum met een grindmotief op de vloer en wanden van gipsplaat met loshangend bloemetjesbehang. De douchecabine was van glasvezel, uit één stuk. Maar geen handdoeken, wc-papier of zeep. Douchen of je even opfrissen was niet mogelijk.
Hij liep naar de andere, aangrenzende slaapkamer. De sprei op het bed verspreidde hier zo’n zware schimmellucht dat hij bijna zijn neus dichtkneep. De kast was leeg, net als in de andere kamer.
Heel vreemd allemaal. Lee bleef staan in de poel van maanlicht die door het raam naar binnen viel, voelde de tocht van de buitenmuren in zijn nek en schudde zijn hoofd. Wat had Faith Lockhart hier te zoeken als het geen liefdesnestje was? Dat was zijn eerste gedachte geweest, hoewel hij haar alleen maar met die lange vrouw had gezien. Mensen hadden allerlei voorkeuren. Maar zelfs met dichtgelijmde neusgaten hadden ze niet de liefde kunnen bedrijven op deze lakens.
Hij daalde de trap weer af en stak de gang over naar de andere deur aan de voorkant, waarschijnlijk van de huiskamer. Ook hier waren de ramen geblindeerd. In een van de muren zat een boekennis, maar zonder boeken. Net als in de keuken was het plafond onafgewerkt. Toen Lee zijn zaklantaarn naar boven richtte, zag hij korte latten die in hoeken van vijfenveertig graden tussen de balken waren geniet en zo een reeks X-en vormden. Het was duidelijk ander hout dan voor de oorspronkelijke constructie was gebruikt: lichter en met een andere nerf. Een versteviging? Waarom was dat nodig?
Hij schudde zijn hoofd als iemand die zich neerlegt bij het lot. Naast al zijn andere zorgen vreesde Lee nu ook dat de vloer van de eerste verdieping elk moment op zijn hoofd kon storten. Hij zag zijn overlijdensbericht al in de krant: onfortuinlijke privé-detective gedood door bad-douchecombinatie; rijke ex-vrouw weigert commentaar.
Toen Lee het licht door de kamer liet schijnen, verstijfde hij. In een van de muren zat een deur. Waarschijnlijk een kast. Niets bijzonders, maar de deur had wel een veiligheidsslot. Hij liep erheen en bekeek het slot wat beter. Op de vloer eronder lag een klein hoopje zaagsel, overgebleven toen het gat voor het slot in de deur was geboord. Veiligheidssloten op de buitendeuren. Een alarminstallatie. Een cilinderslot op een bínnendeur van een kast. En dat alles in een krot in de rimboe. Wat was er hier zo waardevol om zoveel moeite voor te doen?
‘Shit,’ zei Lee nog eens. Hij wilde weg, maar het slot obsedeerde hem. Als Lee Adams één gebrek had – hoewel dat nauwelijks een gebrek kon worden genoemd in zijn beroep – was het zijn nieuwsgierigheid. Hij kon niet tegen geheimen. Het zinde hem niet als mensen iets voor hem verborgen probeerden te houden. Als doodgewone jongen, ervan overtuigd dat grote, rijke machten de wereld in hun greep hadden en in het geniep allerlei ellende voor hem en andere gewone mensen veroorzaakten, was Lee een groot voorstander van totale openheid. En nu bracht hij die overtuiging in praktijk door de zaklantaarn onder zijn arm te klemmen, zijn pistool in de holster te steken en zijn elektrische loper tevoorschijn te halen. Snel en behendig bevestigde hij een nieuwe bit in de loper. Toen haalde hij diep adem, stak de loper in het slot en zette het apparaatje aan.
Toen de schoot terugschoof, zuchtte Lee nog eens diep, pakte zijn pistool en richtte het op de deur terwijl hij de kruk omlaag duwde. Hij geloofde niet echt dat iemand zichzelf in een kast had opgesloten en nu klaarstond om hem te bespringen, maar hij had wel vreemdere dingen meegemaakt. Misschien was er toch iemand aan de andere kant van de deur.
Maar wat zich werkelijk in de kast bevond, was nog erger dan een vijand die hem vanuit het donker besprong. Lee vloekte binnensmonds, stak zijn pistool in de holster en ging ervandoor.
Achter de open deur knipperden de rode lampjes van een hele batterij elektronische instrumenten.
Lee rende naar de andere voorkamer en scheen met zijn zaklantaarn over de muren, in systematische patronen, hoger en hoger. Toen zag hij het. Er zat een cameralens in de muur, dicht onder de plafondlijst. Waarschijnlijk een sleutelgatlens, speciaal bedoeld voor geheime opnamen. Het lensje was onmogelijk te zien in het zwakke schijnsel, maar de lichtbundel van de zaklantaarn weerkaatste erin. Lee liet het licht nog verder schijnen en ontdekte in totaal vier lenzen.
Shit en nog eens shit. Het geluid dat hij zopas had gehoord… Hij moest een of ander alarm in werking hebben gesteld dat de camera’s had geactiveerd. Hij rende terug naar de kast in de huiskamer en richtte zijn zaklantaarn op de voorkant van de videorecorder.
Eject! Waar zat eject , verdomme? Hij vond de toets en drukte erop, maar er gebeurde niets. Hij drukte nog eens en nog eens. Hij probeerde de andere toetsen. Tevergeefs. Toen viel zijn oog op het andere infrarode vakje aan de voorkant van het apparaat, en opeens wist hij het. De recorder werd bediend door een speciale afstandsbediening, waardoor de toetsen van het apparaat zelf waren uitgeschakeld. Hij kreeg het opeens ijskoud toen hij zich realiseerde wat dit kon betekenen. Eén moment overwoog hij om een kogel door het apparaat te jagen om het te dwingen de kostbare tape op te hoesten, maar voor hetzelfde geld was de machine gepantserd en zou zijn eigen kogel hem in het gezicht ketsen. En stel dat er een real-time satellietverbinding was en de tape alleen als back-up diende? Was er hier eigenlijk een camera? Misschien werd hij nu ook bespied. Eén moment had hij de krankzinnige neiging om zijn middelvinger op te steken.
Hij wilde weer vluchten, maar plotseling kreeg hij een idee. Hij zocht in zijn rugzak, wat moeizamer dan anders omdat zijn vingers niet wilden meewerken. Maar ten slotte vond hij het doosje. Hij trok het tevoorschijn, prutste even aan het deksel en haalde er toen een kleine maar krachtige magneet uit.
Magneten waren populair bij het inbrekersgilde omdat je er heel handig dievenklauwen mee kon opsporen en weghalen als je een gat in een ruit had gesneden. Op een andere manier lukte dat niet. Nu kon de magneet hem helpen op precies de tegenovergestelde manier: niet om in te breken maar om hopelijk ongezien weer weg te komen.
Hij bewoog de magneet langs de voorkant en de bovenkant van de videorecorder, zo vaak als maar mogelijk was in de ene minuut die hij zich gunde voordat hij moest rennen voor zijn leven. Hij hoopte en bad dat de magneet de beelden op de tape zou wissen. Zíjn beelden.
Hij gooide de magneet weer in zijn rugzak, draaide zich om en rende naar de deur. God mocht weten wie er nu onderweg waren naar het huis. Opeens bleef hij staan. Moest hij teruggaan naar de kast om de recorder mee te nemen? Maar toen hoorde hij een geluid dat elke gedachte aan de videorecorder verjoeg.
Er kwam een auto aan.
‘Godverdomme,’ siste Lee. Was het Lockhart en die ander? Normaal kwamen ze hier om de andere avond, maar deze keer hielden ze zich niet aan dat schema. Hij rende weer terug door de gang, gooide de achterdeur open, wierp zich naar buiten en sprong over de betonnen stoep. Met een klap landde hij in het natte gras, verloor zijn evenwicht zonder schoenen en sloeg voorover, met zo’n geweld dat hij even naar adem hapte. Hij voelde een scherpe pijn waar zijn elleboog in een vreemde hoek de grond had geraakt. Maar angst was een uitstekende pijnstiller. Binnen een paar seconden was hij weer op de been en rende naar de bosrand.
Hij was halverwege het bos toen de auto de oprit opkwam. Het licht van de koplampen trilde bij de overgang van de vlakke weg naar het oneffen pad. Lee deed nog een paar stappen, bereikte de bosrand en dook weg.
De rode stip bleef nog even op Lee’s borst gericht. Serov had de man met gemak kunnen uitschakelen. Maar dan zou hij de mensen in de auto hebben gewaarschuwd. De voormalige kgb -agent richtte het geweer nu op het portier van de bestuurder. Hij hoopte dat de man die in het bos was verdwenen niet zo stom zou zijn om iets te proberen. Tot nu toe had hij geluk gehad. Al twee keer was hij aan de dood ontsnapt. Zoveel geluk moest je niet verspillen, dat getuigde van slechte smaak, vond Serov toen hij nog eens door het laservizier keek.
Lee wist dat hij moest maken dat hij wegkwam, maar hij bleef hijgend staan en sloop weer terug naar de bosrand. Zijn nieuwsgierigheid was altijd sterker geweest dan hij, soms té sterk. Bovendien hadden de mensen achter al die elektronische apparatuur hem vermoedelijk toch al herkend. Verdomme, ze kenden waarschijnlijk zelfs de naam van zijn tandarts en zijn voorkeur voor Coke, dus kon hij net zo goed nog even wachten om te zien wat er ging gebeuren. Als de mensen in de auto naar het bos kwamen, zou hij wel proberen de Olympische marathon te verbeteren, zonder schoenen. Ze moesten maar zien dat ze hem te pakken kregen.
Hij hurkte en haalde zijn nachtkijker tevoorschijn, een monokijker met Forward-Looking Infra-Red of flir -techniek, een grote verbetering vergeleken bij de restlichtversterkers of I-sqareds die Lee in het verleden had gebruikt. De flir werkte in feite via de herkenning van hitte en had dus helemaal geen licht nodig. In tegenstelling tot de I-sqared kon hij zelfs donkere beelden tegen een donkere achtergrond onderscheiden, omdat de warmte werd omgezet in kristalheldere videobeelden.
Toen Lee zijn kijker had gericht, zag hij een groen scherm met rode beelden. De auto leek zo dichtbij dat Lee het gevoel had dat hij hem kon aanraken. De motorkap lichtte heel helder op omdat hij nog warm was. Lee zag een man achter het stuur vandaan komen. De privé-detective kende hem niet, maar hij concentreerde zich toen ook Faith Lockhart uit de auto stapte en naar de man toeliep. Ze stonden nu naast elkaar en de man aarzelde even, alsof hij iets vergeten had.
‘Verdomme,’ siste Lee met opeengeklemde kaken. ‘De deur.’ Heel even keek hij naar de achterdeur van het huisje, die nog wijdopen stond.
Dat had de man blijkbaar gezien. Hij draaide zich om, naar de vrouw toe, en tastte onder zijn jasje.
Vanuit het bos richtte Serov het laserstipje op de nek van de man en glimlachte voldaan. De man en de vrouw stonden precies in één lijn. De Rus gebruikte aangepaste militaire munitie met een volmetalen mantel. Serov had een studie gemaakt van wapens en de wonden die ze veroorzaakten. Door zijn hoge snelheid vertoonde deze kogel een minimale vervorming als hij door het doelwit sloeg. Maar hij richtte genoeg schade aan als zijn kinetische energie vrijkwam en zich snel verspreidde door het lichaam. De baan en het gat van de wond waren in eerste instantie veel groter dan de kogel zelf voordat de huid zich weer gedeeltelijk sloot. En de schade aan weefsel en botten voltrok zich straalsgewijs, net als bij het epicentrum van een aardbeving, met verschrikkelijke gevolgen op grotere afstand. Heel mooi, op een bijzondere manier, vond Serov.
Snelheid was de sleutel tot kinetische energieniveaus, wist de Rus. Dat bepaalde de schade aan het doelwit. Een twee keer zo zware kogel betekende een twee keer zo grote kinetische energie. Maar Serov had allang ontdekt dat bij een twee keer zo hoge snelheid de kinetische energie werd vervíérvoudigd. En dus had Serov zijn wapen en zijn munitie op snelheid geselecteerd. Ja, heel mooi.
Volmantelkogels konden ook gemakkelijk door één slachtoffer heen gaan, weer uittreden en nóg iemand doden. Dat was handig voor soldaten in een oorlog, maar ook voor huurmoordenaars die twee personen moesten elimineren. Het maakte trouwens niet uit als hij nog een kogel nodig zou hebben om de vrouw te doden. Munitie was goedkoop. Mensenlevens ook.
Serov haalde even adem, probeerde zich niet te bewegen en kromde zijn vinger om de trekker.
‘O, god!’ schreeuwde Lee toen hij de man ineen zag krimpen voordat hij met een klap tegen de vrouw aan viel. Ze stortten allebei tegen de grond, alsof ze aan elkaar vast zaten.
Instinctief wilde Lee naar hen toe rennen om te helpen. Maar een kogel raakte de boom vlak bij zijn hoofd. Lee dook meteen weer weg en zocht dekking toen een volgend schot vlak bij hem insloeg. Hij bleef op zijn rug liggen en beefde zo hevig dat hij nauwelijks zijn nachtkijker kon scherpstellen toen hij de richting verkende waaruit de schoten kwamen.
Weer sloeg er vlakbij een kogel in. Natte aarde spatte in zijn gezicht. Wie de schutter ook was, hij wist wat hij deed en hij had een zwaar geweer bij zich. Lee merkte dat de schoten steeds dichterbij kwamen. De man verkleinde systematisch het gebied.
De schutter moest een geluiddemper gebruiken want elk schot klonk alsof iemand met zijn vlakke hand tegen een muur sloeg. Splet. Splet. Splet . Nauwelijks harder dan een knappende ballon op een kinderfeestje. Niet het geluid van kegelvormige stukjes metaal met een snelheid van een miljoen mach, bedoeld om een zekere privé-detective naar de andere wereld te helpen.
Behalve de hand met de nachtkijker hield Lee zich zo stil mogelijk. Hij probeerde niet te ademen. Eén angstig moment zag hij de rode lijn van de laserpijl langs zijn been kronkelen als een nieuwsgierige slang, maar toen gleed hij weer verder. Lee had niet veel tijd meer. Als hij hier bleef liggen, was het gebeurd met hem.
Hij legde zijn pistool op zijn borst, strekte zijn vingers en tastte even om zich heen tot hij een steen had gevonden in het zand. Met een korte polsbeweging gooide hij de steen anderhalve meter bij zich vandaan en wachtte. De steen raakte een boom en even later sloeg er een kogel in op dezelfde plaats.
Met zijn infrarode oog zoomde Lee in op de hitte van die laatste vuurflits, als het zuurstofarme, superhete gas uit de loop van het geweer met de buitenlucht in botsing kwam. Die eenvoudige natuurkundige reactie had al heel wat soldaten het leven gekost omdat ze daardoor hun positie verrieden. Lee hoopte nu op hetzelfde resultaat.
Met behulp van de vuurflits richtte hij zijn wapen op het thermische beeld van de man tussen de bomen. De schutter stond niet zo ver weg, ruim binnen het bereik van Lee’s sig . Hij wist dat hij waarschijnlijk maar één kans zou krijgen. Langzaam pakte hij zijn pistool, hief zijn arm op en probeerde een zuiver schootsveld te krijgen. Turend door zijn kijker naar het doelwit schoof Lee de veiligheidspal terug, zei een schietgebedje en vuurde acht kogels af uit zijn magazijn van vijftien. De schoten lagen allemaal vrij dicht bij elkaar om zijn kans op een treffer te vergroten. Zijn pistool klonk veel luider dan het geweer met de demper. Dieren stoven alle kanten uit, op de vlucht voor het menselijke conflict.
Een van Lee’s schoten trof op miraculeuze wijze doel, voornamelijk omdat Serov zich recht in de baan van het schot bewoog toen hij wat dichterbij probeerde te komen. De Rus kreunde toen de kogel zijn linkerarm raakte. Heel even voelde hij een scherpe pijn, die snel doffer werd toen de kogel door het zachte weefsel en de aderen sloeg, zijn opperarmbeen verbrijzelde en zich in zijn sleutelbeen boorde. Zijn arm werd meteen loodzwaar en nutteloos. Nadat hij in zijn carrière een stuk of twaalf mensen had gedood, altijd met een vuurwapen, wist Leonid Serov nu eindelijk hoe het voelde om door een kogel te worden getroffen. De voormalige kgb -agent klemde het geweer in zijn goede hand en nam een professioneel besluit. Hij draaide zich om en ging ervandoor, een bloedspoor achterlatend met elke stap.
Lee keek hem na door de flir . Aan de bewegingen van de man te oordelen moest minstens één van zijn schoten doel hebben getroffen. Het leek Lee dom en overbodig om een gewapende en gewonde man te achtervolgen. Bovendien had hij andere dingen aan zijn hoofd. Hij greep zijn tas en rende naar het huisje.