20 De dieven ontmoeten elkaar
Het was één ding om een glimp van de stoffige werkelijkheid op
te vangen, en te ontdekken dat taart en ijs niets anders waren dan
vuil en stof, maar het was iets heel anders om het bedrog bloot te
leggen, dat het Huis tot zo'n volmaakte illusie had weten op te
poetsen. Terwijl Harvey de trap op klom, keek hij zoekend om zich
heen, hopend om in de muren, de vloerkleden of waar dan ook een
aanwijzing te vinden - al was die ook nog zo klein - waardoor hij
een vinger achter die illusie zou kunnen krijgen. Waardoor hij als
het ware het deksel eraf kon tillen, zodat hij wist wat voor
onaantrekkelijk wezen zich daaronder schuilhield. Minkaa was van
stinkende modder en spuug geweest, Rillus van stof, maar waaruit
bestond het Huis zelf? Het bleef ondoorgrondelijk. Hoe Harvey ook
zijn best deed, het lukte hem niet de leugens van het Huis te
ontmaskeren. Integendeel, het begoochelde zijn zinnen met
verrukkelijke sensaties als warmte, kleur, en de geuren van de
zomer. Het lispelde lieflijk in zijn oren en deed een zacht briesje
langs zijn gezicht strijken.
Zelfs toen hij de bovenste tree van de laatste trap had bereikt en
op de donkere zolder stond, bleef het Huis de illusie in stand
houden dat het verstoppertje met hem speelde, een onschuldig
vermaak, even onschuldig als de vele spelletjes die het Huis in
zijn schaduw had zien spelen.
Vóór zich zag Harvey vijf deuren. Ze stonden stuk voor stuk op een
kier alsof ze wilden zeggen: Niets blijft hier geheim voor een
jongen die op zoek is naar de waarheid. Kom dan! Kom kijken! Als je
durft.
Hij durfde best, maar niet op de manier zoals het Huis het zich had
voorgesteld. Na een grondige inspectie keerde hij de deuren de rug
toe, en hij liep de trap weer af. Uit een van de slaapkamers haalde
hij een stevige stoel. Die nam hij mee naar de zolder, hij klom
erop en duwde het luik naar de vliering open.
Het viel niet mee om zich erop te hijsen, maar toen hij eenmaal
hijgend op de vloer van de vliering lag, wist hij dat het einde van
zijn zoektocht naar meneer Lupo in zicht was. De Vampierkoning was
vlakbij. Wie anders dan de meester van de illusie zou zich
verschuilen op een plek waar iedere illusie ver te zoeken was? De
vliering was alles wat het Huis niet was: vuil, donker, en vol met
spinnewebben.
'Waar bent u?' vroeg hij. Het was zinloos te denken dat hij zijn
vijand kon verrassen. Lupo had hem ongetwijfeld vanaf de eerste
traptree in de gaten gehouden. 'Kom te voorschijn,' riep hij. 'Ik
wil wel eens zien hoe een dief eruitziet.'
Aanvankelijk kwam er geen reactie, maar toen hoorde Harvey ergens
helemaal aan het eind van de vliering een zacht keelachtig gegrom.
Zonder te wachten tot zijn ogen volledig aan het schemerduister
gewend waren, begon hij in de richting van het geluid te lopen. De
planken kraakten onder zijn voeten.
Twee keer stond hij stil om omhoog te kijken. Ergens in de
duisternis boven hem trok een geluid zijn aandacht. Was het een
vogel die de weg naar buiten niet meer kon vinden, en die in paniek
heen en weer fladderde? Of zaten de balken boven zijn hoofd vol
kakkerlakken? Hij riep zichzelf tot de orde. Dat soort fantasieën
moest hij uit zijn hoofd zetten. Hij deed er beter aan om zich op
meneer Lupo te concentreren. Er was hier al genoeg om bang voor te
zijn, zonder dat hij er van alles bij bedacht. In tegenstelling tot
het gedeelte rond het luik diende dit stuk van de vliering als
opslagplaats. Harvey twijfelde er niet aan of zijn vijand loerde
ergens in het doolhof van beschimmelde schilderijen en wormstekig
meubilair. Zag hij daar vanuit zijn ooghoek niet iets bewegen?
'Meneer Lupo?' Hij kneep zijn ogen half dicht om beter te kunnen
zien en de gedaante in de duisternis te kunnen onderscheiden.
'Waarom verstopt u zich daar?' Hij deed nog een stap naar voren, en
op datzelfde moment besefte hij zijn vergissing. Dit was niet de
geheimzinnige meneer Lupo. Hij kénde die gedaante, hoe verminkt
ook. Die half vergane vleugels, de kleine zwarte oogjes, de talloze
tanden. Het was Carna!
Het schepsel verhief zich gedeeltelijk van zijn smerige nest, en
hapte naar Harvey. Hij deinsde wankelend terug, maar zou binnen
drie stappen gepakt zijn als Carna niet zo'n last had gehad van
zijn verwondingen, en als de chaos om hem heen hem niet in de weg
had gezeten. Het monster haalde uit naar de stapels rommel links en
rechts, stoelen en dozen omver schoppend. Toen begon het aan de
pijnlijke achtervolging van zijn prooi. Achteruitdeinzend hield
Harvey zijn ogen strak op het monster gericht. Allerlei vragen
speelden door zijn hoofd. Waar was Lupo? Dat was het grootste
mysterie. Mevrouw Griffioen was er zeker van geweest dat hij zich
hier ergens ophield, maar Harvey was de hele zolder over gelopen,
van de ene kant van het Huis naar de andere, en de enige bewoner
was het monster, dat hem op dit moment terugdreef naar het gat van
het luik. Tijdens zijn terugtocht liet hij zijn blikken nogmaals
over de zolder gaan, in een poging tot in ieder donker hoekje door
te dringen. Stel je voor dat zich daar toch iemand schuilhield, en
dat hij die iemand over het hoofd had gezien! Uiteindelijk zag hij
inderdaad iets, niet iemand. Wat hij zag was een bol ter grootte
van een tennisbal; een glanzende bol die gevuld leek met
sterrelicht. Als een zeepbel kwam hij tussen de planken van de
vloer te voorschijn en zweefde hij naar het dak. Even vergat Harvey
helemaal in welke hachelijke situatie hij zich bevond. Hij keek toe
hoe de bol omhoog zweefde, gevolgd door een tweede, een derde, een
vierde... Verbijsterd als hij was, lette hij even niet op waar hij
liep. Hij struikelde, viel, en belandde languit op de planken
vloer. Door een rood waas van pijn staarde hij naar de
zoldering.
En daar boven hem zag hij Lupo, in volle glorie. Zijn
gezicht besloeg het hele dak, zijn gelaatstrekken waren gruwelijk
verwrongen. Zijn ogen waren donkere gaten, gebeiteld in het hout,
zijn groteske, afgeplatte neus stond wijd open gesperd, als de neus
van een reusachtige vleermuis. Lippen had hij niet. Zijn mond was
slechts een enorm gapend gat van wel drie meter breed, en uit dat
gat kwam een stem die deed denken aan krakende deuren, aan de wind
in de schoorsteen, aan ratelende ramen.
'Kind ,' zei de stem. 'Je hebt pijn in mijn paradijs gebracht.
Schaam je?
'Hoezo pijn?' riep Harvey terug. Hij was zijn leven lang nog nooit
zo bang geweest, maar hij wist dat dit niet het moment was om dat
te laten merken. Net als zijn vijand zou ook hij zich van illusies
bedienen. Hoewel niets minder waar was, zou hij doen alsof hij geen
angst kende. 'Ik kom halen wat van mij is, dat is alles.' Lupo
slokte een van de glanzende bollen op, en onmiddellijk doofde het
licht.
'Minkaa is dood ,' zei hij. 'Rillus is dood. Vergaan tot
gruis en stof, en dat komt allemaal door jou?
'Ze hebben nooit geleefd,' zei Harvey.
'Je hebt hen toch horen snikken en smeken? bulderde Lupo,
diep zijn wenkbrauwen fronsend. 'Had je geen medelijden met
ze?
'Nee,' zei Harvey.
'Dan heb ik ook geen medelijden met jou ,' klonk het
raspende antwoord. 'Ik steek geen vinger naar je uit als Carna
je met huid en haar verslindt. Sterker nog, ik zal ervan
genieten.'
Harvey keek naar Carna. Het monster kwam niet dichterbij, maar
stond klaar om toe te slaan. Zijn kwijlende kaken bevonden zich nog
maar een paar centimeter van Harvey's voeten. Nu het monster
stilstond, kon hij pas goed zien hoe zwaar gehavend het was. Zijn
lijf deed denken aan een beschimmeld vloerkleed, het reusachtige
hoofd hing er geknakt bij alsof iedere ademhaling hem inspanning
kostte.
Terwijl hij naar Carna staarde, herinnerde Harvey zich wat mevrouw
Griffioen had gezegd: 'Nu zou ik de Dood verwelkomen
,' had ze gezegd. 'Als een vriend van wie ik
aanvankelijk niets wilde weten.'
Misschien wachtte Carna geen reis naar de sterren. Misschien was
het eenvoudig een terugkeer naar het niets, waaruit Lupo het
monster had opgeroepen. Maar Harvey was ervan overtuigd dat het
beest niets liever zou willen dan te mogen sterven. Het was
vermoeid en gewond. Niet zijn eigen wil hield het monster nog in
leven, maar de wil van Lupo die het niet wilde laten gaan.
'Het is zonde...' mompelde de stem in het dak.
'Wat?' vroeg Harvey, en hij zag dat Lupo weer twee bollen naar
binnen werkte. 'Om je op deze manier te verliezen ,' vervolgde
Lupo. 'Kan ik je niet overhalen om er nog eens over na te denken?
Ik heb je tenslotte niets gedaan. Waarom zou je niet gewoon lekker
hier blijven?'
'U hebt dertig jaar met mijn vader en moeder van me gestolen,' zei
Harvey. 'Als ik hier blijf, steelt u nog veel meer.'
'Ik heb alleen de dagen genomen die je toch niet wilde'
protesteerde Lupo. 'De
regenachtige, grauwe dagen. De dagen waarvan je wenste dat ze
voorbij waren. Wat is daar verkeerd aan ?
Ik wist niet wat ik verloor,' bracht Harvey daartegen in. 'Aha' zei
Lupo zacht. 'Zo gaat het altijd. De dingen glippen door je
vingers, en je weet pas wat je mist als je ze kwijt bent. Gedane
zaken nemen geen keer, Harvey Swick! 'Nóu en of
wel!' zei Harvey. 'Wat u hebt gestolen, kan ik terugstelen.'
Na die woorden verscheen er een glinstering in de duistere diepten
van Lupo's ogen.
'Je licht schijnt zo helder, Harvey Swick! zei hij. 'Ik heb nooit
een ziel meegemaakt die zo'n helder licht verspreidde als de jouwe'
Hij fronste zijn wenkbrauwen alsof hij de jongen beneden hem nog
eens goed wilder bekijken. 'Nu begrijp ik het' zei hij. 'Wat?'
'Waarom je bent teruggekomen'
Ik ben gekomen om terug te halen wat u me hebt afgenomen, wilde
Harvey al zeggen, maar hij had nauwelijks zijn mond opengedaan of
Lupo wist het beter. 'Je bent teruggekomen omdat je wist dat je
je hier thuis zou voelen. We zijn allebei dieven, Harvey Swick. Ik
steel tijd. Jij steelt levens. Maar uiteindelijk zijn we hetzelfde:
dieven van Altijd.'
Hoezeer het hem ook tegenstond om zichzelf op één lijn te plaatsen
met dit monster, toch was er een deel van Harvey dat vreesde dat
Lupo gelijk had. Die gedachte maakte dat hij geen woord kon
uitbrengen. 'Misschien hoeven we helemaal geen vijanden te
zijn' zei Lupo. 'Misschien moet ik je
onder mijn vleugels nemen. Onder vaders vleugels.' Hij lachte vreugdeloos om zijn eigen grapje. 'Ik kan
je voeden. Ik kan je helpen de paden der duisternis beter te
begrijpen.'
'Zodat ik ook op kinderen ga teren, net als u?' zei Harvey. 'Nee
dank u.'
'Ik denk dat het je wel zou bevallen, Harvey Swick,' zei
Lupo. 'Je hebt al iets van een vampier in je.' Dat viel niet te ontkennen. Alleen al het woord deed hem
denken aan die Halloween-avond toen hij was opgestegen naar de
grote gele maan, met brandend rode ogen en tanden zo scherp als
scheermessen. 'Ik zie aan je gezicht dat je het nog maar al
te goed weet' zei Lupo bij het zien van de
vluchtige schittering van plezier op Harvey's gezicht.
Maar Harvey werd onmiddellijk weer ernstig. 'Ik wil hier niet
blijven,' zei hij. 'Ik wil gewoon terug waar ik recht op heb, en
dan wil ik hier weg.'
Lupo zuchtte. 'Het is treurig ,' zei
hij. 'Erg treurig. Maar als je wilt waar je recht op hebt,
dan heb ik je niets anders te bieden dan de dood. Carna?
Het beest hief zijn armzalige kop op.
'Verscheur hem! Voordat het ellendige monster
in beweging kon komen, krabbelde Harvey overeind. Hij wist dat hij
weinig kans had om Carna te snel af te zijn. Dus het had geen zin
om naar het luik te rennen. Maar was er geen andere manier om het
monster de baas te blijven? Als hij inderdaad een dief van Altijd
was, zoals Lupo beweerde, misschien was dan nu het moment
aangebroken om dat te bewijzen. Niet met stof of met gestolen
bezweringen, maar met de macht die hij zelf in zich had. Carna kwam
dreigend op hem af, maar in plaats van achteruit te deinzen strekte
Harvey zijn hand uit naar het schepsel, alsof hij het op zijn
rottende hoofd wilde kloppen. Het monster aarzelde. De uitdrukking
op zijn snuit werd iets minder bloeddorstig. Er verscheen twijfel
in de kleine zwarte oogjes. 'Verscheur hem...' gromde de Vampierkoning. Het monster boog zijn hoofd, in de
verwachting dat Lupo het zou straffen. Maar in plaats daarvan
voelde het Harvey's hand op zijn kop. Het ondier huiverde onder die
vriendelijke aanraking, hief zijn kop op en drukte die onder het
uitstoten van een lang diep gekreun tegen de binnenkant van
Harvey's hand.
Het was geen klaaglijk gekreun, en er klonk ook geen pijn in door.
Integendeel, het klonk dankbaar, omdat het monster misschien wel
voor het eerst in zijn bestaan niet met slagen of kreten van
afschuw werd begroet. Het beest hief zijn ogen naar Harvey op, en
er ging een rilling van genot door het monsterlijke lichaam. Het
beest scheen echter te weten dat dit hem fataal zou worden, want
het volgende moment deinsde het terug voor de troostende hand. De
rillingen verhonderdvoudigden, en plotseling spatte het gehavende
karkas in duizend stukken uiteen. De tanden die even tevoren nog zo
angstaanjagend hadden geleken, rolden over de vloer en verdwenen in
de duisternis. De massieve schedel spatte uit elkaar. De rug-
gegraat brak doormidden. Binnen enkele seconden was Carna niet meer
dan een berg verbrijzelde botten, zo droog en oud dat zelfs de
hongerigste hond er niet eens aan gesnuffeld zou hebben.
Harvey keek omhoog naar het gezicht in het dak en las daar slechts
totale verbijstering. Lupo had zijn mond wijd open gesperd, zijn
diepliggende ogen stonden verstard.
Harvey wachtte niet tot Lupo het stilzwijgen verbrak. Hij keerde
Carna's overblijfselen de rug toe en liep naar het luik, in de
verwachting dat het wezen in het dak het dicht zou gooien. Er kwam
echter geen reactie van Lupo. Pas toen Harvey zich uit het luik op
de overloop liet zakken en een laatste blik omhoogwierp naar de
vliering, toen pas begon Lupo te spreken. 'O mijn kleine
dief...' mompelde hij. Wat moet ik nu toch met je beginnen?