26 Het levende bewijs
Aan de rand van Lupo's domein zweefde nog
altijd de mistmuur, en het was daar dat de overlevenden zich
verzamelden om afscheid te nemen. Ze wisten natuurlijk geen van
allen, welke avonturen hen aan de andere kant van de mist te
wachten stonden. De kinderen waren stuk voor stuk in verschillende
jaren naar het Huis gekomen. Wachtte hun achter de muur hun eigen
tijd? Zou de kalender bij terugkeer inderdaad één, hoogstens twee
maanden verder zijn dan bij hun vertrek? 'Zelfs wanneer we de
gestolen jaren niet terugkrijgen, dan hebben we het toch aan jou te
danken dat we weer vrij zijn, Harvey,' zei Lulu. Ze stonden op het
punt om de mist binnen te stappen.
Overal in de kinderschare werd instemmend gemompeld, en hier en
daar viel zelfs een traan van dankbaarheid. 'Zeg iets,' siste
Wendell in Harvey's oor. 'Waarom?'
'Omdat je een held bent.'
'Zo voel ik me helemaal niet.'
'Dan zeg je dat.'
Harvey hief zijn handen op om een eind te maken aan het
geroezemoes. 'Ik wil alleen maar zeggen... dat we over een poosje
waarschijnlijk zullen vergeten dat we hier ooit zijn
geweest...'
'Nee, dat vergeten we niet,' zeiden sommige kinderen. Of: 'We
zullen altijd aan je blijven denken.' Maar Harvey hield vol: 'We
zullen het vergeten. We worden volwassen en we vergeten onze tijd
in het Huis. Tenzij...'
'Tenzij wat?' vroeg Lulu.
'Tenzij we onszelf er elke ochtend aan herinneren. Of er een
verhaal van maken, dat we aan iedereen die het wil horen
vertellen.'
'Ze geloven ons toch niet,' zei een van de kinderen. 'Dat doet er
niet toe,' zei Harvey. 'Wij weten dat het de waarheid is, en daar
gaat het om.' Er werd van alle kanten goedkeurend geknikt.
'Laten we naar huis gaan,' zei Harvey. 'We hebben hier al veel te
veel tijd verspild.'
Wendell gaf hem een por in zijn ribben terwijl het groepje zich
begon te verspreiden. 'Je had nog willen zeggen dat je je geen held
voelt,' zei hij.
'O ja,' zei Harvey met een ondeugende glimlach. 'Dat ben ik
helemaal vergeten.'
De eerste kinderen liepen de mistmuur in, verlangend om de gruwelen
van Lupo's gevangenis zo snel mogelijk achter zich te laten. Harvey
zag hen met elke stap die ze zetten vager worden, en hij wenste dat
hij even met hen had kunnen praten. Om te horen wie ze waren en hoe
ze in Lupo's klauwen waren beland. Waren het wezen, zonder thuis?
Of weglopers, zoals Wendell en Lulu? Of gewoon kinderen die zich
hadden verveeld, net als hij, en die zich door Lupo's illusies zand
in de ogen hadden laten strooien?
Hij zou het nooit weten. Ze verdwenen een voor een, tot alleen
Lulu, Wendell en hijzelf nog over waren. 'Nou,' zei Wendell tegen
Harvey. 'Als de tijd aan de andere kant inderdaad weer helemaal in
orde is, ga ik een paar jaar verder terug dan jij.'
'Dat klopt.'
'Als we elkaar ooit weer ontmoeten, ben ik ineens een stuk ouder
dan jij. Misschien herken je me wel helemaal niet.'
'Ik weet zeker dat ik je herken,' zei Harvey. 'Echt waar?' vroeg
Wendell. 'Echt waar.'
Ze schudden elkaar de hand, en Wendell stapte de mist in. Na drie
stappen was hij verdwenen. Lulu slaakte een diepe zucht. 'Heb jij
dat wel eens gehad? Dat je twee dingen tegelijk wilde? Terwijl je
wist dat je ze niet alletwee kon krijgen?'
'Ja, dat is me wel eens gebeurd,' zei Harvey. 'Hoezo?'
'Ik zou zo graag samen met jou volwassen willen wor- den, zodat ik
je vriendin kon zijn,' antwoordde ze. 'Maar ik wil ook graag naar
huis. Volgens mij was jij nog niet eens geboren in het jaar dat aan
de andere kant van de muur op me wacht.'
Harvey knikte verdrietig. Over zijn schouder wierp hij een blik op
de ruïne van het Huis. 'Ik denk dat we Lupo voor één ding dankbaar
mogen zijn.'
'Waarvoor dan?'
'Dat we samen kind zijn geweest.' Hij nam haar hand in de zijne.
'Ook al was het dan maar even.' Lulu probeerde te glimlachen, maar
haar ogen vulden zich met tranen.
'Laten we zo ver mogelijk samen gaan,' zei Harvey. 'Ja, dat zou ik
fijn vinden,' zei Lulu. Hand in hand liepen ze naar de muur. Vlak
voordat de mist zich om hen heen sloot, keken ze elkaar nog één
keer aan, en Harvey zei: 'Naar huis...'
Toen stapten ze de muur binnen. De eerste stap voelde hij Lulu's
hand nog in de zijne, maar bij de tweede werd het gevoel al zwakker
en bij de derde, toen hij de straat op stapte, was ze verdwenen,
terug naar haar eigen tijd waaruit ze al die seizoenen geleden naar
het Huis was gelokt.
Harvey keek op naar de hemel. De zon was al bijna onder, haar
rossige gloed bescheen de langgerekte wolkenmassa's hoog boven hem.
Er stond een stevige wind, en het zweet van angst en uitputting op
zijn gezicht en zijn rug werd op slag ijskoud.
Klappertandend van de kou begon hij aan de weg naar huis, door
donkere straten, onzeker wat hij thuis zou aantreffen.
En toen gebeurde er iets vreemds. Na alle gruwelen waar hij zo
dapper tegen had gestreden, werd zoiets onnozels als de wandeling
naar huis hem uiteindelijk te veel. Nadat hij een uur had gelopen,
kon hij ineens niet meer.
De verschrikkingen van meneer Lupo's Luilekkerhuis hadden hem zowel
geestelijk als lichamelijk volledig uitgeput. Zijn hoofd begon te
tollen, zijn benen begaven het, en hij zakte op straat in elkaar.
Gelukkig kregen twee voorbijgangers met hem te doen. Ze vroegen hem
vriendelijk waar hij woonde. Vaag bedacht hij zich dat het heel
gevaarlijk was om je toe te vertrouwen aan mensen die je helemaal
niet kende, maar hij had geen keus. Tot niets meer in staat moest
hij toestaan dat ze zich over hem ontfermden, in de hoop dat er in
de wereld waarin hij was teruggekeerd, nog altijd plaats was voor
mensen van goede wil.
Toen hij wakker werd, was het donker om hem heen. Gedurende één
bloedstollend moment dacht hij dat het duistere meer hem toch te
pakken had gekregen. Dat de diepe wateren hem hadden opgeslokt.
Gillend van angst vloog hij overeind, maar tot zijn grenzeloze
opluchting kwam het raam aan het voeteneinde van zijn bed hem maar
al te bekend voor, De gordijnen waren een klein eindje
opengeschoven, en buiten tikte de regen zachtjes tegen het glas.
Hij was thuis. Hij zwaaide zijn benen over de rand van het bed.
Alles deed hem zeer, alsof hij tien ronden tegen een kampioen
zwaargewicht had gebokst, maar hij vermande zich en strompelde naar
de deur.
Van beneden drongen vertrouwde stemmen tot hem door.
Tk ben gewoon blij dat hij thuis is,' hoorde hij zijn moeder
zeggen.
6Ik ook,' zei zijn vader. 'Maar we moeten weten waar hij heeft
gezeten.'
'Dat vertelt hij heus nog wel,' vervolgde zijn moeder. 'We moeten
hem gewoon niet te veel op zijn huid zitten.'
Zich vastklampend aan de trapleuning begon Harvey de trap af te
lopen. Beneden ging het gesprek tussen zijn vader en moeder
door.
'We moeten snel achter de waarheid zien te komen,' zei zijn vader.
'Ik bedoel, misschien heeft hij zich wel in de nesten gewerkt.
Joost mag weten wat hij heeft uitgehaald!'
'Zo is Harvey niet.'
'Nou, dat weet ik nog niet zo zeker. Je hebt toch gezien hoe hij
eruitzag? Onder het bloed en het vuil? Volgens mij heeft hij ergens
rozen gestolen of zoiets.' Onder aan de trap bleef Harvey staan,
een beetje bang om de werkelijkheid onder ogen te zien. Zou er iets
veranderd zijn, of waren die twee mensen die hij alleen nog maar
kon horen en niet kon zien, nog steeds dezelfde broze oudjes?
Hij liep naar de deur en duwde hem open. Zijn vader en moeder
stonden voor het raam, met hun rug naar hem toe naar de regen te
staren. 'Hallo,' zei hij.
Ze draaiden zich allebei tegelijk om, en Harvey slaakte een kreet
van blijdschap toen hij zag dat al het verdriet en alle gruwelen in
het Huis niet voor niets waren geweest. Daar stond zijn beloning:
hij keek omhoog in de gezichten van zijn vader en zijn moeder, en
ze zagen er weer net zo uit als vlak voordat Risus hem was komen
halen. De gestolen jaren waren terug waar ze hoorden, bij hèm,
Harvey Swick.
'Ik ben een goede dief,' zei hij, half tegen zichzelf. 'O,
lieverd,' zei zijn moeder, en ze kwam met open armen naar hem
toe.
Hij knuffelde haar, en daarna zijn vader. 'Wat heb je uitgevreten,
zoon?' vroeg die. Harvey herinnerde zich hoe moeilijk het de vorige
keer was geweest om alles uit te leggen, dus in plaats van het
zelfs maar te proberen zei hij: 'Ik heb wat rondgezworven in de
stad en toen ben ik verdwaald. Ik wil- de jullie niet ongerust
maken.' 6Je zei iets over een dief.'
'O?'
'Hou je maar niet van de domme,' zei zijn vader streng.
Tja... eh... ben je een dief als je iets pakt wat eigenlijk van jou
is?' vroeg Harvey aan zijn vader.
Zijn vader en zijn moeder keken elkaar niet-begrijpend aan.
'Nee, lieverd,' zei zijn moeder. 'Natuurlijk niet.'
'Dan ben ik geen dief,' antwoordde Harvey.
'Ik vind dat we recht hebben op de waarheid, Harvey,'
zei zijn moeder. 'We willen alles weten.'
'Alles?'
'Alles,' zei zijn vader.
En dus vertelde hij het hele verhaal, vanaf het allereerste begin.
De vorige keer hadden ze zijn avonturen weifelend aangehoord, maar
nu stond er ronduit ongeloof op hun gezichten te lezen.
'Verwacht je écht dat we dit allemaal geloven?' viel zijn vader hem
in de rede, toen Harvey vertelde over zijn ontmoeting met Lupo op
de zolder van het Huis. 'Ik kan jullie het Huis laten zien,' zei
Harvey. 'Of wat er van over is. De vorige keer kon ik het niet
vinden, omdat het zich verstopte voor grote mensen. Maar nu Lupo
weg is, heeft het Huis geen toverkracht meer om zich te
verstoppen.'
Wederom wisselden zijn vader en moeder een verbijsterde blik.
'Als je dat Huis-dat-eigenlijk-meneer-Lupo-was kunt vinden, willen
we het allebei graag zien,' zei zijn vader.
Ze gingen de volgende dag al vroeg op stap, en Harvey kreeg gelijk.
Deze keer werd hun de weg niet belet door toverkracht. Moeiteloos
vond hij de straten waar hij die eerste keer met Risus had gelopen,
en al spoedig kwam de helling in zicht waar ooit het Huis had
gestaan.
'Daar is het,' zei hij tegen zijn vader en moeder. 'Daar stond het
Huis.'
'Dat is gewoon een heuvel, Harvey,' zei zijn vader. 'Gewoon een
heuvel met gras erop.'
Het was inderdaad verrassend dat de plek waar zoveel
verschrikkelijke dingen waren gebeurd, al zo snel door gras was
overwoekerd.
'Het ziet er allemaal heel mooi uit,' zei zijn moeder, toen ze op
de plek kwamen waar de mistmuur had gestaan. 'De puinhopen van het
Huis liggen onder het gras. Dat zweer ik,' zei Harvey, terwijl hij
de helling beklom. 'Kom mee, dan zal ik het jullie laten zien.' Ze
waren niet de enige bezoekers die dag. Er werd druk gevliegerd,
want op de top van de heuvel stond een stevige wind. Bovendien
dolden er wel een stuk of tien honden over het gras, en kinderen
lieten zich lachend van de helling af rollen. Er liep zelfs een
verliefd stelletje dat elkaar lieve woordjes influisterde. Harvey
vond het vreselijk dat er zoveel mensen waren. Hoe konden ze hier
stoeien en lachen en hun vliegers oplaten? Dit was toch niet zomaar
een heuvel? Het liefst zou hij hun vertellen dat ze plezier maakten
op de puinhopen van het huis van een vampier. Dan zou hun het
lachen ongetwijfeld snel vergaan.
Hoewel, misschien was het eigenlijk maar beter zo, bedacht hij zich
toen. Beter dan dat er allerlei geruchten en verhalen over de
heuvel de ronde deden. De naam van meneer Lupo zou wel nooit over
de lippen van de tortelduifjes en de vliegeraars komen, en waarom
ook? Voor het kwaad van meneer Lupo was geen plaats in de harten
van mensen die gelukkig waren. 'En?' vroeg Harvey's vader, terwijl
ze gedrieën de heuvel beklommen. 'Dat Huis van je is wel goed
begraven.' Harvey ging op zijn hurken zitten, en hij begon met zijn
blote handen in de grond te graven. De aarde was zacht, en er steeg
een plezierige vruchtbare lucht uit op.
'Merkwaardig, vind je niet?' klonk een stem naast hem. Hij keek op,
met zijn handen vol zand. Een paar meter verderop stond een man die
misschien iets ouder was dan zijn vader. Hij glimlachte. 'Hoe
bedoelt u?' vroeg Harvey.
'De bloemen. De grond,' zei hij. 'Misschien heeft de aarde zijn
eigen toverkracht, goede toverkracht wel te verstaan, en heeft ze
Lupo's herinnering voorgoed begraven.'
'Kent u meneer Lupo?' vroeg Harvey. De man knikte. 'Nou en of.'
'Wat weet u er precies van?' vroeg Harvey's moeder. 'Onze zoon
heeft ons zulke vreemde verhalen verteld...'
'Ze zijn allemaal waar,' zei de man. 'U hebt ze niet eens gehoord,'
zei Harvey's vader. 'U moet uw zoon geloven,' zei de man. 'Ik weet
uit zeer betrouwbare bron dat hij een held is.' Harvey's vader keek
met een nerveuze glimlach naar zijn zoon. 'Meent u dat?' vroeg hij.
'Was u ook een van Lu- po's gevangenen?'
'Ik niet,' zei de man. 'Hoe weet u dit dan allemaal?'
De man keek over zijn schouder. Aan de voet van de heuvel stond een
vrouw in een witte jurk. Harvey keek naar haar. Hij probeerde haar
gezicht te onderscheiden, maar de schaduw van haar breedgerande
hoed maakte haar gelaatstrekken onzichtbaar. Hij wilde al overeind
krabbelen om naar haar toe te gaan, maar de man zei: 'Doe dat maar
niet, alsjeblieft. Ze heeft mij in haar plaats gestuurd, gewoon, om
even dag te zeggen. Ze herinnert zich jou zoals je bent, een kind,
en ze wil graag dat jij je haar ook zo blijft herinneren.'
'Lulu...' mompelde Harvey.
De man bevestigde noch ontkende dit. Hij zei alleen maar: 'Ik heb
veel aan je te danken, jongeman. Ik hoop dat ik net zo'n goede
echtgenoot voor haar zal zijn als jij een vriend voor haar
was.'
'Echtgenoot?' vroeg Harvey nauwelijks hoorbaar. 'De tijd vliegt,'
zei de man met een blik op zijn horloge. 'We zijn al laat voor de
lunch. Mag ik je de hand schudden, jonge heer?'
'Hij is vies,' zei Harvey, en hij liet de aarde door de vingers van
zijn rechterhand lopen.
'Ik kan me bij onze handdruk niets toepasselijkers voorstellen...
Deze grond heeft genezende krachten,' zei de man glimlachend.
Hij schudde Harvey de hand, en met een knikje naar Harvey's vader
en moeder daalde hij haastig de helling af.
Harvey keek naar de vrouw in de witte jurk. Hij zag dat ze knikte.
Zag dat ze naar hem glimlachte. Toen waren ze allebei verdwenen,
weg, de straat in. 'Kijk eens aan...' zei Harvey's vader. 'Het
schijnt dat die meneer Lupo van jou toch heeft bestaan.'
'Dus je gelooft me?' vroeg Harvey. 'Er is hier iets gebeurd,'
luidde het antwoord. 'En daarbij heb jij je als een held gedragen.
Dat geloof ik.'
'En dat is genoeg,' zei Harvey's moeder. 'Je hoeft niet te blijven
zoeken, lieverd. Wat het ook is dat hier begraven ligt, het kan
maar beter begraven blijven.' Harvey wilde het zand al uit zijn
linkerhand laten lopen, toen zijn vader zei: 'Geef dat maar aan
mij,' en hij hield zijn hand op.
'Meen je dat?' vroeg Harvey.
'Ik heb gehoord dat een beetje goede toverkracht nooit kwaad kan,'
antwoordde zijn vader. 'Heb ik gelijk of niet?'
Harvey glimlachte en liet het zand in de hand van zijn vader
lopen.
'Groot gelijk,' zei hij.
Vanaf dat moment was het leven in huize Swick voor- goed veranderd.
Hoewel er niet meer over meneer Lupo, het Huis of de groene heuvel
waar het eens had gestaan, werd gesproken, bleef Harvey's
raadselachtige avontuur op de achtergrond toch altijd een rol
spelen. Wanneer ze elkaar aankeken, wanneer ze samen lachten, er
was geen moment waarop Harvey en zijn ouders zich niet bewust waren
van wat er was gebeurd. Harvey wist dat zijn ouders slechts een
vaag idee hadden van wat hem was overkomen, maar over één ding
waren ze het alledrie eens: het was heerlijk om weer bij elkaar te
zijn.
Van nu af aan werd tijd iets heel kostbaars. Natuurlijk, de klok
bleef doortikken zoals hij dat altijd had gedaan, maar Harvey was
vastbesloten om geen tijd meer te verspillen met zuchten en klagen.
Ieder moment van de dag zou hij vullen met de seizoenen waar zijn
hart vol van was. Zijn verwachtingen van het leven waren als vogels
op een lentetak, zijn geluk de warme zomerzon, herfstige
mistflarden gaven het leven hun geheel eigen betovering, maar het
mooiste van alles was de liefde. Genoeg liefde voor wel duizend
kerstfeesten.