Hoofdstuk 26

Hij begreep er niets van. Ze had verdomme een huis gekregen en was er ook al ingetrokken. Dat ging dus behoorlijk de verkeerde kant op. Als hij niet optrad, zat ze daar voorgoed. Een paar dagen had hij bij Anouk gebivakkeerd, omdat de Van Eeghenstraat hem naar de strot vloog. Maar bij Anouk was hij ook weer gevlucht, toen zij eindelijk een keer de deur uit was om boodschappen te doen. Ze kende maar een handjevol onderwerpen om over te praten: de baby, met Eddie samenwonen in de Van Eeghenstraat, misschien wel trouwen (“Lijkt me zo romantisch!”), inrichting van het huis en geld. Over die thema’s kon ze urenlang doorgaan, terwijl hij halsstarrig probeerde om een televisieprogramma te volgen, ook al interesseerde het hem geen reet. Zelfs snooker- of dartuitzendingen waren een welkome tijdspassering. Toen ze het weer eens had over mooi kinderspeelgoed, herhaalde hij zo luid mogelijk de commentator: “ Hundred and eighty! ” Bij haar werd hij gillend gek. Als hij sterk aandrong, was ze in voor wat spaarzame seks, maar eigenlijk alleen recht-op-en-neer en liefst een vluggertje. Hij moest van haar afzien te komen, voorgoed. Een huisdier kon je in het bos achterlaten als je met vakantie ging, maar bij haar was dat jammer genoeg niet mogelijk. Niet meer naar haar toe, geen telefoongesprekken, en als ze in de Van Eeghenstraat verscheen, liet hij haar voor de deur staan. Die baby kon hij straks niet helemaal negeren. Ze zou misschien onderzoek laten doen met DNA of zo, en dan werd duidelijk dat hij de vader was (de vader is de dader, bedacht hij). Dat ging natuurlijk geld kosten, maar altijd veel minder dan hij nu aan haar kwijt was. Geld, dat was nog altijd een probleem. Een paar keer had hij tevergeefs geprobeerd om Maaswinkel te bereiken. Als die binnenkort niet zou dokken, dan moest Eddie andere inkomstenbronnen zien aan te boren.

In een gehuurd vw-busje stond hij zo’n honderd meter van de school. Na een minuut of tien kwamen de eerste leerlingen naar buiten. Eddie stak een sigaret op, maar drukte die snel uit. Hij meende Yuri te zien, maar het was een jongen die veel op hem leek. Kinderen…ze bleven uit die school komen alsof het einde van de stroom nooit zou worden bereikt; het was of ze aan de achterkant weer naar binnen gingen. Eddie dacht aan zo’n apparaat dat hij ooit had willen kopen voor een fontein in een vijver in de tuin, waarin het water werd rondgepompt. Die vijver was er nooit gekomen.

Yuri en Daphne gingen straks op de fiets naar huis, wist hij. Misschien was het nu een geschikte dag, maar als er andere kinderen bij waren, zou het ingewikkeld worden. Ja, Daphne. Zijn dochter, zijn bloedeigen dochter. Als vader had hij recht op haar, en zij op hem. De verwarring over het kind van Anouk probeerde hij van zich af te zetten. Dat lag heel anders.

Yuri voegde zich nu bij Daphne. Hij stond met een andere jongen te praten, die hem een paar speelse boksstoten verkocht. Yuri probeerde zich te beschermen.

“Sla terug,” fluisterde Eddie. “Laat je niet kennen. Geef ‘m een beuk!”

Yuri en Daphne stapten op de fiets. Daphne zwaaide naar een ander meisje.

“Gaat het?” vroeg Sylvia.

“Ja, gaat wel.”

De opvouwbare rolstoel zat al in de achterbak. Nick was op de plaats naast haar geschoven. Hij had licht tegengesputterd, voor de vorm leek het, toen ze had voorgesteld dat hij bij haar zou komen wonen. Tijdelijk, natuurlijk. Maar tijdelijk zou lang kunnen gaan duren. “Wat moet je in je eentje?” had ze gezegd. “Boodschappen doen, koken…ontzettend lastig als je niet langer dan een paar minuten kunt staan.” Yuri vond het leuk. Het was moeilijk om te voorspellen hoe Daphne zou reageren. Tot nu toe leek ze tevreden en gelukkig, maar soms zat ze voor zich uit te staren, alsof ze ergens diep over nadacht en niet tot een besluit of een oplossing kon komen. Sylvia vroeg een keer wat er was. “Niks…hoezo?” was de reactie. Waarschijnlijk de eerste tekenen van echt pubergedrag.

Eerder had Nick al te kennen gegeven dat hij voorlopig niet wilde denken over samenwonen. Dat was nog een brug te ver en misschien kwam het nooit aan de orde. Maar hij wilde wel een tijdje half loge-half patiënt zijn.

Ze reden richting Almere.

“Hier ongeveer hadden we toen die botsing.” Sylvia keek naar het profiel van Nick. De laaghangende zon scheen door zijn krullen.

“Botsing is een groot woord. Het was eerder zo dat je je auto beschaafd en voorzichtig in aanraking bracht met die van mij. Ik denk dat je het expres deed.” Nick glimlachte. “Je was op de versiertoer.”

Sylvia wilde protesteren, maar toen zei ze: “Dat is me dan gelukt. Dankzij die file misschien wel.” Met haar rechterhand streek ze even over zijn bovenbeen.

“Dit is het dan.” Sylvia haalde het contactsleuteltje uit het slot; ze stonden voor het huis.

Nick knikte. Ze bleven een tijdje zitten, zwijgend, alsof het de beste manier was om deze nieuwe werkelijkheid tot hen door te laten dringen.

Ze hielp hem in zijn rolstoel. Een buurvrouw van de overkant stond nieuwsgierig toe te kijken toen ze hem het huis binnenreed. Vrouw met invalide man. Gisteren had Sylvia al gebakjes gekocht. Nu maakte ze koffie.

“Lekker,” zei Nick.

Ze dronken koffie en aten bavaroisgebak. Citroensmaak. Sylvia wist dat hij dat lekker vond. Het was allemaal onwennig en vreemd, bijna alsof ze op een onbekende hotelkamer was, waar elk moment een medewerker van het hotel aan kon kloppen met de vraag of er verder nog iets van hun dienst was.

Ze stond op. “Ik zal je tas maar ‘ns uitpakken.” Uit zijn woning had ze op zijn aanwijzingen een tas met verschillende spullen meegenomen. Vooral kleren, maar ook een paar boeken, en enkele dvd’s, die ze op het tv-toestel legde. Ze had hier nog geen dvd-speler. De vraag was of ze er een zou moeten kopen of dat misschien de dvd-speler uit het huis van Nick…Maar dat was te duidelijk een voorschot op samenwonen. Toen hij pas in het ziekenhuis lag, had ze al een keer wat noodzakelijke dingen opgehaald. Het was vreemd geweest om alleen in zijn woning te staan, rond te lopen en dingen te zoeken; een inbreuk op de intimiteit van zijn privéleven. T–shirts van een kastplank, een spijkerbroek, onderbroeken uit een la. Ja, ze stond met die onderbroeken in haar hand. Bijna alsof hij nu geen geheimen meer had voor haar, terwijl ze wist dat die gedachte onzinnig was. In een andere la, waarin ze naar sokken zocht, zag ze een stapeltje brieven in enveloppen met Nicks naam en adres erop. Allemaal in een identiek handschrift. Ronde, enigszins kinderlijke letters…een typisch vrouwenhandschrift. Een van de enveloppen draaide ze om. Er stond op de plek van de afzender alleen een E met een hartje eromheen getekend.

Het boek dat ze nu in haar handen hield, had ze die eerste keer ook meegenomen, omdat het op een tafeltje naast een luie stoel lag met een ooit uit Griekenland door ene Matthijs verzonden ansichtkaart, waarschijnlijk als bladwijzer, erin geschoven. Maar in het ziekenhuis had hij niet veel gelezen. De vrouw die tegen de deur aan liep las ze nu van het omslag. “Daar was je toch in bezig?”

“Ja.”

“Is het goed?” Sylvia keek naar de vreemde foto. Twee sportschoenen in een openstaande oven. Daarboven een stomende fluitketel op het vuur. Roddy Doyle was de naam van de schrijver. Daar had ze nog nooit van gehoord.

“Tot nu toe wel,” zei Nick, “maar ik ben nog niet erg ver.”

Ze legde het boek op de tafel neer. “Nu heb je tijd genoeg om te lezen.”

Ze waren zich nergens van bewust. Eddie had voor zichzelf besloten dat het vandaag moest gebeuren, als ze tenminste niet zoals eergisteren met andere kinderen zouden oprijden. Een paar keer had hij met Sylvia gebeld—ze moest tenslotte een kans krijgen; daar was hij heel redelijk in—maar na een paar woorden had ze het gesprek steeds afgebroken. Eerst was hij langs haar nieuwe woning gereden. Haar auto stond daar vlakbij geparkeerd. Waarschijnlijk was ze thuis, maar door de vitrage was van enig leven niets te bespeuren.

Yuri en Daphne stapten op hun fiets. Straks kwamen ze op een speciaal fietspad, en hij zou hen moeten onderscheppen voor ze daar waren. Tussen de verschillende wijken lagen fietsen busroutes waar autoverkeer verboden was. Verdomd lastig allemaal. Eddie startte het vw-busje. Twee straten na de school ging hij hen voorbij. Toen de afstand groot genoeg was, zette hij de auto stil. Vlak voor ze hem zouden passeren, stapte hij uit de auto en bleef midden op de weg staan.

Ze remden. Daphne kwam bijna te vallen toen ze hem probeerden te ontwijken.

“Papa,” zei Yuri. “Wat doe jij hier?”

“Hoe is ‘t met jullie? Alweer een tijd niet gezien. Ik mis je, Yuri. Jou natuurlijk ook, Daph. Het is net of jullie gegroeid zijn. Bijna twee maanden en jullie zijn al weer een stuk groter geworden. Zeker door de gezonde buitenlucht hier.” Hij lachte even, maar de kinderen bleven ernstig kijken, bijna schuw, op hun hoede.

“Wat kom je doen?” vroeg Daphne.

“Jullie weer ‘ns zien. Wat dacht je anders? Jullie hebben toch een nieuw huis?”

Ze knikten.

“Bevalt’t?”

“Gaat wel,” zei Daphne.

“Jullie verhuizen nogal ‘ns. Ieder een eigen kamer?” Eddie had het vervelende gevoel met een verhoor bezig te zijn. Hij zou vragen blijven stellen, net als Brandsma tegenover hem.

Ze knikten weer.

Hij deed een paar stappen in hun richting.

“We moeten nu naar huis,” zei Daphne, “anders weet mama niet waar we blijven. Dan wordt ze ongerust.”

“Ik breng jullie even. Dan zetten we de fietsen achter in dit busje.”

“Heb je de Lexus niet meer?” vroeg Yuri.

“APK-keuring. Dat moet af en toe, en deze is handig met die fietsen.”

“Maar we kunnen…” begon Daphne.

Eddie had haar fiets al van haar overgenomen. “Ik zet ze er zo in. Geen enkel probleem.”

Sylvia had zich gehaast om van het pand voor de nieuwe salon op tijd naar huis te komen. Met Floor was ze druk bezig geweest met opruimen, schoonmaken en het weghalen van oude vloerbedekking. Ze vond het vervelend als Nick alleen thuis was wanneer de kinderen uit school kwamen. Eigenlijk zou ze hen zelf van school willen halen, maar daar waren ze fel tegen. “We zijn geen kleuters meer, mam!” Onderweg naar huis begon ze steeds sneller te fietsen.

Nick lag te lezen op de bank. “Die vrouw is wel tegen meer dan één deur aan gelopen. Wat een ellende!”

Ze zoende Nick. Als ze eenmaal bij hem was, sijpelde de angst weer weg. “Hoe dan?”

“Je moet het maar ‘ns lezen. Echt heel goed. Spannend ook, trouwens.”

Ze maakte thee en zette alvast een trommeltje met Sultana’s op tafel.

“Hoe is het met je been?”

“Redelijk. Maandag naar de revalidatie, maar dat had ik toch al verteld?”

“Ik zal je brengen.”

“Dat zal wel moeten.” Nick klonk verre van vrolijk. Sylvia wist dat het niet aan haar lag, maar hij had er de pest aan om afhankelijk te zijn. Af en toe kon hij ook nog kwaad worden vanwege het ongeluk. “Ik hoop dat ze hem te pakken krijgen, die wegpiraat,” had hij eerder gezegd. “Eigenlijk leek het wel een poging tot moord.” De politie had laten weten dat Eddie geen verdachte was. Ze hadden niets tegen hem kunnen vinden, net zoals bij de brand. Ook geen krasje op zijn auto, niets. “Toch denk ik dat hij het gedaan heeft,” had Sylvia volgehouden. “Bewijzen,” zei Nick, “Je moet het kunnen bewijzen.”

Ze keek op haar horloge. Over een minuut of vijf moesten ze thuis zijn. Voor het eten vanavond moest ze boodschappen doen, maar nu was het niet het moment om daarvoor de deur uit te gaan.

Nadat hij een paar voorzichtige oefeningen had gedaan, begon Nick, liggend op de bank, weer te lezen. Sylvia pakte de krant. Ze probeerde de berichten over het nieuwe kabinet tot zich te nemen, maar kon zich moeilijk concentreren. Samen leven en samen werken. Ze liet haar ogen vluchtig gaan over de pagina met rouwadvertenties. Haar ogen bleven haken aan de naam van ene Frans Reintjes. Toevallig, iemand die ook Frans Reintjes heette. Toen keek ze naar de geboortedatum. Verdomme, het was haar oude vriend, die ze nog geen week geleden had gesproken. Tien december 1968. De datum van zijn verjaardag. Het werd haar even zwart voor de ogen. Frans…zomaar dood. Ze vroeg zich af wat er was gebeurd. Ze legde de krant weg.

“Is er iets?” vroeg Nick.

“Een oude vriend…” Ze kon niet verder uit haar woorden komen. Beelden van Frans zoals hij het café binnen was gekomen, daar was gaan zitten en haar aankeek met die droevige ogen van hem, werden onderbroken door scènes van vroeger. Hoe hij haar thuis op kwam halen, hoe ze de stad in gingen, hun eerste echte vrijpartij vol schaamte en ongemak, zijn zichtbare, heftige verdriet toen ze het uitmaakte en erger: toen ze een paar weken later met Eddie ging. Niet eerder had ze zo sterk gevoeld dat ze hem had verraden.

Nick had haar een tijdje zwijgend aangekeken. “Wat is er met die oude vriend?” vroeg hij ten slotte.

“Overleden. Nog maar achtendertig jaar. Eigenlijk was-ie m’n eerste echte vriendje.” Ze begon nu de hele tekst van de advertentie voor te lezen. “Vol droefheid maar intens dankbaar voor wat hij voor ons heeft betekend…” Ze schoot vol, maar duwde haar tranen weg. “…en met respect voor zijn eigen keuze geven we kennis van het plotselinge overlijden van Frans Reintjes, directeur van CD-KING…Amsterdam, tien december 1968…Amstelveen 27 februari 2007…Annemiek Reintjes-Vermeulen, Rianne, Jorinde, Mitchel.” Ze las de tekst nog een paar keer over, legde de krant weg en liep naar het raam. Ze staarde naar buiten zonder iets te zien. Na een paar minuten ging ze weer zitten, haar hoofd in haar handen.

“Met respect voor zijn eigen keuze,” zei ze na een paar minuten.

“Ja,” zei Nick. “Dat kan maar één ding betekenen. Dan heeft-ie er zelf…”

“Ja, ik weet ‘t,” onderbrak ze hem. Opnieuw verscheen Frans in het café. Ze hoorde zijn stem, de dingen die hij had gezegd, en ze voelde weer dat hij voor haar onbereikbaar was gebleven.

Nick kwam moeizaam overeind, ging op de leuning van haar stoel zitten en sloeg een arm om haar heen.

“Een dag of zes geleden heb ik hem nog gesproken,” zei Sylvia. “Over vroeger, over Eddie. Hij was ook een vriend van Eddie. Die had hem bedrogen…met geld. Frans was helemaal wanhopig. Zijn hele bedrijf naar de knoppen, je weet wel, die grote cd-winkel, zo’n keten van winkels. Failliet, geld kwijt. Hij zei iets over het einde, en toen begreep ik niet wat hij echt bedoelde. Ik dacht dat-ie het had over het einde van die winkels.”

“Hij was niet ziek of zo?”

“Nee, somber…treurig, dat wel, maar dat hoorde op een of andere manier bij Frans. Als het vroeger zonnig was, vroeg hij zich altijd af hoe lang het mooi weer zou blijven.” Er stond een wrange glimlach op haar gezicht. “En als het regende, ging hij ervan uit dat het nog dagen, nee, weken zou blijven kletteren.”

En toen kwamen weer de tranen. Nick zei niets, maar hield haar stevig vast.

Na zich enkele minuten willoos te hebben overgeleverd aan haar verdriet, werd ze langzamerhand rustig. Nog een paar snikken, die diep uit haar binnenste leken te komen. “Frans,” zei ze, “Frans.”

Nick streelde haar voorzichtig.

Ze wierp een blik op haar horloge. “Daphne en Yuri hadden al minstens een kwartier thuis moeten zijn!”

“Ja, je hebt gelijk.”

“Waar zijn ze? Waar zijn ze naartoe?”

Nick probeerde haar gerust te stellen. “Er is vast een simpele verklaring. Ze zijn natuurlijk met andere kinderen mee.”

“Daar geloof ik niks van. Vooral Daphne weet verdomd goed dat ik hier niet tegen kan. Die zou nooit wegblijven zonder een telefoontje. Ze heeft ook geen SMS ’je gestuurd. Ik zal ze zelf even bellen.” Sinds ze in Almere woonden, had Sylvia liever dat ze hun mobieltjes mee naar school namen, wanneer ze die op school tenminste uitzetten. Daphnes telefoon stond niet aan.

“Telefoon staat nog uit,” zei ze tegen Nick, terwijl ze zich tegen de rug van de bank liet vallen.

Nick keek haar alleen maar aan.

“Waar zijn ze? Waarom belt ze zelf niet?”

“Misschien denkt ze er niet aan. Misschien heeft ze een vriendje. Je weet nooit, op deze leeftijd…”

Ze probeerde Yuri’s nummer. Hetzelfde resultaat.

Sylvia belde 112. Na lang wachten werd ze doorgeschakeld naar iemand die haar te woord kon staan. Nee, er was niets bekend over twee kinderen met wie iets aan de hand zou kunnen zijn. Nee, ook geen ongeluk gebeurd waar twee kinderen bij betrokken waren. Hoe lang de kinderen al zoek waren? Een klein halfuur. “Nou mevrouw, dan zou ik me maar geen zorgen maken. Die staan ergens stiekem een sigaretje te roken of zo. Of ze doen spelletjes die voor u en mij verborgen moeten blijven.”

Voor de zoveelste keer keek ze op het scherm van haar mobiel. Nee, geen bericht. Niets. Ze was het contact met haar kinderen kwijt. Opnieuw begon ze door de kamer te lopen. Het kon maar één ding betekenen.

Toen haar telefoon overging, schoot haar hart in haar keel. “Met Sylvia.”

“Hallo.” Onmiskenbaar de stem van Daphne, maar tegelijk hoorde Sylvia een soort regelmatig gebrom op de achtergrond.

“Daphne,” zei Sylvia. “Is Yuri daar ook?”

“Ja, die zit naast me.”

“Waar zijn jullie?”

“Bij papa.”

“Bij Eddie? Maar hoe…Jullie zouden toch naar huis komen?” Sylvia’s stem ging schril omhoog.

“Ja, maar papa haalde ons op. Hij zou ons naar huis brengen, naar jouw huis, en toen…”

Er klonken nu door elkaar pratende stemmen. Het duurde even.

“Wat is er aan de hand?” Sylvia zag hoe Nick haar met vragende ogen aanstaarde.

Ze haalde haar schouders op, terwijl ze wist dat haar gezicht in een lelijke kramp stond.

“Ja, met Eddie.”

“Waar ben je? Waar zijn jullie? Je moet…”

“Ze zitten veilig bij mij in de auto. We zijn onderweg naar Amsterdam, vlak bij Diemen nu. Ze gaan terug naar hun huis, naar waar ze thuishoren.”

“Ik wil…”

Eddie liet haar niet uitpraten. “Jij bent daar ook van harte welkom.”

Op de achtergrond hoorde Sylvia de stemmen van Daphne en Yuri, maar ze kon hen niet verstaan.

Er waren nu al twee dagen voorbijgegaan en er was niets gebeurd. Het leek of Eddie de kinderen gevangenhield in het huis in de Van Eeghenstraat. Hij had overal voor gezorgd, zelfs voor een PlayStation voor Yuri, had Sylvia begrepen. Nick troostte haar als ze huilde, fluisterde haar bemoedigende woorden in, en hield haar vast als ze dat nodig had. En dat was vaak. Ze wilde er voor hem zijn, nuhij haarnodighad, maar in werkelijkheid was hij er vooral voor haar. ‘s-Nachts kon ze vaak niet slapen. Overdag viel ze een keer van pure vermoeidheid op een stoel in slaap. Ze wilde Floor helpen in de salon, maar dat lukte niet. Een enkele keer dacht ze nog aan Frans, maar zijn dood was naar het tweede plan gedrukt. Even had ze overwogen contact te zoeken met zijn vrouw—zijn weduwe, bedacht ze, een woord dat volstrekt niet paste bij iemand van ongeveer haar eigen leeftijd—, maar daarvoor ontbrak het haar aan moed en energie. En wat zou ze moeten zeggen? Hoe zou ze kunnen troosten?

De angst zat in haar lijf, de angst zat in haar hoofd. Met Eddie kon ze alles verwachten. Die was volkomen onvoorspelbaar. Ongelooflijk stom van haar dat ze het niet had weten te verhinderen. Eigen schuld, eigen schuld, echode het voortdurend door haar hoofd. Natuurlijk had ze bij de school moeten staan. Nooit hadden ze alleen van school naar huis mogen fietsen. Maar tegelijk wist ze dat permanente bewaking of aandacht van haar onmogelijk was. Ze gingen mee met andere kinderen, maakten afspraken, fietsten naar judo of jazzballet, Yuri ging skaten. Krankzinnig dat ze dat gevaarlijk had gevonden, terwijl het echte gevaar ergens anders in school.

Nergens anders kon ze aan denken. Ze zette koffie en vergat volkomen dat ze dat had gedaan. Het eten liet ze aanbranden. “Niet erg,” zei Nick en zelf kon ze toch geen hap door haar keel krijgen. In de supermarkt bleek ze geen geld of pinpas bij zich te hebben. Als ze op straat kinderen van Daphnes en Yuri’s leeftijd zag, raakte ze volledig van de kaart. Ze had huilend op de fiets gezeten.

Soms brak het zweet haar aan alle kanten uit, de straaltjes liepen over haar rug en tussen haar borsten, als het kort door haar hoofd flitste wat deze toestand voor Nick betekende. Door haar was hij ook in de problemen geraakt. Tegelijk kon zij nu niets voor hem doen. Hij zou in zijn rolstoel de deur uit kunnen rijden en alles achter zich laten. Terug naar Amersfoort, terug naar een vreedzaam bestaan. Graag wilde ze er met hem over praten, maar het lukte haar niet de woorden te vinden.

Ze had de politie gebeld met de vraag of die iets konden doen. Na bijna tien keer heen en weer te zijn geschakeld, kwam er eindelijk iemand aan de lijn die haar niet met een rotsmoes afbrak, maar haar verhaal aanhoorde. Of ze al gescheiden waren en de kinderen aan haar als eerste voogd waren toegewezen? Nee, dat was niet het geval. Dan stond de politie in feite ook machteloos. Toen herinnerde ze zich de naam van Brandsma, en vroeg naar hem. Dezelfde middag kreeg ze de rechercheur aan de telefoon. Hij liep over van begrip (“Eddie lijkt me inderdaad niet erg betrouwbaar, maar dat hoefik u natuurlijk niet te vertellen.”), maar kon niets doen. Op school had ze Daphne en Yuri ziek gemeld. “Allebei ziek? Zeker elkaar aangestoken,” concludeerde de conciërge.

Omdat ze hoopte dat hij een uitweg wist, had ze contact gezocht met Lichteveld, de advocaat die de echtscheiding zou regelen. Hij bleek een kleine week met vakantie in Portugal te zijn. Ze kreeg een collega aan de lijn, die uitlegde dat hij in deze kwestie helaas niets voor haar kon betekenen.

Een paar keer had ze met de kinderen gebeld, maar het had net geleken of echt contact niet mogelijk was, of ze achter een scherm zaten, waardoor ze zich niet helemaal bloot konden geven. Sylvia had begrepen dat ze zich begonnen te vervelen. “Maar papa heeft gezegd dat we binnen moeten blijven tot jij weer in Amsterdam bent. Kom je?” Daar had ze negatief op gereageerd, hoeveel pijn het ook deed. “Moet je soms bij Nick blijven?” had Daphne gevraagd. “Nee, daar gaat het niet om.”

Dit zou ze niet lang meer vol kunnen houden. Eddie was grillig, onvoorspelbaar, onbetrouwbaar. Soms was ze bang dat hij de kinderen iets aan zou doen, misschien om haar zo heftig mogelijk te raken.

Natuurlijk had ze contact met Eddie gezocht. Hij deed opgewekt en schijnbaar makkelijk. Nu ook weer. “Dag, Syl, leuk dat je belt. Hoe is’t?”

Woede en angst maakten het haar bijna onmogelijk om te praten. Ze moest eerst iets wegslikken. “De kinderen…Daphne en Yuri, die…die moeten terug, dat weet je best.”

“Kom, zeg…moeten, moeten? Er moet niks. Ik moet in ieder geval niks van jou. Daphne en Yuri hebben het hier heel goed naar hun zin, en het is volgens mij het beste als jij ook hiernaartoe komt.”

Met trillende hand pakte ze het glas water en nam een slokje. “Nee, de kinderen horen hier…hier bij mij.”

“Kom naar Amsterdam. Dat willen we alle drie. Dat is het beste, voor jou, voor de kinderen, voor iedereen.”

Toen dacht ze aan de dood van haar oude vriend, die ook een oude vriend van Eddie was geweest. “Weet je het al van Frans?” vroeg ze.

“Ja, ik heb het gehoord. Echt iets voor Frans om er stiekem tussenuit te knijpen.”

“Hoe kan je dat zeggen? Jij hebt…”

Eddie verbrak de verbinding.