Hoofdstuk 21

Floor huilde geluidloos. Af en toe ging er een schok door haar lichaam alsof ze ergens fysiek door getroffen werd, waarna ze zich moeizaam herstelde. Sylvia sloeg een arm om haar schouder, wreef over haar rug, fluisterde goed bedoelde, opbeurende woorden, maar wist dat die geen betekenis hadden. Ze keken naar de zwartgeblakerde resten van de salon, de nog rokende puinhopen, en de mannen van de brandweer die bezig waren met nablussen. De woningen boven de salon waren ontruimd. Mensen stonden ontredderd te kijken naar wat nog maar enkele uren tevoren hun huis was geweest.

Sylvia had Nick al aan de telefoon gehad. Hij bood aan om direct naar Almere te komen, maar dat wilde ze niet. Ze had vooral gebeld om even zijn stem te horen.

“Alles is weg.” De tranen liepen weer over Floors wangen. “Wat moet ik nou?”

Opnieuw beginnen, wilde Sylvia zeggen, maar ze begreep dat het op dit moment een misplaatst advies zou zijn. “Ik weet ‘t niet. Het is verschrikkelijk.”

Een politieman leidde hen naar een auto. “Technische recherche.” Hij liet een legitimatie zien. “Ik zou graag alvast het een en ander vragen. Kan dat? U begrijpt dat er in dit soort gevallen altijd een onderzoek wordt uitgevoerd. Maar dat doen we pas morgenochtend als er geen gevaar meer is voor instorten.”

Floor knikte. “Kan Sylvia bij me blijven? Ze werkte in de zaak.”

Ze stapten in de auto.

“Dit was, geloof, ik een huurpand, is ‘t niet? En de inventaris, was die verzekerd?”

“Ja.”

De politieman zat voor in de auto. Hij maakte een paar notities. “U was thuis vannacht?”

“We lagen te slapen. Ik werd wakker gebeld.”

“Dat was om…eh, halfvier ongeveer?”

“Ja, vijf over halfvier.” Floors stem zwabberde al iets minder.

“Is er de laatste tijd misschien iets aan de elektrische installatie veranderd of had u recentelijk problemen met de elektriciteit?”

“Nee, nooit gehad ook. Hoezo?”

“Er is altijd een kans dat zo’n brand het gevolg is van kortsluiting. Verder moeten we natuurlijk rekening houden met brandstichting.”

“Brandstichting?” vroeg Floor. “Maar waarom zou iemand zoiets doen?”

“Dat moeten we nu juist aan u vragen. Ik heb het er net over gehad met de brandmeester. Op het eerste gezicht zou het brandstichting kunnen zijn geweest. Mogelijk benzine of een andere brandbare stof.”

“Maar wie zou dat…?” Floor sloeg een hand voor haar mond.

“Geen tegenstanders, geen ruzies, geen conflicten?” probeerde de politieman. “Niet iemand die eropuit was uw zaak kapot te maken? Of uzelf misschien?”

“Nee, en trouwens Johan zou zoiets nooit doen.”

Het klonk vreemd, dat Floor zomaar over Johan begon, alsof die op een of andere manier verdacht zou kunnen zijn.

“Johan?”

“Ja, m’n ex, die woont in Groningen.”

De politieman maakte een paar aantekeningen, vroeg volledige naam en telefoonnummer, en keek daarna peinzend voor zich uit.

Onweerstaanbaar kwam bij Sylvia naar boven wat Eddie had gezegd over de kapsalon, over haar werk. Volgens Floor zou Johan zoiets nooit doen, maar Eddie? Als ze eraan dacht, kreeg ze het benauwd. Die blik in zijn ogen. Die trek om zijn mond.

Eddie kon zich niet inhouden, en twee dagen na zijn nachtelijke bezoek belde hij Sylvia. “Hoe is het met je?”

“Goed.”

“Alleen maar goed?”

“Ja, dat is genoeg.”

Meer zei ze niet. Ze vroeg dus niet hoe het met hem ging. Zeker niet meer in geïnteresseerd. Maar dat zou veranderen, daar zou hij hoogstpersoonlijk voor zorgen. Anouk had hij duidelijk te verstaan gegeven dat ze niet moest rekenen op de Van Eeghenstraat.

“En…eh, hoe is met je werk?” Hij waagde het erop, en wilde zijn triomf opnieuw beleven via haar reactie.

“Goed.”

Even was hij uit het veld geslagen. In de krant had hij driftig gezocht naar een berichtje over een brand in Almere, maar dat was nergens te vinden. Als er geen mensen het leven lieten, was het kennelijk niet interessant genoeg. “O, dus nog altijd goed. Veel klanten…Je kan je brood ermee verdienen?”

“Wat wil je?” vroeg Sylvia.

“Hoezo? Ik ben alleen maar belangstellend. Ruim vijftien jaar zijn we samen geweest. Vijftien jaar, dat is niet niks. Dan mag ik toch wel vragen hoe het met je gaat, hoe het met je werk is?”

“Goed. Dat heb ik al gezegd.” In haar stem klonk wantrouwen door. “Maar waarom vraag je naar m’n werk, en niet naar je eigen kinderen. Ben je dan niet…?”

“Ja, hoe is het eigenlijk met Daph en Yuri?”

“Uitstekend. Ze hebben het hier geweldig naar hun zin.”

“In Almere? Sorry, hoor, maar dat kan ik me niet echt goed voorstellen.”

“Had je verder nog iets?” Sylvia werd een ambtenaar, die straks haar loket met een forse klap zou sluiten.

“Ja, ik wou over het geld…”

“Ik praat morgen met mijn advocaat. Die zal een voorstel doen voor de alimentatie, de inboedel van de Van Eeghenstraat en andere financiële kwesties.”

“Maar ik wil helemaal niet scheiden. Ik wil dat jullie hier terugkomen. Jullie moeten…”

Sylvia had de verbinding verbroken.

Eddie vloekte en kon zich er maar net van weerhouden het toestel keihard tegen de muur te gooien. Hij haalde een borrel. Na een paar slokken begon hij zich iets beter te voelen. Hij schonk zijn glas bij. Daarna toetste hij het nummer van Charly in, die gelukkig bereikbaar was. Over een uurtje zouden ze elkaar kunnen ontmoeten in Americain. Hij liep naar boven om zich te verkleden. Nergens was meer een schoon overhemd te vinden. Al drie dagen liep hij in dezelfde onderbroek.

In Americain moest hij bijna een halfuur wachten voor Charly verscheen. “Sorry, er kwam wat tussen. Jij hebt al wat?”

Eddie wees naar zijn glas. “Bestel er nog maar een. Kan ik wel gebruiken.”

Toen er een kelner langskwam, vroeg Charly een whisky en een rode Spa.

Eddie was verbaasd, maar zei niets.

“Hoe is ‘t nou met Syl?” vroeg Charly.

Eddie haalde zijn schouders op.

“Nog altijd in Almere?”

Eddie knikte en hield Charly zijn pakje Marlboro voor.

Charly glimlachte. “Dank je, ik rook niet meer.” Hij wees naar de vet beletterde tekst op het pakje. “ROKEN is DODELIJK.”

“Ja, en van leven ga je dood. Kolere, straks ga je me zeker vertellen dat je in training bent voor de marathon.”

“Ze is dus nog niet terug,” zei Charly. “Dan komt ze waarschijnlijk ook niet meer. Hoe lang is het nou?”

“Een paar maanden. Maar daar in Almere redt ze het niet, dat weet ik zeker.”

“Brandsma is ook bij mij langs geweest, samen met die Waldheuvel of Waldhoven. Ze weten geen moer, maar als Sylvia echt gaat praten, dan zijn we de lul. Jij hebt alles uit je poten laten vallen, man.”

Eddie drukte zijn sigaret uit. “Het komt allemaal goed.”

Charly schudde zijn hoofd. “Dat heb je al eerder gezegd, en het wordt alleen maar erger.”

“Geloof ik niks van. Laten we het over wat anders hebben.” Eddie dempte zijn stem. “Een nieuwe zending. We kunnen er straks in je auto verder over praten.” Hij keek om zich heen. “Ga anders met me mee naar de Van Eeghenstraat.”

“Ik kijk wel uit.”

“Daar is niks…niemand.”

“Ik zit trouwens al met Oscar en Milano in een nieuwe deal. We kunnen er niemand meer bij hebben. Investering is rond, en jij hebt gezegd dat je niet veel te makken hebt, dus wat moeten we dan met jou? Betaal eerst die vijf rooie maar ‘ns terug. Ik vind het lullig om te zeggen, maar…” Er kwamen twee jonge vrouwen langs, naar wie Charly goedkeurend keek. “Niet verkeerd, die twee, helemaal niet verkeerd. Maar goed, voor die deal hebben we jou dus niet nodig. Eerlijk gezegd ben je dan alleen maar ballast.”

“Ballast!” siste Eddie. “Ballast! Shit, man, ik was er altijd bij.” Hij had het idee aan de rand van een afgrond te staan, waarvan hij de diepte niet kon inschatten.

“Ja, je was er altijd bij…was. Vroeger, voorheen. Maar de zaken zijn veranderd. Als we jou er nu bij halen, dan weten we niet wat de consequenties zijn. Daar moet je begrip voor hebben.”

Eddie probeerde zijn stem te dempen. “Jij bent ooit via mij in deze business begonnen. Ik heb jou van alles geleerd, ik heb de contacten gelegd, ik heb de eerste deals geregeld. Het waren mijn leveranciers en het waren mijn klanten.”

“Dat is allemaal verleden tijd.” Charly nam opnieuw een miniem slokje Spa.

Eddie probeerde de aandacht van een kelner te trekken.

“Je drinkt trouwens te veel. Pillen ook, zeker? Dat is niet goed, daar ga je op een gegeven moment aan kapot.”

I can handle it.”

“Ja, dat zeggen d’r zoveel en die hebben allemaal niet in de gaten dat ze het juist niet meer in de hand hebben.” Charly keek hem indringend aan. “Ik zie het in je ogen, man. Je spoort niet meer.”

“Ik heb ‘t effe een beetje moeilijk, maar als ik eenmaal weer een goeie klus heb, dan gaat het een stuk beter. Zeker weten…absoluut!” Eddie probeerde een opgewekt gezicht te trekken. “En als Sylvia en de kinderen terug zijn, dan is het weer net zoals vroeger.”

“Eerst zien, dan geloven,” zei Charly met een uitgestreken gezicht.

“Ze komen terug, ik weet ‘t zeker.” Hij zou Charly willen vertellen over de brandstichting, maar het leek beter om dat voor zich te houden. “Laten we samen nog een borrel nemen.”

“En wat deed je eergisteren bij de cops? ” vroeg Charly, vanuit een hinderlaag, leek het wel.

Eddie schoof op zijn stoel naar voren. “Hoe weet jij dat?”

“Ik hoor af en toe wel ‘ns wat. Ik heb overal mijn mannetjes. Dat ben jij vergeten, Eddie. Jij staat alleen. Er is niemand meer die jou nog helpt, die jou informatie geeft. Maar vertel ‘ns. Wat deed je daar, op dat bureau?”

“O, een misverstand, een verkeersovertreding, en we kregen een beetje ruzie, dat was alles.”

Eddie probeerde de ogen van Charly te ontwijken. Die ogen, donkerbruin en wantrouwend, geloofden hem niet. “Maar ik heb voor de komende tijd nog vier mille nodig. Kan je me die nog efife voorschieten?” Hij wist zeker dat Maaswinkel binnenkort zou betalen. Anders zou Sylvia wel terugkomen, met het geld dat ze had meegepikt uit de Van Eeghenstraat. Nu had hij heel hard cash nodig om het gat te overbruggen.

“Ik zit ook een beetje krap,” zei Charly met een uitgestreken gezicht, “vanwege die investering. En je moet eerst die vijf maar ‘ns terugbetalen.”

In huis haalde hij voor de zoveelste keer alles overhoop op zoek naar geld. Er waren zoveel plekken geweest waar ze geld hadden verborgen. Eddie rekende er niet op dat Charly met de vierduizend euro op de proppen zou komen. Het geld…Sylvia…Als zij terugkwam, nam ze het geld mee. Maar dan moest ze het nog niet hebben uitgegeven. Hij moest opschieten.

Irina was inderdaad niet meer verschenen. Stomme Poolse kut. Hij keek om zich heen en nam de chaos in zich op. Even overwoog hij om Anouk hiernaartoe te laten komen en de stofzuiger in haar handen te duwen, maar dan kon hij net zo goed meteen zijn nederlaag toegeven. Bovendien leek Anouk niet de grootste fan van huishoudelijk werk. Hij schonk het laatste bodempje Johnny Walker uit en bestelde bij Domino een pizza.

Op de bank was hij in slaap gevallen. Tegen twee uur ‘s nachts werd hij wakker. De overgebleven driekwart pizza propte hij met doos en al in een vuilniszak. Na een beurtelings zo heet mogelijke en koude douche voelde hij zich opvallend fit. Hij nam een pil, stapte in de Lexus en reed aan de oostelijke kant de stad uit. Het was stil op de weg, maar hij hield zich krampachtig aan de maximumsnelheid. In Almere parkeerde hij enkele honderden meters van de uitgebrande kapsalon. Misschien was het niet zonder risico, maar hij wilde het opnieuw in zich opnemen, om het echter, werkelijker te maken. Er viel jammer genoeg niet veel te zien. Het pand was afgesloten door houten schotten. Mooie houten schotten, waar al een paar affiches van een popconcert op geplakt waren.

Hij liep terug naar de auto en reed naar het huis van Floor. Zij was van haar man af, had hij begrepen. Had hem waarschijnlijk het leven onmogelijk gemaakt en vervolgens het huis uit gepest. Floor, die altijd het laatste woord wilde hebben. Eddie herinnerde het zich van vroeger. Met Sylvia zou ze lekker kwaadspreken over mannen, over hun eigen mannen. Zelfwaren ze engeltjes die alleen maar het beste wilden voor iedereen. Mannen, dat waren de grote boosdoeners. Behalve dan natuurlijk die nieuwe kerel die Sylvia had opgedoken, die judoleraar. Het was toch verdomme onmogelijk. Nog maar een paar maanden bij hem vandaan, en nu al een ander. Ze liet er geen gras over groeien. Een leuk voorbeeld voor haar dochter! Die man…hij zou makkelijk kunnen achterhalen wie dat was, waar hij woonde, wat hij in zijn vrije tijd deed, afgezien van Sylvia een beetje opgeilen.

Eddie stapte uit de auto en liep naar het huis. Hij zou aan kunnen bellen. Of anders: uit een belendende tuin een tegel of een andere steen pakken, om het glazen raampje van de deur in te slaan. Ze zouden zich rot schrikken. Maar dan verder? Hij liep om het huizenblok heen en benaderde de woning van de achterkant. Op het pad stond een lantaarnpaal. Hij wrikte een steen los, en met zijn tweede poging lukte het hem om de lamp kapot te gooien. Waar sliep ze, waar lagen Yuri en Daphne? Toen drong het tot hem door dat Sylvia hier misschien helemaal niet was, maar in het bed van die judoleraar lag, dat hij nu met haar lag te vrijen, dat ze zijn lul…Het kostte hem de grootst mogelijke moeite om het niet van woede uit te schreeuwen.

Sylvia kon de slaap niet vatten. Soms was ze er dichtbij, maar dan was het net of er iets op kwam zetten, dat zich vervolgens weer pesterig van haar verwijderde. Ze wilde uit haar bewustzijn zakken, alle vragen en problemen achter zich laten en zich overgeven aan…aan niets, aan een donkere, onbestemde wereld, waaruit ze morgenochtend wakker zou worden, en waarin niets was opgelost. Morgen zou Floor duidelijkheid krijgen over een vervangende ruimte voor de salon in een nabijgelegen winkelpand waarin nu een treurig failliete slijterij zat. Het huis in de Muziekwijk was niet doorgegaan, omdat een andere, meer urgente woningzoekende voorrang had gekregen. Voor volgende week had ze een afspraak gemaakt met een advocaat. Alimentatie zou ze alleen voor Yuri en Daphne vragen, maar ze wist nog niet wat ze met de pakken bankbiljetten in de Eastpakzou doen. Ze had geen idee hoeveel het was, en had ook geen zin om het te tellen. Het was besmet geld. Als ze er gebruik van zou maken, dan kwam er alleen ellende van. Maar ze weigerde om het terug te geven aan Eddie. Om een of andere reden klopte dat niet. Het geld moest een andere bestemming krijgen. Even dacht ze aan een goed doel, kinderen in de Derde Wereld bijvoorbeeld.

Toen schoot zomaar Frans in haar hoofd, en het verhaal dat Eddie haar trots had verteld. Hoe hij Frans had bedrogen. Natuurlijk had Eddie zo op een kinderachtige manier wraak willen nemen vanwege hun verleden. Frans, het eerste vriendje met wie ze naar bed was geweest. Twee onhandige, zoekende en twijfelende pubers…Frans had het eerst niet willen toegeven, maar zij was voor hem net zo goed de eerste.

Ze dacht een rinkelend geluid te horen en ging overeind in bed zitten. Het bleef stil, maar de slaap dreef nu steeds verder weg. Ze stapte uit bed, deed geluidloos de deur naar de gang open en liep naar de keuken. Bij het aanrecht dronk ze een glas water. Ze keek naar buiten. De lantaarn die bijna recht achter de tuin stond, brandde niet. Achter de heg die het tuintje van het achterpad scheidde, meende ze toch iemand te zien staan. Ze dook weg achter de kast en keek nog eens goed. Stond daar inderdaad een man naar de achterkant van het huis te kijken? Het kon ook gezichtsbedrog zijn. Ze bibberde van de kou en misschien ook van iets anders.