Hoofdstuk 2

Yuri zette zijn fiets op slot en gaf Sylvia de sleuteltjes. Om hen heen arriveerden andere ouders met hun kinderen, verschillende met een moderne bakfiets. Toen ze hier twee jaar geleden voor het eerst stond, had ze de indruk dat veel opa’s en oma’s hun kleinkinderen naar school kwamen brengen, maar dat was niet het geval: er waren simpelweg veel oudere ouders bij. Vrouwen die pas tegen hun veertigste hun eerste kind hadden gekregen, met een man die meer dan een handvol jaren ouder was. Voor die vaders waarschijnlijk vaak een tweede leg.

Ze ging mee naar binnen, omdat Yuri gisteren met een andere jongen had gevochten tijdens het speelkwartier. Hij had ruzie gekregen met Rogier. Er was een vechtpartij ontstaan, die door de surveillerende leerkrachten in de kiem was gesmoord; met geweld hadden ze de jongens uit elkaar moeten trekken. Dit was het moment om het uit te praten, met juf Ine erbij. Rogiers moeder, Madeleine, was er ook. Rogier had een blauwe plek op zijn wang. Aan Yuri was niets te zien. Natuurlijk gaven ze elkaar de schuld.

“Jullie waren dus samen begonnen,” zei juf Ine vredelievend.

“Nee, Rogier, die greep me vast, en toen trok ik me los, en toen begon die eikel me te stompen.”

“Hé, hé,” zei Sylvia, “dat soort dingen zeggen we hier niet.” Nee, hier op deze keurige school niet, en thuis zou ze misschien wat meer op Yuri’s taalgebruik moeten letten, maar als Eddie het al had over een shitwedstrijd en een kutprogramma, wat kon ze dan anders van Yuri verwachten?

Ine glimlachte. Madeleine sloeg een beschermende arm om haar zoon heen.

Yuri keek stuurs voor zich uit. Zo was hij precies Eddie in het klein. Boze, donkere ogen, zijn vuisten gebald, alsof hij er zo weer op los kon slaan.

“Jullie geven elkaar een hand,” zei Ine, “en jullie beloven dat je zoiets niet meer doet. Als het weer gebeurt, dan kunnen jullie in de pauze binnen blijven. Begrepen?”

Met Madeleine liep ze de school uit. Haar zoon zat dit jaar voor het eerst bij Yuri in de klas. Hij kwam van een andere school, ergens uit het zuiden van Nederland.

“Hè,” zei Madeleine. “Ik heb zin in koffie. En jij?”

Sylvia haalde haar schouders op.

“Ga je mee? Dan gaan we even naar de PC. Ben je op de fiets? Ja, ik ook. Die kunnen we hier wel laten staan.” Nog maar net in Amsterdam, en nu had ze het over de PC Hooftstraat alsof die al jaren bekend terrein was.

“Sorry, maar ik heb een afspraak. Naar de tandarts,” verzon Sylvia. “Misschien een andere keer.”

Sylvia pakte haar fiets en reed naar het Vondelpark, waar ze op een bankje ging zitten. Zo’n tien meter verder zaten twee dakloos ogende mannen. Ieder met een groot blik bier en een sigaret, en aan hun voeten een plastic tas, waarschijnlijk gevuld met meer blikken. Een van de twee had een warrige haardos en baard. De ander was kaal. Ze keken in haar richting, maar deden niets, zeiden niets. Als op afspraak hieven ze synchroon hun rechterarm om een slok bier te nemen. Daarna staarden ze weer voor zich uit.

“Proost,” mompelde Sylvia.

“Tsjeses…Frans. Dat is een tijd geleden.” Eddie had hem onmiddellijk herkend. In zijn gsm zei Eddie: “Ik bel je morgen terug over die nieuwe zending. Oké?” Hij liet het toestelletje in zijn binnenzak glijden. De deal leek in orde. Alles was onder controle. Oscar zou erbij zijn als de lading binnenkwam.

“Ja, een jaar of twaalf, schat ik,” zei Frans. “Is die stoel vrij?”

“Bijna vijftien jaar volgens mij.” Eddie wist het nog precies, en het leek niet waarschijnlijk dat Frans het was vergeten. Dat soort dingen, die zakten niet weg uit je geheugen.

Half lacherig keken ze elkaar aan. Binnen een minuut vijftien jaar overbruggen bleek niet eenvoudig. Nou ja, die vijftien jaar, daar ging het niet direct om, eerder om wat er daarvoor was gebeurd. Pijnlijk? Ja, maar dat hoorde erbij.

Hij vroeg wat Frans wilde drinken.

“Doe maar een spaatje…rood graag.”

Frans zag er goed uit. Netjes, beschaafd, een heer, in een perfect gesneden pak. Wat was het vroeger geweest? Een spijkerbroek en een sweatshirt. Frans was zijn lange haar ook kwijt. Bovenop begon hij al aardig kaal te worden, zag Eddie tot zijn genoegen. Misschien dat Frans zich daarom zo kort had laten knippen. Hij had nog altijd een beetje een trouwe hondenkop met van die droevige ogen en daaronder forse wallen. Een paar jaar geleden had Eddie voor het laatst een fotootje van hem in de krant gezien, toen er allerlei discussies waren over het onder de prijs verkopen van boeken in zijn platenzaken.

Eddie wenkte een kelner, een jonge man die hij hier niet eerder had gezien. “Een rooie spa en voor mij nog een keer hetzelfde.” Hij wees naar zijn glas.

“Zo…” Frans keek om zich heen. “Mooie zaak. Je komt hier veel?”

“Regelmatig.” Het was duidelijk dat Frans bepaald niet toevallig binnen was komen lopen, maar Eddie had geen zin om het hem makkelijk te maken.

“Nog altijd in…eh, in zaken?” vroeg Frans. “Dezelfde zaken, bedoel ik.”

“Ja, waarom niet?”

“Je verdient goed?”

Eddie leunde achterover. “Ik mag niet klagen.”

“Beter dan vroeger?” vroeg Frans. “Zeker niet meer van die kleine pestpartijtjes van een paar kilo. Dat heb ik me tenminste laten vertellen.”

“Door wie?”vroeg Eddie.

“Ach, je hoort wel ‘ns wat.”

De kelner zette hun drankjes neer.

Eddie pakte zijn glas. “Proost.”

“Proost.” Frans nipte van zijn spa alsof het een dure cognac was.

“En jouw zaken?” vroeg Eddie. Toen ze hun samenwerking hadden moeten opbreken, was hij de carrière van Frans half en half blijven volgen. Van de eerste platenzaak in de Spaarndammerbuurt tot de keten cd-winkels waar hij nu zijn geld mee scheen te verdienen. Absoluut anders dan hoe ze samen begonnen waren: heel simpel een beetje hasj naar wat coffeeshops, in het begin alleen in de Spaarndammer- en de Staatsliedenbuurt. Spannend en het betaalde goed. Toen het groter werd, begon Frans hem al een beetje te knijpen, maar na Sylvia was het pas echt afgelopen.

Ondanks zijn riante winkels maakte Frans een benauwde indruk, alsof iemand hem stevig bij zijn ballen had en het verdomde om los te laten. Maar misschien betekende het niet veel. Frans was nooit erg vrolijk of opgeruimd geweest.

“Kon beter,” zei Frans en hij nam alweer zo’n wijvenslokje.

“Waarom?”

“Mensen kopen geen cd’s meer. Ze downloaden alles van internet. Dus ben ik met computers begonnen, games, dat soort dingen.”

“En? Dat is toch dé business tegenwoordig?”

“Dat zeggen ze, ja…”

Eddie wist nu zeker dat Frans hier met een speciaal doel was gekomen. “Maar dat is dus niet zo?”

“Niet altijd, nee.” Er zat niemand in hun buurt, maar toch dempte Frans zijn stem, alsof hij bang was afgeluisterd te worden. “Heb je weleens van DigiDeli gehoord?”

Eddie schudde zijn hoofd.

“Grote jongens. Tenminste, vorig jaar nog. Importeerden uit Korea en India. Digitale delicatessen dus eigenlijk. Hardware, software…allerlei programma’s, games ook natuurlijk. Zo kwam ik bij ze terecht. Goed, ze waren klein begonnen, ergens in Utrecht op een zolderkamertje, en daarna mega gegroeid. Maar ze investeerden als een gek, dus daar hadden ze geld voor nodig. En weet je waar dat vandaan kwam?”

Het was het soort verhaal dat Eddie al zo vaak had gehoord. “Van jou.”

Frans dronk nu in een paar teugen zijn glaasje water leeg. “Zoiets kan ik ook wel gebruiken.” Hij wees naar Eddies glas. Van een geslaagde zakenman was hij plotseling een wat treurige scharrelaar geworden. Zelfs zijn pak leek regelrecht bij C!#AMP;A vandaan te zijn gekomen, of erger: bij het Leger des Heils.

Eddie trok de aandacht van een van de kelners. “Twee van deze, graag.”

Ze zwegen even.

“DigiDeli dus,” zei Eddie. “Investeringen, veel geld, een nieuw pand, opportunities. Die moet je pakken. En dat deed jij.”

“Ja, ik kende die jongens. Eerst groter worden, daarna naar de beurs, en dan cashen, dat was het idee. Of verkopen natuurlijk, dat kon net zo goed. Mijn accountant heeft de boeken bekeken. Het zag er fantastisch uit. Bovendien zou ik hun spullen goedkoper in mijn winkel krijgen. Kon ik allemaal acties mee plannen. Echt een win-winsituatie.” Frans nam een slokje whisky. “Dat dacht ik tenminste.”

“Jij hebt dus geïnvesteerd,” veronderstelde Eddie.

“Ja, extra hypotheken op acht van mijn winkels, een paar forse leningen. Bij elkaar zestien miljoen euro.”

“En toen?” Eddie wist wat er komen ging, maar hij wilde het graag uit de mond van Frans horen.

“Alles kwijt. DigiDeli is kapot, failliet…alleen maar schulden. Een luchtballon waar ze een speld in hebben gestoken…zoiets. Een heleboel geld ging naar bedrijfjes in het Verre Oosten en zo, waar ze ook hun spullen van kregen, die weer onder bedrijven zaten op de Kaaimaneilanden, Curasao, Barbados, noem maar op. Die stuurden enorme rekeningen. Ik heb het laten nagaan…torenhoog, echt waanzinnige bedragen. Die twee eigenaars, die gezellige Utrechtse jongens kregen daar natuurlijk een grote hap van. Maar dat kan ik allemaal niet hard maken.” Frans nam een slokje van zijn whisky. “Godverdomme, jaren keihard voor gewerkt…gesappeld…en zomaar alles naar de verdommenis.” Er zat een snik in de stem van Frans. Typisch Frans. Vroeger zat hij bij tegenslag ook al meteen in zak en as.

“En die eigenaars, die Utrechtse jongens?”

“Ik kan ze niks maken,” legde Frans uit. “Ze hebben zogenaamd ook veel verloren, maar ik weet dat het ergens anders ligt, zodat ik er niet bij kan komen…de klootzakken.”

“En wil jij nou dat ik…” De ringtone van Eddies telefoon klonk, de beginklanken van het Wilhelmus. “Sorry…even opnemen. Dit is de sos-lijn, zal ik maar zeggen.” Eddie wendde zich af van Frans. “Ja, zeg het maar.”

“Ik heb Maaswinkel gesproken,” hoorde hij Charly zeggen. “Hij…”

“Waarom was die druiloor niet op die afspraak?” Eddie dempte zijn stem. “Ik heb verdomme bijna een uur zitten wachten.”

“Plotseling verhinderd of zo, en hij had je nummer niet.”

“Een kutsmoes. Hij kan zeker niet betalen.”

“Klopt,” zei Charly. “Zijn afnemers in Denemarken komen nog niet over de brug, dus hij heeft geen geld. Zegt-ie tenminste.”

“Als hij niet betaalt, gaan er heel vervelende dingen gebeuren.”

“Moet ik nu al maatregelen nemen?”

“Nee. Komt nog wel.” Eddie brak het gesprek af en stopte het toestelletje in zijn binnenzak. “Maar je wou dus iets geregeld hebben,” zei hij tegen Frans.

Frans keek even om zich heen. “Ja, misschien dat je…”

Eddie maakte een afwerend gebaar. “Liever niet hier, en ik heb nu trouwens geen tijd. Misschien kunnen we voor een andere keer wat afspreken.” Frans had hem nodig, wist hij, maar daarom was het juist goed om hem een tijdje te laten bungelen.

Frans pakte een visitekaartje. CD-KING stond erop met zwierige letters, en een kroontje erboven, alsof het bedrijf koninklijk was goedgekeurd. De naam van Frans eronder met de toevoeging ‘commercieel directeur’. Verder adressen, telefoonnummers en een website. Eddie had kaartjes van de East–West Textile Company, maar die waren alleen voor noodsituaties.

“Ik bel je,” zei Eddie.

“Dit blijft toch onder ons?” Er klonk iets smekends in de stem van Frans, iets wat Eddie herkende van vroeger. Ja, ze hadden hem echt bij zijn ballen.

“Natuurlijk.”

“Heb jij ook een kaartje?”

“Nee, daar doe ik niet aan. Voor je het weet zwerven die overal rond.”

“Hè, Yuri, kan je nou niet ‘ns wat anders gaan doen, technisch lego of een boek lezen bijvoorbeeld?”

Het leek of Yuri haar niet hoorde. Er klonk onheilspellende muziek, een schreeuwende stem, daarna een paar harde knallen.

Sylvia liep naar hem toe en legde een hand op zijn schouder.

Yuri schoot een klein stukje omhoog. “Shit! Ik schrik me rot.”

“Waar ben je nou weer de hele tijd mee bezig? Wat is dit voor spel?”

Crimebattle, van papa gekregen.”

“Wanneer dan?” Hoe vaak had ze Eddie niet verteld om niet met cadeautjes te strooien. Daphne was laatst haar fiets kwijtgeraakt. Vergeten op slot te zetten. Geen probleem voor Eddie. De volgende dag had ze een spiksplinternieuwe. Als het aan Sylvia lag, had ze voorlopig op een tweedehands rammelkast gereden.

“O, een paar dagen terug. Kijk…” Yuri’s vingers bewogen vaardig over de toetsen. “Er zijn drie teams, drie groepen die de stad willen veroveren, en je moet proberen de politie uit te schakelen, en die andere, dat zijn je tegenstanders. Maar je kan ook met een andere club samenwerken, zodat je…hé, shit, wat gaat die nou doen?”Yuri ratelde weer met zijn vingers over de toetsen.

“Nog een halfuurtje, dan ga je naar bed.”

Beneden las ze wat in de krant. De crocodile hunter was dood. Een keer had ze hem op de televisie gezien met krokodillen, als-of het zijn beste vrienden waren. Er stond een foto bij het artikel in de krant: met zijn ene hand voerde hij een krokodil een dode kip, terwijl hij zijn vijf weken oude zoontje op zijn andere arm bij zich droeg. Ze liet haar ogen even over de rouwadvertenties gaan, een gewoonte sinds een collega bij haar eerste baas, Marilon, geschept was door een auto en in het ziekenhuis was overleden. Nee, geen bekenden, en ook niemand van haar leertijd.

Ze bladerde verder, tot ze bij een interview kwam met een vrouw uit Amsterdam. Haar zoon was gestorven na een overdosis heroïne, thuis, op zijn oude jongenskamertje. Die jongen was zoals zoveel anderen met hasj begonnen. Het leek allemaal niet ernstig, maar hij had later steeds meer en ook andere, zwaardere middelen nodig. De vrouw was een actiegroep begonnen van ouders met verslaafde kinderen. Verschrikkelijk moest het zijn, haar eigen kind kapot te zien gaan aan de drugs. Een kind dat ze op de wereld had gezet, dat ze naar school had gebracht, van wie ze met hart en ziel hoopte dat hij gelukkig zou worden. Maar nu had ze aan zijn graf gestaan. “Het is zo makkelijk te krijgen in Amsterdam,” zei de vrouw in het interview. “Overal kan je het kopen. Ik begrijp niet dat ze die mensen die eraan verdienen, niet harder aanpakken.” Sylvia legde de krant weg en probeerde haar tranen terug te dringen.

Tegen elf uur kwam Eddie thuis. Hij gaf haar een vluchtige zoen en vroeg of er iets te eten was.

“Nee, wij hebben om zeven uur al gegeten. Er is brood.”

“Brood…goh, wat lekker, zeg! Heerlijk! Ik werk me de hele dag de pestpokken, en als ik dan thuiskom, is er alleen brood, en daar moet ik dan zeker blij mee wezen.”

“Als jij nooit zegt hoe laat je thuiskomt en wat je dan wilt,” zei Sylvia, “dan is het voor mij moeilijk om iets te plannen.”

“Ik werk, ik zorg voor geld, al die spullen hier, dithuis, allevakanties, je kleren, apparatuur, je sportschool…noem maar op, maar een beetje rekening met me houden, nee, dat is zeker te veel gevraagd.”

“Zo bedoel ik het helemaal niet.”

“Hoe dan wel?” Zonder haar antwoord af te wachten stond Eddie op en liep naar de keuken. Hij kwam terug met een glas whisky en ging weer op de bank zitten.

“Als ik jouw programma niet ken, als jij mij altijd overal buiten houdt, dan weet ik niet wat ik moet doen. Je moet dit trouwens ‘ns lezen.” Ze hield hem het artikel voor.

Vluchtig liet Eddie zijn ogen erover gaan. “Wat heb ik daarmee te maken?”

“Dat weet je heel goed.” Ze keek hem aan. “Het is jouw handel; diezelfde handel waar ik niks meer van mag weten.”

“Dan is het toch evengoed mijn schuld nog niet.”

“Dat is het wel, Eddie Kranenburg. Jouw schuld, en die van Charly, Oscar, Daan, noem maar op. Jullie zorgen ervoor dat die spullen overal te koop zijn. Mensen zoals jullie hebben zijn dood op jullie geweten. Die vrouw…die moeder is er helemaal kapot van. Haar enige kind, haar hele leven is verwoest.”

“Die jongen had zich ook dood kunnen zuipen en dan…”

“Dat is anders,” onderbrak Sylvia.

“En dan had zeker Freddy Heineken de schuld gekregen,” ging Eddie door. “Wat is dat voor bullshit.”

“Freddy Heineken is al een paar jaar dood.”

“Daar gaat het niet om.” Eddie wendde zich van haar af, alsof dit onderwerp ook zo kon worden afgesloten.

“Ik wil het niet meer,” zei ze. “Dit soort leven wil ik niet meer.” De laatste woorden schreeuwde ze bijna uit.

“Een beetje rustig, Syl. Straks worden de kinderen nog wakker.”

“Daar maak je je druk om, of de kinderen misschien wakker worden, maar zo’n jongen die dood is, dat interesseert je niks. Ik walg ervan, weet je dat. Ik word er helemaal kotsmisselijk van.” Alles wat ze opgespaard had, moest er nu uit, maar ze kon het niet eens opbrengen. Ze stond op en liep naar de deur.

“Wat ga je doen?” Binnen twee tellen stond hij bij haar en pakte haar bij een pols.

“Naar bed.”

Hij schroefde zijn hand nog krachtiger om haar pols. “Je gaat toch niet moeilijk doen, hè?”