Dodenlijst
Proloog
Berlijn, 24 april 1945
Generaal Albers rende de trap op die vanuit de bunker naar de begane grond leidde. Nog een paar treden maar... Toen hij bovenaan was gekomen, moest hij even stilstaan om weer op adem te komen. Hij had er een gewoonte van gemaakt om alles in looppas te doen, maar een beschadigde ruggengraat en een chronische longaandoening maakten dat tegenwoordig minder verstandig. 'Een ogenblikje,' hijgde hij. 'Ik zal even kijken...' Hij duwde een camouflagescherm van metaal en versplinterde planken opzij en strekte zijn dunne nek om naar buiten te kunnen kijken, maar het enige wat hij zag was puin en hier en daar wat ontwortelde struiken. 'Alles veilig,' zei hij terwijl hij zich omdraaide en zijn hand uitstak. Hitler weigerde die aan te nemen. Hij leunde tegen de muur en wist zonder hulp de trap op te komen. De jonge militair die tot taak had om hem te bewaken, kwam met zijn machinepistool in de aanslag achter hem aangelopen. Zijn zware laarzen kwamen met een galmend geluid neer op de treden. 'Blijft u alstublieft even wachten, mein Führer,' zei Albers. Snel liep hij de met puin bezaaide tuin door. Het rook er naar cordiet en de vochtige zure lucht van natte aarde. Er zat nu een groot gat in de deuren van de poort naar de straat. Hij liep er een eindje omheen en sloeg zijn kraag op tegen de stromende regen. Met grote stappen liep hij de weg op en keek aandachtig om zich heen om te zien of de kust veilig was. Twintig meter links van hem stak een officier van de Leibstandarte zijn hand op om de aandacht van de generaal te trekken. In zijn zwarte uniform was de man praktisch onzichtbaar. Albers wuifde terug en keek snel even over zijn schouder naar de Rijkskanselarij. Toen hij zag hoe zwaar die beschadigd was, bleef hij als verstard staan. Hij was in geen drie dagen uit de Führerbunker weg geweest en toen hij ernaar binnen was gegaan, over dezelfde trap waarop Hitler en zijn lijfwacht nu stonden te wachten, was de achtergevel van het gebouw nog volkomen intact geweest. Maar terwijl de Sovjetartillerie het rangeerterrein bij Spandau steeds dichter genaderd was, waren er grote stukken steen uit de muur geslagen en was er een aantal spouwmuren beschadigd, zodat de tweede en derde verdieping op de dwarsbalken waren terechtgekomen waar ooit de vloer van de benedenverdieping op had gerust. Albers begon weer terug te lopen, maar voelde toen plotseling een zware druk op zijn oren. De grond begon te schudden en in het westen hoorde hij een zwaar artilleriesalvo. Toen een timpaan op het dak van het gebouw met een harde klap uit elkaar spatte en er een stortvloed van zwart marmer op hem terechtkwam, ging hij snel op zijn hurken zitten en terwijl hij zijn handen beschermend om zijn hoofd sloeg, voelde hij de scherpe scherven op zijn rug en armen neerhagelen. Hij ging weer rechtop staan en zag de SS-officier een lange rij jonge jongens uit het gebouw wegleiden. Terwijl ze dwars de weg overstaken, verscheen Joseph Goebbels boven aan de trap uit de bunker. Hij zei even iets tegen de Führer en kwam toen dwars door de tuin aanhinken. 'Zijn ze klaar?' vroeg hij aan Albers. 'Ze worden nu weggebracht, Herr Minister.' Albers wees naar de lange rij kinderen die zich nu aan het opstellen waren langs de muur aan de overkant van de straat. 'We hebben geen behoorlijke uniformen meer kunnen vinden, maar gezien de omstandigheden vind ik ze er nog heel behoorlijk uitzien.' De jongens droegen allemaal een zwart overhemd dat tot bovenaan was dichtgeknoopt en hadden een zwarte pet op. De jongste, die acht jaar was, was geschrokken van de kanonnen en gaan huilen. De oudste, een jongen van veertien, probeerde hem te troosten. 'Ik ga ze even toespreken,' zei Goebbels, 'zodat ze weten wat ze te wachten staat. Twee minuten, dan kom ik terug voor de Führer.' Terwijl hij weer naar de trap liep, sloeg Albers het stof van zijn mouwen. Het viel hem op dat zwart marmerstof vermengd met water op zwarte vegen olie leek. Hij keek naar de militair naast de Führer en zag hoe bang die was. Iedereen was erop tegen geweest om deze ceremonie in de openlucht te houden en Hitler was gewaarschuwd dat dat levensgevaarlijk zou zijn. Maar hij had erop gestaan. Een eedaflegging die zo belangrijk was als deze, diende in de openlucht gehouden te worden, onder een Duitse hemel, zelfs als die hemel nu zwart zag van de rook van het stervende Berlijn. 'De Rijksminister spreekt de jongens toe, mein Führer.' Hitler knikte en leek te huiveren. Hij maakte een verzwakte indruk, vond Albers, en hij zag er ongelooflijk oud uit. Vier dagen geleden was hij zesenvijftig jaar oud geworden, maar vandaag leek hij eerder zeventig. Zijn rug was gekromd en zijn hele lichaamshouding drukte vermoeidheid uit. Zijn huid had zo lang geen daglicht gezien dat die de kleur van grijze klei had aangenomen en er ging voortdurend een lichte trilling door één kant van zijn lichaam. Eerder die dag was hij plotseling ziek geworden en onbedwingbaar gaan braken. Zijn lijfknecht, Heinz Linge, had de dokter geroepen en die had de Führer diens gebruikelijke medicijn toegediend, een intraveneus geïnjecteerd verdovend middel dat het laatste beetje kleur van het gezicht van de Führer deed verdwijnen en hem een vreemde schittering in zijn ogen bezorgde. Maar daarna was hij niet meer zo misselijk geweest en had hij wat minder hevig getrild. Hij had zelfs iets van genoegen getoond bij het vooruitzicht van deze ceremonie. Goebbels was klaar met zijn toespraakje en kwam aanstrompelen over het oneffen terrein. Zoals altijd speelde er een behoedzame glimlach om zijn lippen. 'Alles is gereed, mein Führer.' 'Goed, goed.' Hitler wreef zich in de handen. Het was bedoeld als een energiek gebaar, maar zijn vingers waren blauw van de kou. 'Dertig jongens dus, ja?' 'Dat is juist.' Goebbels trok een vel papier uit zijn zak en vouwde het open. 'Ik heb een korte samenvatting gemaakt van de arrangementen die ik voor hen heb getroffen. Als u dat soms wilt lezen? Alles is natuurlijk volkomen volgens de gemaakte planning...' 'Somt u de hoofdpunten maar even op,' zei Hitler. Terwijl Goebbels begon te praten, kwam er een kilometer verderop een granaat tot ontploffing, zodat er een grote zwart-met-gele rookpluim oprees. De vier mannen gingen wat dichter bij de Rijkskanselarij staan en Goebbels begon opnieuw. 'Vanavond, onmiddellijk na zonsondergang, worden de jongens overgebracht naar een geheim SS-vliegveld zes kilometer ten zuidwesten van Tempelhof. Om tien uur komt een vrachtvliegtuig met de kleuren van het Rode Kruis...' 'Een echt Rode-Kruisvliegtuig?' 'Nee, mein Führer,' zei Goebbels geduldig. 'Het is van de Wehrmacht en ik heb het speciaal voor deze missie laten overschilderen. Het brengt de jongens rechtstreeks naar Zürich over, en daar is een veilig tijdelijk verblijf voor hen gevonden in een omgebouwd paviljoen op het ommuurde terrein van een ziekenhuis.' 'Welk ziekenhuis?' vroeg Hitler, alsof dat ook maar iets ter zake deed. Het was zijn gewoonte om iemand die naar zijn zin te lang aan het woord was, te onderbreken door middel van een vraag. 'Het zusterhuis van het Rode Kruis, mein Führer. De kosten van hun verzorging en materiële levensbehoeften worden gedekt uit het fonds dat secretaris Bormann op uw verzoek heeft ingesteld. Er zal niemand van buiten bij betrokken hoeven te worden. Het paviljoen beschikt over alles wat de jongens nodig hebben.' 'Zijn ze daar volkomen veilig?' 'Volkomen, mein Führer. En binnen een maand worden ze overgebracht naar een veiliger verblijfplaats.' 'Waar?' 'Een prima plek ergens aan de rand van Bern, een groot huis op een enorm uitgestrekt landgoed. Daar zullen ze blijven wonen en opgroeien in een gezonde sfeer, vol kameraadschap.' De man leek wel een reclamefolder, dacht Albers. 'Ze zullen in saamhorigheid opgroeien en voortdurend, voortdurend, beschermd worden tegen schadelijke en normvervagende invloeden. Ze worden tot in de kleinste details opgevoed volgens de richtlijnen die u hebt opgesteld, mein Führer, en als de tijd rijp is, worden ze weer naar Duitsland teruggebracht om daar de strijd aan te gaan met de joodse infectie.' 'Ik denk dat we moeten beginnen,' zei Albers. 'Anders krijgen de kinderen het koud.' Hitler knikte en Albers liep voor hen uit, langs de rand van de tuin de straat in. De wind was inmiddels gaan liggen, maar de regen was heviger geworden. Hij kwam nu met grote vlagen naar beneden en was zo kil dat alle aanwezigen hun huid klam en gevoelloos voelden worden. Hitler liep tussen Goebbels en de lijfwacht in. Hij had zijn handen diep in de zakken van zijn lange militaire overjas gestoken en zijn pet diep over zijn ogen getrokken. Net toen ze bij de rand van de weg kwamen, ontplofte er drie straten verderop een granaat. De anderen hielden even hun pas in, maar Hitler liep gewoon door, alsof hij niets gehoord had. Toen ze dichter bij de jongens kwamen, die er nu allemaal uitzagen of ze het erg koud hadden, haalde de Führer zijn handen uit zijn zakken en rechtte zijn rug. Onmiddellijk leek hij bijna tien centimeter langer. Hij hief zijn hoofd op en stak zijn kaak naar voren, zodat de huid zich weer strak om zijn gezicht spande. Hij wierp de jongens een van zijn roemruchte indringende blikken toe en glimlachte. Op een knikje van Goebbels werden er dertig armen gestrekt. 'Heil Hitler!' riepen de jongens in koor. Het geluid weergalmde tussen de muren van de uitgeholde gebouwen achter hen. Hitler bleef op het zwaargehavende plaveisel staan en beantwoordde het saluut. De SS-officier hield een gebutste Leica voor zijn gezicht en drukte af, zodat het ogenblik voor eeuwig bewaard zou blijven. Goebbels gaf opnieuw een knikje en de jongens gingen op de plaats rust staan. Generaal Albers schraapte zijn keel en deed een stap naar voren. 'Mein Führer, ik heb de eer om u voor te stellen aan de meest recente en laatste groep rekruten van de Hitler Jugend. Dit is een zeer speciale eenheid, die is samengesteld uit dertig zeer speciale jongemannen. Het zijn wezen en elk van hen is de zoon van een Held van het Derde Rijk.' Met een stapel documenten in zijn hand liep Albers naar een jongen aan het eind van de rij. Daar bleef hij even wachten tot Hitler zich bij hen had gevoegd en stelde de jongens toen een voor een voor. 'Erich Bahr, twaalf jaar oud, de zoon van Ortskommandant Konrad Bahr, die samen met zijn vrouw Frieda is gedood tijdens het bombardement op Dresden. Klaus Garlan, tien jaar oud, de zoon van luitenant-kolonel Garlan van de cavalerie, gedood in de westelijke woestijn in 1944. Zijn moeder, Louisa Garlan, is in januari 1945 gedood tijdens een bombardement op Noordwest-Berlijn. Albrecht Schröder, twaalf jaar, zoon van Otto Schröder...' Hitler luisterde aandachtig en gaf elke jongen een hand voordat hij verder liep. Tegen de tijd dat hij het einde van de rij had bereikt, waren zijn kleren helemaal doorweekt en liep hij weer met kromme rug, afgezakte schouders en hangend hoofd. Maar hij glimlachte nog steeds, alsof deze kleine ceremonie gezegend werd door een fel stralende zon. Toen hij naar het midden van de straat liep om de jongens toe te spreken, sloegen er binnen een fractie van een seconde twee granaten in. De schokgolf raakte hem onder een schuine hoek, zodat hij even struikelde, en de vijf resterende ruiten van de Rijkskanselarij werden aan diggelen geslagen. Hitler keek toe hoe de wolken glas-, metaal-en steensplinters glinsterend neerdaalden langs de muren van het gebouw. 'Een joods-bolsjewistische wraakneming voor de Kristallnacht misschien,' zei hij met een moeizame glimlach. Hij draaide zich om, zette zijn pet recht op zijn hoofd en trok de kraag van zijn overjas nog wat verder omhoog. Toen hij het woord nam, lag er een vastberaden klank in zijn stem. 'Men heeft mij gemeld dat de tanks van de Amerikanen en de Russen elkaar morgen, of op zijn laatst overmorgen, zullen ontmoeten bij Torgau, aan de Elbe. Mijn lieve jongens, op dat duistere ogenblik sterft het Duitsland waarvan ik heb gedroomd. Het Vaderland dat ik met al de kracht en de hartstocht die ik in mij had, heb geprobeerd te verwezenlijken zal vermoord zijn door barbaren die handelen in opdracht van het internationale jodendom.' Hij liet een korte stilte vallen en haalde eens diep adem. 'Alles wat ons dierbaar is, zal in rook opgaan en die rook zal verwaaien in de wind. Maar ik zeg jullie, mijn jonge vrienden, op dit ogenblik, terwijl ik naar jullie kijk, laait de hoop in mijn hart weer hoog op...' Langzaam speurde hij de rij af. Op elk jong gezicht bleef zijn blik even rusten. 'Als ik naar jullie kijk, dan zie ik het wezen van mijn Jugend, mijn ideaal van de arische geest. Ik zie het in jullie allemaal: de hoopvolle belofte van een ras en een natie die de natuurlijke vijand vormen van degenen die nu ons geliefde land verwoesten.' Generaal Albers kwam iets dichterbij staan, gewoon om het zeker te weten. Hij wierp de Führer een snelle, aandachtige blik toe, en inderdaad: de tranen stonden hem in de ogen. 'Als volwassenen wacht jullie een groot aantal taken.' Hitler moest nu luider spreken om boven het geratel en geknal uit te komen. 'De belangrijkste daarvan, de heiligste, is het levend houden van de geest van het Derde Rijk en de eliminatie van de duisterste vijand daarvan, zonder ook maar enige gedachte aan genade. Dat is een buitengewoon belangrijke taak en daarom zijn jullie, degenen aan wie ik die taak opdraag, niet minder belangrijk.' Hij zweeg even en speurde opnieuw de lange rij af. 'Jullie vormen het jonge, kloppende hart van Duitsland,' zei hij. 'Jullie zijn de belichaming van Siegfried, de kracht en hoop van jullie ras. Jullie zijn de toekomst.' Verschillende jongens konden hun tranen maar nauwelijks bedwingen. Er ontplofte opnieuw een granaat en aan het eind van de straat kwam een hoop puin naar beneden. Generaal Albers schuifelde zijdelings naar Hitler toe en fluisterde dringend: 'We moeten terug naar de bunker, mein Führer, zowel omwille van de jongens als omwille van onze eigen veiligheid. De kans dat we hier allemaal heelhuids wegkomen, is nu al klein.' Hitler knikte langzaam en draaide zich om. Albers en Goebbels liepen achter hem aan en de lijfwacht ging hen voor, dwars door de tuin van de Kanselarij, zodat hun voeten telkens met een zuigend geluid loskwamen uit de modder. Boven aan de trap naar de bunker bleef Hitler even staan en keek om naar de straat. De SS-officier voerde de jongens weer het kapotgeschoten kantoorgebouw binnen. Hitler schudde zijn hoofd. 'Wat zou dat geweldig zijn,' zei hij. Albers en Goebbels keken elkaar verbaasd aan. 'Weer jong zijn,' zei Hitler. 'Alles nog vóór je hebben.'
***
Later, toen generaal Albers in zijn kamer zat en de gebeurtenissen van de afgelopen dag vastlegde in zijn dagboek, keek hij naar de gekwelde ivoren Christusfiguur op het grote houten kruisbeeld aan de muur. 'Het zal nu niet lang meer duren,' zei hij zachtjes. 'Hooguit een week, als we geluk hebben.' Het realisme waarmee de Christus was uitgebeeld, vond hij soms grotesk aandoen, maar toch had hij het crucifix altijd bij zich gehouden. Het was het enige dat hem herinnerde aan zijn vrouw, het enige dat hij had kunnen redden uit de hel waarin hun huis door toedoen van een Britse vliegtuigbom veranderd was, de hel waarin zijn Greta was omgekomen. 'Misschien, Heer,' zei hij, 'kunt u het zo regelen dat ik me kan overgeven aan iemand die niet al te wraaklustig is en die over wat gevoel voor humor beschikt.' Hij richtte zijn blik weer op zijn dagboek en dacht even na voordat hij de rest van de bladzijde volschreef. De kleine, speciale broederschap is nu gegrondvest. Als alles verloopt volgens de nauwgezette planning van secretaris van de rijkskanselarij Bormann en rijksminister Goebbels, zal de hand van de Führer op een goede dag boven zijn graf uitrijzen om de joden in Duitsland te wurgen. Hij legde de pen neer en wreef in zijn handen. Het was kil en klam in de kamer. Hij schoof zijn stoel naar achteren, ging op zijn knieën zitten en keek onder het bed. Waarschijnlijk was er nog wel genoeg schnapps om de kou te verdrijven. Hij haalde de fles te voorschijn en hield hem rechtop. Drie grote glazen, misschien vier. 'Dat is voorlopig wel voldoende.' Hij stond op, pakte een glas van het nachtkastje en schonk zich een borrel in. Toen hij het glas in zijn hand hield, kwam het ineens in hem op om een toast uit te brengen op de dertig haveloze weeskinderen. Ze hadden er zo somber en terneergeslagen uitgezien, zo zielig en bang, die arme weesjes... Maar dat was nu. Over dertig jaar... 'God,' kreunde hij.'Wat een zwarte toekomst.' Hij keek naar zijn geliefde boeken op de plank boven zijn bed, naar de ingelijste foto van zijn broer en hij, toen ze nog klein waren, naar de ivoren Christuskop, met zijn van wanhoop en pijn verwrongen gelaatstrekken. 'Waarom zou ik nog meer ellende in de wereld willen brengen?' Buiten in de gang hoorde hij mensen roepen. De wijze mannen in de kaartenkamer waren weer eens boos en stonden woedend uit te varen tegen afwezige bevelhebbers die er niet in geslaagd waren om hun krankzinnige plannen voor het redden van de nationaal-socialistische droom te verwezenlijken. Albers zuchtte en hief zijn glas naar het kruisbeeld. 'Sjaloom,' fluisterde hij.