15

Twee druppels water

 

Eerst leek het of het enige wat hij zou doen was naar me staren, zich met zijn ogen aan me verlustigen, me weer in mijn handdoek wikkelen en dan weghollen. Ik verwachtte het. Ik hield mijn adem in. Was het verkeerd van me om zijn gezicht te observeren terwijl hij naar me keek? Het fascineerde me hoe hij op me reageerde, welke macht ik over hem scheen te hebben. Ik kon bijna zien hoe hij zijn best deed om te kijken maar niet aan te raken.

‘Ik ben nog nooit zo met een meisje samen geweest,’ fluisterde hij schor.

‘Dat zou ik nooit geloofd hebben.’

Hij moest even glimlachen en bukte zich weer om mijn mond, mijn borsten te kussen. Toen legde hij langzaam zijn wang op mijn lichaam, vlak onder mijn borsten.

‘Ik kan je hart horen bonzen,’ zei hij.

‘Ik ook.’

Hij zoende mijn buik en ademloos wachtte ik af waar hij vervolgens met zijn mond naartoe zou gaan, maar hij sloot zijn ogen, liet zich omrollen en bleef naast me liggen en staarde omhoog naar het plafond. Deels was ik teleurgesteld en deels was ik nieuwsgierig. Hoe kon hij ophouden, zich zo beheersen?

‘We mogen niet te ver gaan,’ zei hij. ‘Verbeeld je dat we hetzelfde zouden doen als onze ouders hebben gedaan! Ik ben niet… erop voorbereid om verder te gaan.’ Hij klonk verlegen.

Ik keerde me om en sloeg mijn arm om hem heen om zijn gezicht naar me toe te draaien.

‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘En je hoeft je daar niet voor te schamen. Dat is niet onmannelijk of stom. Ik vind je er heus niet minder om. We erven geen zonde,’ zei ik vastberaden.

Hij bukte zich om me een zoen te geven, en we klemden ons aan elkaar vast. ‘Maar dat betekent niet dat we niet naar elkaar kunnen verlangen en elkaar nodig hebben, niet van elkaar kunnen houden,’ voegde ik eraan toe.

Hij lachte en zoende me weer voor hij ging liggen en nadacht. Zijn blik ging langzaam door de kamer, alsof hij elke centimeter ervan en elke seconde van ons samenzijn voorgoed in zijn geheugen wilde prenten.

‘Ik ben nog nooit in de kamer van een meisje geweest,’ zei hij.

‘Ik heb gelezen dat je degene met wie je de eerste dingen in je leven doet, nooit vergeet,’ merkte ik op.

‘Ik zou jou hoe dan ook niet kunnen vergeten.’

‘Wil je daarmee zeggen dat je me gaat helpen met het schilderen van mijn kamer?’

Hij lachte. ‘Oké, oké, ik ben een eikel.’

‘Nee, dat ben je niet, Duncan. En je moet niet denken dat ik zoveel meer weet dan jij op dit gebied. Ik heb één vriend gehad, een onderdeel van een seconde.’

‘Een onderdeel van een seconde?’

‘Zo leek het mij.’

Ik streek zijn haar uit zijn gezicht.

‘Nu heb ik er twee.’

‘Jij bent het eerste meisje dat me voortdurend verbaasd doet staan,’ zei hij lachend.

‘Vind je dat leuk?’

‘O, ja, heel erg leuk.’

‘Wil je overwegen samen met me te eten?’

‘Ze zal kwaad op me zijn, maar dat is oké,’ zei hij met nieuwe beslistheid.

‘Goed. Ik begin honger te krijgen. Ga eens kijken wat je in de keuken kunt vinden terwijl ik me aankleed.’

Hij zoende me weer, stond op en ging de kamer uit.

Was het gek van me dat ik het toch nog met hem probeerde na wat hij me zojuist allemaal verteld had? vroeg ik me af terwijl ik me aankleedde en mijn haar borstelde. Was het arrogant van me te denken dat ik hem kon helpen terwijl ik nog zoekende was hoe ik mijzelf kon helpen? Hoe ver konden twee emotioneel en psychologisch gehandicapten met elkaar gaan? Naar welke innerlijke stem moest ik beter luisteren, de stem die me zei dat ik heel hard bij hem vandaan moest lopen of de stem die me vertelde dat hij en ik elkaar nodig hadden?

‘Ik kan de salade maken,’ zei hij toen ik in de keuken kwam. Hij had een grote kom klaargezet en de ingrediënten uitgespreid op het aanrecht. ‘Er liggen een paar pakken pasta in de bijkeuken, en in de koelkast zag ik de pastasaus die jullie in het café hebben. Ik heb gezien dat mensen die naar binnen schrokten; ze waren er verrukt over.’

Ik ging de pasta klaarmaken terwijl hij bezig was met de salade. Hij deed het heel goed, was heel precies met het snijden van groentes en tomaten en uien. Hij maakte zelfs een dressing van olie en azijn en een paar kruiden die hij had ontdekt. Hij zag dat ik vol verbazing naar hem keek.

‘Wat is er?’ vroeg hij lachend.

‘Hoe weet je welke hoeveelheid je van elk ingrediënt moet nemen?’

‘Een jarenlange ervaring.’ Hij zweeg even en dacht na. ‘Ik denk dat ze me wel een moederskindje zullen noemen omdat ik zo vaak met haar in de keuken sta.’

‘Mijn oom is een geweldige kok en niemand noemt hem een moederskindje.’

‘Laten we de salade eten terwijl de pasta gaar wordt,’ stelde hij voor, en we gingen aan tafel zitten. Tante Zipporah bewaarde een paar knoflookbroodjes van het café in de vriezer. Ik had ze in de oven opgewarmd, en we aten ze bij de salade.

‘Echt een feestmaal,’ zei Duncan.

Hij bleek beter te weten dan ik hoe lang de pasta moest koken; hij legde uit dat de meeste mensen die te gaar lieten worden. Hij ontfermde zich ook over de pasta en mengde de saus erdoor.

‘Ik moet mijn oom over je vertellen, Duncan. Je zou best parttime in het café kunnen werken. Je bent hier erg goed in. Jij bent degene die vol verrassingen zit, Duncan, niet ik.’

‘Ik zou zelfs voor een parttimebaan geen tijd hebben. Ik doe heel wat meer dan thuis kranen repareren. Mijn moeder heeft het erg druk met haar postorders voor de kerk, dus maak ik vaak het hele huis schoon, maak de bedden op en doe de meeste boodschappen, terwijl zij op een vergadering van de kerk is of zoiets. Alleen daarvoor mag ik de auto nemen,’ ging hij verder.

‘Ze vindt het heel erg dat ik mijn scooter heb opgelapt. Ze wilde me het geld niet geven voor de verzekering en de registratie. Dat heb ik zelf bij elkaar moeten schrapen.’

‘Hoe ben je aan die scooter gekomen?’

‘Mijn vader had die gekregen voor een of ander karwei en had hem in een van de kippenhokken laten staan.’

‘Hoe lang is je vader al weg?’

‘Bijna tien jaar.’

‘Is hij gewoon op een dag vertrokken zonder het iemand te zeggen?’

‘Dat heeft mijn moeder me verteld, ja. Ik heb nooit een afscheidsbriefje gezien, als je dat soms bedoelt.’

‘En hij heeft nooit gebeld of een brief gestuurd, niets?’

Hij dacht even na, at nog wat en knikte. ‘Toen ik een jaar of acht, negen was, had ik een paar keer de indruk dat hij haar belde, maar dat gaf ze nooit openlijk toe en als ik naar hem vroeg ging ze alleen maar ontzettend tekeer. Soms werd ze zo woedend, dat ik doodsbang was. Bijna onmiddellijk nadat hij ons in de steek had gelaten, nam ze haar meisjesnaam weer aan, Simon.’

‘Hoe komt het dat jouw naam niet veranderd werd?’

‘Dat werd hij wél, maar ik weigerde. Dat is de enige uitdaging in mijn leven. Tot nu toe tenminste,’ voegde hij er glimlachend aan toe, om me duidelijk te maken dat ik de tweede uitdaging was. ‘Gelukkig is ze opgehouden met erover te zeuren, maar ze verbetert iedereen die haar Edna Winning noemt, en als iemand mij Duncan Winning noemt, verbetert ze hem of haar ook. Het is een tijdje een probleem geweest op school, maar nu niet meer. Ze bemoeit zich toch weinig met mijn opleiding. Ze is nooit naar een ouderavond geweest, en mijn cijfers zijn goed genoeg om er niet veel aandacht aan te hoeven schenken.’

‘Je hebt je nooit in de nesten gewerkt op school, nooit een reden gegeven om haar op te bellen?’

‘Je hebt geen idee wat dat tot gevolg zou hebben gehad. Ik ben me altijd bewust geweest van haar verwachting dat ik in moeilijkheden zou komen, en daardoor sta ik waarschijnlijk bekend als een heilig boontje of zoiets. Ik ben de enige die de docenten meneer en mevrouw noemt. Een van mijn docenten, Donna Balm, staat erop om Miz Balm te worden genoemd.’

Hij ging verder met eten en zei toen: ‘Je zult het wel merken als je naar onze school gaat.’

‘Wat merken?’

‘Dat de andere leerlingen me niet vertrouwen omdat ik niet rook op het toilet, geen hasj met ze rook of een paar van die pillen slik die ze soms rond laten gaan. Ze denken dat ik een soort spion ben voor het bestuur of zo. Als je met mij omgaat, zullen ze jou ook als een paria behandelen.’

‘Dat ben ik gewend,’ zei ik.

‘Ja, maar je kwam hier om dat alles de rug toe te keren, toch? Je denkt dat, omdat niemand je kent, ze je zullen accepteren en vriendschap met je zullen sluiten. Ik kan het je alleen maar moeilijk maken.’

‘Laat me zelf maar beslissen met wie ik wel en niet bevriend wil zijn, Duncan.’

‘Ik waarschuw je maar.’

Misschien deed hij dat inderdaad, en misschien had hij gelijk. Ik zette die gedachte van me af. Had Craig per slot niet hetzelfde probleem gehad en was hij toch achter me blijven staan? Op de een of andere manier moesten we de kracht zien te vinden anderen te beletten ons voor te schrijven hoe we moesten leven. Hij en ik werden in zekere zin met dezelfde uitdagingen geconfronteerd. We leken echt op elkaar. Ironisch genoeg komen vaak totaal verschillende mensen bij elkaar, maar komen daar pas achter als het te laat is, dacht ik. Zijn ouders beantwoordden beslist aan die omschrijving.

‘Waar hebben je ouders elkaar leren kennen?’ vroeg ik.

‘Zij ging op een meisjesschool in de buurt en hij was conciërge, een manusje-van-alles. Uit het weinige dat ze daarover – over hem - vertelde, leidde ik af dat hij zoals zij het noemt dominant was. Dat is het netste woord dat ze ervoor gebruikt. Soms,’ ging hij zo zacht verder dat het leek of hij bang was dat iemand ons zou kunnen afluisteren, ‘geloof ik dat ze denkt dat hij de duivel zelf was die haar verleidde. In ieder geval, toen ze trouwden, kochten ze deze farm en een tijdlang was die heel succesvol. Ze zei dat hij begon te drinken en dat het toen misging, zo erg, zegt ze, dat hij zich niet langer iets aantrok van haar of van mij.’

Hij legde zijn vork neer en keek peinzend voor zich uit.

‘Wat is er?’

‘Misschien was het een vrome wens, een ijdele hoop, maar er waren momenten – zij het niet de laatste tijd – dat ik het gevoel had dat hij dichtbij was, me gadesloeg. Ik droomde vaak dat hij langs zou komen als ik naar de stad of naar school liep. Hij zou stoppen om me een lift aan te bieden, en ik zou onmiddellijk weten dat hij mijn vader was. Ik begon elke bestuurder in elke auto die langsreed te observeren. Soms ging ik voor het raam zitten en keek ik naar buiten in de hoop dat hij ergens zou staan en naar ons huis keek, wachtend tot ik naar buiten zou komen. Ik ging wel eens naar buiten en liep dan doelloos rond, hopend dat het waar was.

‘Mijn moeder wist het. Ik kon het merken, en het maakte haar woedend. Op den duur durfde ik zelfs niet meer aan hem te denken als zij erbij was, bang dat ze het aan mijn gezicht zou zien. Ze schijnt dwars door iemand heen te kijken en zijn of haar gedachten en intiemste gevoelens te raden.’

‘O, Duncan, ik denk niet dat ze die gave heeft.’

‘Het ís zo. Altijd als we naar de kerk gaan of een paar mensen ontmoeten, mompelt ze over deze of gene, vertelt me dingen waarvan ik me niet kon voorstellen hoe ze die wist.’

‘Misschien neemt ze gewoon maar dingen aan, raadt ernaar.’

‘Geloof me. Ze kan het,’ hield hij vol. ‘Op haar manier is ze erg sterk. Andere vrouwen zouden misschien zijn ingestort of naar hun ouders of familie zijn gevlucht, smekend om hulp of zo. Zij schijnt met elke tegenslag sterker, harder, te worden. Ze vertelt me altijd dat God ons voortdurend op de proef stelt. Ik ben ervan overtuigd dat ik nu op de proef word gesteld.’

‘Omdat je bij mij bent?’

‘Ja, maar ik zal niet weer bij je weglopen,’ beloofde hij. ‘Tenminste, dat hoop ik.’

‘Ik zou het maar niet doen. In ieder geval niet voordat je me hebt geholpen met het schilderen van mijn kamer.’

Hij grijnsde. ‘Als ze je ziet, je echt leert kennen, zal ze inzien dat je een goed mens bent, Alice.’

‘Ik hoop het. Ik hoop dat ik dat ben.’

‘En jouw ouders? Je vader?’

‘Hij heeft een andere vrouw en kinderen en woont in Californië. Ik heb ze onlangs gezien en hij was aardiger voor me dan hij ooit geweest is. Toen hij wegging had ik het gevoel dat hij vaker bij me zou zijn of meer om me zou gaan geven, maar dat is nog niet gebeurd. Zijn vrouw wil ten koste van alles haar kinderen, een tweeling, beschermen, en ze hebben mijn bestaan, mijn relatie met hem, geheimgehouden voor de tweeling en hun vrienden.’

‘En je hebt je moeder echt nog nooit gezien?’

‘Nee. Misschien gebeurt dat nog eens. Ik doe vaak wat jij zegt dat je doet, stel me voor dat ze in de buurt is.’

‘We zijn maar een stelletje zielenpoten,’ mompelde hij.

‘De jury is nog niet terug met de uitspraak,’ zei ik, denkend aan een van de geliefde opmerkingen van mijn grootvader.

Ik stond op en begon de tafel af te ruimen en hij begon snel te helpen. Naast elkaar deden we de afwas, droogden borden, schalen, bestek, maakten het aanrecht en de tafel schoon en zetten alles op zijn plaats. Toen we klaar waren, zou zelfs Sherlock Holmes moeite hebben met te bewijzen dat hier iemand had gegeten.

‘Mijn tante zal nog denken dat ik het eten heb overgeslagen. Ik zal het haar moeten bewijzen.’

‘Ga je haar vertellen dat ik hier geweest ben?’

‘Waarom niet?’

‘Misschien vindt je oom dat niet prettig.’

‘Ze hebben niet gezegd dat ik hier niemand mag ontvangen. En ze weten dat ik met je omga. Mijn tante vertrouwt me en wil dat ik gelukkig ben.’ Maar plotseling vroeg ik me af of ze niet zou denken dat ik achterbaks was geweest, dat ik net had gedaan of ik alle belangstelling voor hem verloren had en afspraakjes voor haar geheim had gehouden. Ik besloot haar alles uit te leggen.

‘Misschien verbieden ze je me weer te zien. Ik zou het ze niet kwalijk kunnen nemen.’

‘Hou op, Duncan. Mijn tante weet wie je bent. Ze heeft nooit zoiets tegen me gezegd.’

Hij haalde zijn schouders op.

Ik herinnerde me een van oom Tylers favoriete retorische, filosofische uitspraken. ‘Als je niet van jezelf houdt, Duncan, waarom zou een ander dan van je houden?’

‘Ik weet niet of ik van mezelf hou of niet,’ antwoordde hij. Hij keek me gespannen aan, met half toegeknepen ogen en een strak gezicht. ‘Net als jij, probeer ik nog steeds te ontdekken wie ik ben.’

Altijd als hij zo gespannen werd, voelde ik dat ik begon te trillen. ‘Laten we het gewoon blijven proberen.’

Hij zei niets.

Ik liep met hem mee naar zijn scooter. De lucht was helemaal bewolkt en rook naar regen. In de verte zag ik een bliksemstraal.

‘Ik zou maar gauw naar huis gaan voor het begint te gieten,’ zei ik.

Hij knikte en stapte op zijn scooter.

‘Heb je al een idee wat je eerste schilderij zal worden?’

‘Ja, ik geloof van wel. Iets met een ree die ik eens aan de achterkant van het huis heb gezien. Dat weet ik al, maar de rest weet ik pas als ik eraan begin.’

‘Klinkt veelbelovend.’ Hij startte de motor. Ik voelde de eerste druppel.

‘Het begint al, Duncan. Hoe lang doe je erover om thuis te komen?’

‘Hoogstens twintig minuten. Ik heb wel vaker in de regen gereden. Maak je maar niet ongerust.’

‘Maar nooit nadat je bij mij bent geweest.’ De woorden waren eruit voor ik het wist.

Hij staarde me even aan. ‘Ik dacht dat je geloofde dat we daar allebei mee op moesten houden,’ zei hij toen.

‘Waarmee?’

Hij keerde de scooter.

‘Denken dat we iedereen die iets met ons te maken heeft ongeluk brengen.’

‘Je hebt gelijk. Sorry. Dat was stom.’

‘Het geeft niet. Maak je niet druk. Werkje morgen in het café?’

‘Nee, ik heb vrij. Mijn oom wil dat ik aan een schilderij begin.’

‘Goed.’

Hij boog zich naar me toe en gaf me een zoen, en toen was hij weg.

Als een gordijn dat werd neergelaten begon de regen te vallen. De druppels kletterden op de bladeren en het wegdek, net zo heftig als mijn hart bonsde. Haastig liep ik weer naar binnen. Ongeveer twintig minuten later ging de telefoon. Ik vloog erop af, in de hoop dat het Duncan was die me vertelde dat hij veilig thuis was gekomen. Misschien had hij toch de bezorgdheid gezien in mijn ogen en gehoord in mijn stem.

Het was Duncan niet. Het was mijn vader.

‘Hallo,’ zei hij. ‘Hoe gaat het daar bij jullie?’

‘Cool.’ Ik wilde hem vragen of mijn grootmoeder hem had gebeld en geklaagd dat ik niets van hem gehoord had, maar dat leek me niet aardig. En het zou natuurlijk zijn eigen initiatief kunnen zijn.

‘Je grootmoeder heeft het me verteld. Weet je zeker dat je het juiste besluit hebt genomen? Van je eigen school afgaan aan het begin van het laatste jaar om op een nieuwe school te beginnen -’

‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik daar thuishoorde,’ zei ik.

Hij zweeg even. ‘Ja, dat begrijp ik wel. Goed, aarzel niet om me te bellen als je erover wilt praten. Ik zal jou van tijd tot tijd bellen om te horen hoe het gaat.’

‘Oké.’

‘Doe Zipporah de groeten van me.’

‘Zal ik doen.’

Hij wenste me geluk en nam afscheid. Ik schaamde me dat ik niet wat spraakzamer was geweest, maar ik kon er niets aan doen dat ik aan Duncan dacht. Ik had spijt dat ik hem niet gevraagd had me te bellen als hij thuis was. Eindelijk besloot ik hém te bellen. Het duurde even voor ik zijn telefoonnummer had gevonden omdat zijn moeder niet in het telefoonboek stond onder Winning. Eindelijk herinnerde ik me dat hij had verteld dat ze haar meisjesnaam weer had aangenomen, Simon. Ik vond het nummer, maar aarzelde om de telefoon op te pakken.

Zou ik hem in moeilijkheden brengen als ik belde? Ik probeerde te lezen en televisie te kijken, maar niets hielp.

De regen viel nu bij bakken uit de hemel en ik hoorde donderslagen en zag de bliksemflitsen. Het was al bijna een uur geleden sinds hij was vertrokken. Ik móést weten of hij veilig thuis was. Anders zou ik niet kunnen slapen. Beelden van mijn auto-ongeluk flitsten voor mijn ogen en lieten rillingen over mijn rug gaan. Zou ik weer de oorzaak zijn van iemands dood, iemand die het gewaagd had dicht bij me te komen?

Ik liep te ijsberen en dacht dat ik steeds kreupeler begon te lopen, alsof het een waarschuwing was – of misschien een voorspelling. In mijn verbeelding zag ik hem liggen op een of andere weg, terwijl de regen op zijn gezicht en hand kletterde, zijn lichaam gedraaid en gebroken. En toen kwam zijn moeder en schreeuwde tegen de politie en het ambulancepersoneel: ‘Het is haar schuld! Mijn zoon is dood omdat hij haar heeft leren kennen!’

Ten slotte hield ik het niet langer uit. Met trillende vingers draaide ik het nummer. De telefoon ging nauwelijks één keer over.

‘Het gaat me prima,’ hoorde ik hem schor fluisteren en toen hing hij op. Hij zei niet eens hallo, zo was hij ervan overtuigd dat ik het was. Of misschien, misschien wist zijn moeder het, kon ze iedereen doorzien zoals hij had gezegd. Misschien had hij het haar weer verteld, alle details opgebiecht.

Het was alsof de bliksem die de lucht buiten sissend doorkliefde, door het raam naar binnen schoot en ook mijn hart doorkliefde. Ik hield de hoorn vast en luisterde naar de zoemtoon. Toen hing ik langzaam op, juist toen mijn oom en tante thuiskwamen. Ik hoorde dat tante Zipporah me riep.

‘Wauw!’ riep ze uit. ‘Een echte zomerse bui.’ Ze schudde haar haren uit.

‘Het is een goede nacht voor de heksen van Macbeth,’ zei oom Tyler lachend. ‘Hoe gaat het met het atelier?’

‘We hebben een hoop gedaan.’

‘We?’ vroeg tante Zipporah, en ik vertelde haar alles over Duncans onverwachte bezoek, zijn hulp met het atelier en toen met het klaarmaken van het eten.

Zij en oom Tyler keken elkaar met openlijke verbazing aan.

‘Ik hoop dat het goed was,’ zei ik haastig.

‘Natuurlijk,’ antwoordde tante Zipporah.

‘Ik hoop dat hij vóór deze bui thuis was,’ zei oom Tyler.

‘Ternauwernood.’

‘Verder alles in orde?’ Er klonk nieuwsgierigheid en enig wantrouwen in haar stem.

‘Voor zover ik weet wel,’ antwoordde ik.

‘Nou, dit zal een goeie test zijn voor het dak dat we dit jaar hebben laten repareren,’ zei oom Tyler en liep de trap op.

Tante Zipporah bleef nog beneden en hield zich bezig in de keuken. Ik wist dat ze nog steeds bezorgd was. Ze kwam de zitkamer binnen waar ik probeerde een van de boeken te lezen die op mijn lectuurlijst stonden voor het komende leerjaar. Mijn ogen dwaalden voortdurend af en mijn gedachten zweefden zo vaak weg van het verhaal en de personen erin dat ik me niet kon herinneren wat ik net had gelezen.

‘En, nu je meer tijd hebt doorgebracht met Duncan,’ begon ze, ‘hoe is hij nu echt?’

Ik vertelde haar meer bijzonderheden over alles wat hij in het atelier had gedaan en dat hij zo goed geholpen had met het klaarmaken van het eten. Hoe langer ik sprak, hoe breder haar grijns werd.

‘Je klinkt alsof je hem erg aardig vindt, Alice.’

‘Dat vind ik ook,’ gaf ik toe.

‘Mooi. Ik weet dat zijn moeder erg op zichzelf is. Ik zie haar nooit hier in de buurt, niet in winkels, met boodschappen doen -’

‘Hij doet de boodschappen,’ zei ik snel.

‘O. Ik denk dat mevrouw Mallen gelijk heeft. Zijn jeugd is hem ontnomen. Het moet niet gemakkelijk voor hem zijn om nieuwe vriendschappen te sluiten.’

‘Dat is het voor mij ook niet.’

Ze dacht even na. Ik kon de gedachten en vragen bijna zien rondtollen in haar hoofd.

‘Tja, vind je dat hij op het moment de meest geschikte jongeman voor je is? Ik wil niet negatief zijn, maar we weten allebei dat jij zelf je problemen hebt. Het is misschien niet verstandig je eigen last nog te verzwaren.’

‘Dacht je ook zo toen je bevriend was met mijn moeder?’

‘Dat was iets anders, Alice. Ik had weinig of geen bagage te torsen, en Karens moeder en stiefvader hadden een drukke zaak in het dorp. Er waren mensen die vonden dat haar moeder op zijn geld uit was, maar dat was de grootste kritiek die ze op hen hadden. Ik zeg je alleen dat je voorzichtig moet zijn, dat is alles. Ik wil je niet verstikken of kortwieken, maar ik zou mijn plicht niet doen als ik geen uiting gaf aan mijn bezorgdheid, wel?’

‘Nee. Ik begrijp het. Ik waardeer het,’ zei ik. ‘Het spijt me. Ik wilde niet tegen je snauwen. Ik stel je bezorgdheid echt op prijs.’

‘Goed. Het is lief dat je om hem geeft, Alice, maar wees voorzichtig.’ En toen, in een poging om uit te leggen wat ze bedoelde, ging ze verder. ‘Soms, als je in iemand investeert, ben je net als een gokker die verliest en blijft gokken om het terug te winnen, maar nog meer verliest. Ik kan het weten.’

Ik dacht even na. ‘Je hebt me verteld hoe geweldig het was om de vriendin van mijn moeder te worden. Dacht zij net zo over jou?’

‘Ik geloof het wel. Zoveel vriendinnen had ze niet toen ik haar leerde kennen. Feitelijk had ze geen intieme vriendinnen, maar ik vond haar het interessantste en opwindendste meisje dat ik ooit had ontmoet en het kon me niet schelen of we hopen vriendinnen hadden of niet. Afgezien van al het andere, was ik een mooi publiek voor haar, en ik gaf haar een goed gevoel over zichzelf.’

‘Ik denk dat ik dat in zekere zin voor Duncan ben.’

‘Ja. Maar wees voorzichtig, schat. Een van Tylers favoriete uitspraken is: Neem niet te veel hooi op je vork. Het mooie van al die adagia is dat ze met het verstrijken van de tijd standhouden.’ Ze glimlachte en keek naar mijn boek. ‘Tyler houdt van die roman. Als je je boek uit hebt, zal hij er graag met je over praten.’

‘Dat zou ik fijn vinden.’

‘Ik ben békaf. Tot morgen.’ Ze liep de trap op om naar bed te gaan.

Ik zat te luisteren naar de regen die maar niet scheen te willen bedaren. Ik voelde mijn oogleden zwaar worden en besloot zelf ook te gaan slapen. Er ging van alles door mijn hoofd, zoveel vragen en gedachten, na wat tante Zipporah had gezegd. Ik lag zo erg te woelen en te draaien dat ik pas in de kleine uurtjes in slaap viel.

De volgende ochtend was ik zo moe dat ik niet opstond toen ik Tyler hoorde. Ik viel weer in slaap. Toen ik eindelijk opstond, zag ik dat er een briefje voor me op de koelkast lag. Mijn tante herinnerde me eraan dat ze wilden dat ik de dag in mijn atelier doorbracht en niet in het café kwam werken.

Ik nam een douche om goed wakker te worden en ging toen mijn ontbijt klaarmaken. Tante Zipporah belde om te horen of ik het briefje gevonden had en alles goed ging.

‘Ik hoop dat ik je niet van streek heb gemaakt gisteravond, Alice.’

‘Nee. Maak je daar geen zorgen over.’

‘Bel het café als je wat nodig hebt.’

Ik bedankte haar. Ik had nog niet opgehangen of de telefoon ging weer over. Deze keer was het Duncan en fluisterde hij niet.

‘Het spijt me dat ik gisteravond zo kortaf was toen je belde, maar ze stond vlak achter me. Ze was erg kwaad dat ik niet gebeld had en gezegd dat ik niet thuis zou komen eten.’

‘Dus nu haat ze me, hè?’

‘Nee, ze vroeg niet eens waarom ik niet gebeld had of waar ik was. Zo is ze. Ze weet het.’

‘Duncan -’

‘Nee, ze weet het,’ hield hij vol. ‘In ieder geval straft ze me door me vandaag niet mee te nemen naar de kerk.’

‘Is dat een straf?’ vroeg ik lachend.

‘Ze zegt dat ik Gods genade niet verdien voordat ik oprecht berouw toon. Ze is net weg.’

‘Nou, ik vind niet-’

‘Ze zal bijna de hele dag wegblijven,’ viel hij me snel in de rede. ‘Ik weet dat je wilt schilderen, maar misschien kunnen we elkaar later zien, als je dat goedvindt.’

‘Natuurlijk vind ik dat goed. Je kunt een verrukkelijke lunch voor me klaarmaken.’

Hij lachte niet. Hij zei niets.

‘Duncan?’

‘Ik zal het proberen. Er zijn een hoop dingen die ik beloofd heb te doen.’

‘Ik ga vandaag nergens naartoe,’ zei ik. Hij zweeg weer. ‘Gaat het goed met je?’

‘Ja, alleen… ja, het gaat goed. Vergeet wat ik heb gezegd. Ik weet zeker dat ik hier een hele tijd mee bezig ben. We hebben een serieus probleem met de afvoer. Onze ondergrondse bron.’

‘Misschien kun je dan beter iemand bellen.’

‘Ik kan het zelf wel,’ protesteerde hij. ‘Vergeet dat ik gebeld heb. Sorry.’ De verbinding werd verbroken.

‘Duncan? Verdomme,’ mompelde ik en hing op. Hij was zo gecompliceerd. Het ene ogenblik was hij gloeiend heet en dan weer ijskoud en het was bijna onmogelijk te voorspellen wanneer en waarom hij van stemming wisselde. Erger nog, ik had geen idee wat hem zou kunnen doen veranderen. Het had niets met mij te maken of met wat ik zei. Misschien hoorde hij stemmen die alleen hij kon horen. Ik kon het weten.

Ik dacht aan mijn gesprek met tante Zipporah. Ze had volkomen gelijk. Ik moest wat meer aan mijzelf gaan denken. Ik raakte te veel betrokken bij iemand die net zo veel – misschien wel meer – problemen had als ik.

Neem niet te veel hooi op je vork.

Het was een goede raad.

Als je te veel hooi op je vork nam, zou je eronder bezwijken.

Ik kwam hier om vrij en gelukkig te zijn, de baby te zijn die de ooievaar op de drempel had achtergelaten, om mijzelf te zijn.

Misschien was het niet aardig, maar ik hoopte dat hij niet zou komen.

Om mijn geweten te sussen, legde ik me toe op mijn tekenen en schilderen. Gelukkig raakte ik algauw verdiept in mijn eigen fantasiewereld.

Mijn grootmoeder vermoedde het niet toen ze mij mijn naam gaf, maar ik was Alice, en mijn schilderkunst was mijn Wonderland.