Ontdekking op zee
Fenton Hardy liep naar buiten en tuurde met een uitdrukking van wrevel op zijn gezicht het donker in.
’Waar zit die Smalley nu in vredesnaam? Wie neemt er nu voor een paar van die jongens de benen! De sufferds!’
De detective stak het brede maanverlichte grasgazon over.
’Smalley!’ riep hij zachtjes. Het geritsel van de wind door de bladeren was zijn enige antwoord. Hij slenterde een eindje de straat op. ’Smalley!’ Hij luisterde scherp. Hoorde hij een zwak geluid aan de andere kant van de heg? Meneer Hardy stond stil, tot in ’t uiterste gespannen. Plotseling draaide hij zich met een scherpe kreet om. Hij was een fractie van een seconde te laat. Een ineengedoken figuur sprong hem plotseling op de nek en sloeg hem tegen de grond.
’Je hebt nu wel genoeg rondgespookt, vind ik,’ sprak een snijdende stem en een ijzeren vuist klemde zich om zijn keel.
Wanhopig worstelde Fenton Hardy om los te komen, maar tevergeefs. Tenslotte gaf hij het op en bleef stil liggen. ’Zo is ’t beter,’ beet de vreemdeling hem toe. ’We hebben je te pakken, meneer de Beroemde Detective!’ De man lachte hees. ’We houden je al wekenlang in de gaten. We weten alles van je.’
’Nu?’ vroeg meneer Hardy. ’Wat wil je?’
’Je weet wat ik wil, Fenton Hardy. Waar is ’t kasboek van Hinchman’s bedrijf? Komaan, zeg ’t maar. Waar is het?’
De detective zei niets. De greep om zijn keel verstevigde zich.
’Waar is dat kasboek?’ snauwde de man toen de detective zich snakkend naar adem los trachtte te wringen.
Het werd meneer Hardy zwart voor de ogen. Toen, op het moment dat hij dacht het bewustzijn te verliezen, voelde hij de hand om zijn keel plotseling verslappen. Vaag drong het tot de detective door dat er een derde op het toneel verschenen was.
'Ik heb ’em, meneer Hardy,’ klonk een bekende stem.
Er klonk een doffe plof, gevolgd door het geluid van een worsteling.
Even later hoorde de detective een schreeuw en zich verwijderende voetstappen. ’Hij is er vandoor,’ gromde dezelfde bekende stem. Met enige krachtsinspanning ging Fenton Hardy overeind zitten. ’O, ben jij ’t, Smalley?’
’Ja, meneer. Ik dacht dat ik hem te pakken had. Hij had al een flinke mep gehad, maar toen ik me omdraaide om naar u te kijken, sprong hij op en rende weg.’
Meneer Hardy haalde zijn schouders op. ’Niets aan te doen, Smalley. Zorg alleen dat je de volgende keer niet verdwijnt, als ik je nodig heb. Herkende je mijn zoons niet?’
De waker keek zijn werkgever vragend aan. ’Uw zoons, meneer? Die heb ik niet gezien. Ik zit al een uur achter die kerel aan, die u aanviel.’
’O, zit dat zo? Wel, blijf op je hoede, Smalley. Roep me als je me nodig hebt.’ In gedachten verzonken keerde meneer Hardy naar huis terug.
’s Morgens aan ’t ontbijt vertelde hij wat er gebeurd was.
’Dus ’t was niet de nachtwaker, die we achterna zaten,’ riep zijn zoon uit. ’’t Was er een van Hinchman’s bende....’
’Vader! Frank!’ Met een krijtwit gezicht kwam Joe de kamer in gestormd. ’Het kasboek is verdwenen.’
’Wat!’ riep meneer Hardy uit en sprong op. Frank staarde zijn broer ongelovig aan. ’Het kasboek weg? We hebben het gisteravond toch op je bureau laten liggen, vader?’
Een snelle speurtocht door het gehele huis bevestigde Joe’s bewering. Ontmoedigd vielen de jongens tenslotte in een stoel en keken elkaar aan.
’Daar gaat het mooiste bewijs dat we tegen Hinchman en zijn troep hadden,’ klaagde Frank. ’We zijn weer net zo ver als toen we begonnen.’
’Misschien kunnen we ons nog iets herinneren van wat erin stond. Laten we proberen het op te schrijven,’ raadde Joe aan.
’Dat heeft geen enkele zin. We moeten het officiële bewijsstuk aan de justitie kunnen overleggen. Verdorie - ’t is allemaal onze eigen schuld. Hadden we die vent maar gepakt gisteravond, in plaats van hem alleen maar aan ’t schrikken te maken.’
’Ja, dat hadden we zeker moeten doen. Hij moet degene zijn die het boek gestolen heeft.’
’Of een medeplichtige,’ zei Frank. Op dat moment kwam Fenton Hardy, die even weg was geweest om de telefoon aan te nemen, de kamer binnen.
’Jongens, ik word net opgebeld door het ministerie van Justitie in Washington. Ze willen dat ik direct kom om het een en ander te overleggen. Ik vertrouw jullie deze zaak verder toe, zolang ik er niet ben.’
De jongens beloofden hun vader hun best te doen en brachten hem vervolgens weg naar het vliegveld, vanwaar de detective met een speciaal vliegtuig vertrok. Op de terugweg kocht Frank een krant.
’Kijk eens naar die vette koppen, Joe! Hinchman is weer bezig.’
Opgewonden leunde Joe Hardy over zijn broers schouder.
’Lading ter waarde van duizenden guldens in de haven van Bayport gestolen!’ las hij hardop. ’Wat zeg je daarvan, Frank? Ze zijn nu hier in Bayport aan de gang!’
’Waren aan de gang, bedoel je,’ gromde zijn broer. ’Geloof maar dat ze op dit ogenblik al een heel eind hier vandaan zitten.’
’Tenzij ze de buit verstopt hebben om ’em later, als de opwinding wat gezakt is, te vervoeren,’ zei Joe. ’Zullen we eens op zoek gaan?’
Ze waren net op weg gegaan, toen ze Chet Morton ontmoetten. Vuurrood en buiten adem kwam hun vriend op hen toe. ’Jullie zijn juist degenen die ik zoek,’ riep hij opgewonden, ’Ik heb één van jullie dieven gevangen!’ kondigde hij trots aan. ’Maar ik zou ’t niet graag nog eens doen. Voor geen geld ter wereld.’
’Wat doen, Chet? Wat bedoel je? Maak je een grapje?’ schreeuwden de Hardy’s.
’Ik meen het ernstig,’ antwoordde de stevige knaap. ’Jullie hadden me zo lekker geholpen met ’t toneelstuk door die degens mee te brengen en zo. Nou, toen vond ik dat ik maar eens een mysterie voor jullie moest oplossen. Toen ik dan ook in de krant las dat een zekere Castillo....’
’Castillo!’ riep Frank uit.
’Ja, in de krant stond dat Señor Castillo - hij is pas geleden naar Bayport gekomen - schermlessen zou geven.’
’Vertel me nu niet dat jij schermlessen neemt,’ lachte Frank ofschoon hij stond te popelen om de rest te horen.
Chet keek beledigd. ’Jullie schijnen het niet erg op prijs te stellen dat ik help een zaak tot een oplossing te brengen,’ klaagde hij.
’Ga nou door,’ pleitte Frank. ’Je zult toch moeten toegeven dat je nooit enige belangstelling voor een degen aan de dag hebt gelegd. Maar wat ben je op ’t spoor gekomen?’
’Terwijl Castillo me les gaf, stelde ik hem een heleboel vragen,’ legde Chet uit. ’Of hij een stierenvechter was en of hij een matadordegen bezat en al dat soort dingen meer.’
’Tjonge, wat zei hij,’ drong Joe aan.
’Hij is ’t niet en hij was ’t niet en hij heeft ’t niet,’ grinnikte Chet.
’En ik dacht dat je zei dat je een dief gepakt had,’ zei Frank.
’Dat is ook zo,’ verklaarde Chet en pauzeerde even. Hij genoot ervan de leiding van het gesprek te hebben.
’Toe, vertel ’t nou,’ bedelde Frank.
’Deze schermer Castillo vertelde me dat de matador Castillo in een circus werkt,’ berichtte Chet. ’Hij weet niet welk, maar dat zal voor jullie niet moeilijk uit te vinden zijn.’
’Je bent geweldig,’ prees Joe. ’Hoe kunnen we je onze dank betonen?’
Chet veegde zijn bezweet voorhoofd af en klakte met zijn tong. ’Je mag een kwart liter ijs voor me kopen en me meenemen in de ’Sleuth’, terwijl ik het opeet!’ grinnikte hij.
’Nou, dat is ’t minste wat je verdient,’ lachte Frank en Joe stemde in.
Een half uur later stapten ze gedrieën aan boord van de ’Sleuth’. Terwijl Joe de tros losgooide, loodste Frank, aan het roer gezeten, het ranke jachtje door het onstuimige water in de haven naar de wijde vlakten van de Barmet Baai.
’Jongens, wat een meesterlijke bries,’ riep Chet verrukt. ’Dit is leven,’ voegde hij eraan toe en hapte in een grote berg vanille-ijs.
’Wat is dat daar aan stuurboord, Frank?’ onderbrak Joe hem. ”t Lijkt wel een oude schoener.’
Zijn broer pakte de verrekijker en sloeg het vaartuig enige ogenblikken gade. ”t Is een schoener; ’Mirador’ heet ze. Er ligt een andere boot langszij, een grote motorboot,’ lichtte hij de anderen in.
’Dat is vreemd. Kun je zien wat ze doen?’
’Niets geloof ik. Of wacht! Ja! Ze laden een paar kisten van de schoener over in de motorboot. Daar gaat er één... twee... drie. Minder eens wat vaart, Joe!’ Gespannen staarde Frank door zijn verrekijker.
’Zes kisten,’ zei hij even later. ’Ze zijn klaar. De motorboot vaart weg.’
Joe en Chet zagen dat het kleinere vaartuig zich van het andere verwijderde en tenslotte op de kust aanstuurde. Tegelijkertijd werden de zeilen van de schoener gehesen en majestueus zette het schip koers naar zee. ’Wat zou dat allemaal te betekenen hebben, Frank?’ vroeg Joe gespannen. ’Met een haven als die van Bayport in de buurt, hoeft een scheepslading toch niet op het water overgeladen te worden. Vind je niet dat we de kleine boot moeten volgen en zien of we niet wat meer aan de weet kunnen komen?’
Chet trok een zuur gezicht. ’We zijn juist zo’n lekker tochtje aan ’t maken. Die boot krijg je toch niet. Ze is al bijna uit ’t gezicht.’
’Kijk uit! Een grote golf,’ riep Joe.
De ’Sleuth’ werd op en neer geslingerd op ’t onstuimige water. Frank draaide de boot wat bij, doch op ’t zelfde ogenblik overspoelde een geweldige golf het kleine scheepje bijna. Chet uitte een kreet.
’Hé, wat doe je, Frank? Wil je ons verdrinken?’ schreeuwde hij. ’Ik dacht dat we een pleziertochtje zouden maken.’
Opnieuw helde de ’Sleuth’ over toen een hoge watermassa op haar instormde en schuimend op de reling uiteenspatte. Joe keek om zich heen. ’We krijgen zwaar weer, Frank,’ merkte hij op. ’De wind wakkert met de minuut aan.’
Frank knikte, ’Ik ben bang dat we terug moeten keren. Pech!’
Na een half uurtje op het woeste water te hebben rondgedobberd, wist Frank eindelijk de ’Sleuth’ de betrekkelijke kalmte van de haven binnen te loodsen en even later meerden ze haar aan de steiger. De Hardy’s brachten Chet naar huis en bedankten hem nog eens voor de tip over de matador. Daarna reden ook zij naar huis terug.
’Laten we vader opbellen en hem vertellen wat we gezien hebben,' stelde Frank voor. 'Misschien heeft hij een idee.’
Hij wachtte tot hij er zeker van was, dat zijn vader in Washington was gearriveerd. Toen belde hij hem op het ministerie van Justitie op en deed verslag van hun belevenis.
’Wat zei hij?’ vroeg Joe nieuwsgierig toen zijn broer opgehangen had.
'Die schoener, de ’Mirador’, legt vanavond aan in Ocean Bluff met een waardevolle partij zijde voor een parachutefabriek. Vader wil dat we daar zijn, wanneer ze aankomt.’
'Ocean BlufF is hier maar vijftien kilometer vandaan,’ zei Joe. ’Als we opschieten, kunnen we daar nog net op tijd zijn voor het schip aankomt.’
Ze bereikten de haven van Ocean Bluff op tijd en ontdekten algauw de oude schuit, die op z’n hulpmotor naar de pier toe voer.
Frank trok zijn broer opzij. ’Ze kunnen ons beter niet zien,’ waarschuwde hij.
Het scheen een eeuwigheid te duren, voordat de boot aan de kade gemeerd lag, enkele meters van de plaats waar de Hardy’s zich verborgen hielden. Plotseling reed een grote vrachtwagen voor. De bestuurder sprong eruit en liep op de kapitein van de schoener toe.
’Ik kom van de parachutefabriek,’ deelde de employé mee en hij toonde zijn papieren. ’Vijftien kisten.’
’Ze zijn aan dek,’ snauwde de kapitein hem de papieren teruggevend. ’Ga je gang en schiet een beetje op.’
Vol spanning telden de jongens de kisten, die de chauffeur naar zijn wagen sjouwde.
’Negen,’ fluisterde Joe tenslotte. ’Nog zes.’
’Wat is er aan de hand? Hij gaat weg. Kijk, hij praat met de kapitein.’ Ze konden de twee mannen woordelijk verstaan.
’Waar zijn de andere kisten, kapitein? Nog zes.’
De jongens zagen dat de zeeman zijn wenkbrauwen fronste.
’Wie zegt dat? Ik heb je gezegd dat alle kisten aan dek zijn.’
’Nee kaptein, niet allemaal.’
’Dan zijn ze ook niet ingeladen. Ik heb er niet meer.’ Joe stootte zijn broer aan. ’Hoor je dat, Frank. Zullen we die ouwe brombeer eens vertellen wat we van hem weten.’
Voor Frank het kon verhinderen, stapte Joe op de beide mannen af.