De vermomming

Een rilling liep de jongens over de ruggengraat. Zouden ze er nu al bij zijn?

’Waar is Charley? Heeft hij een ander baantje?’ vroeg de man.

Frank dacht snel na.

’Ik geloof het wel,’ zei hij, zich dwingend tot een joviale lach.

’Wat een rotzaak, die Klondike Company!’ barstte de man uit. 'Wanneer zullen ze nu eens ophouden met onervaren chauffeurs te sturen? Nou, schiet maar op!’

De jongens slaakten een zucht van verlichting en begonnen samen de lege kisten uit te laden. De man bleef enige ogenblikken staan kijken en verdween toen weer. Frank stootte zijn broer aan.

’Ga jij hiermee verder, Joe, dan ga ik eens rondkijken,’ zei hij.

Frank zocht zich een weg door de halfdonkere goederenloods en zag aanvankelijk niets bijzonders. Toen viel zijn oog op een glazen deur die dik onder het stof zat.

'Een lift,’ mompelde hij terwijl hij op de knop drukte.

De lift, die gezien de geluiden die erbij geproduceerd werden, niet al te nieuw meer was kwam naar beneden en Frank stapte in.

’Hm, drie verdiepingen,’ zei hij, het knoppenpaneel bekijkend. 'Nou, ik zal maar met de eerste beginnen en dan doorwerken naar boven!’

Hij drukte op de knop, het gevaarte kwam steunend in beweging en op de eerste stapte hij uit, maar met één sprong was hij weer binnen en drukte op de knop naar de derde. Voetstappen naderden de lift! En het was geen seconde te vroeg geweest, hij zag nog net twee mannen naar hem gebaren.

'Pff! Dat was op het nippertje! Maar ze zullen nu toch moeten wachten, tot ik eruit ben,’ mompelde hij opgelucht.

De lift stopte op de derde verdieping. Frank deed de deur open en keek voorzichtig naar buiten. Hij bevond zich in een grote, verlaten ruimte die vol stond met grote kisten, kratten en stellages.

’Wat is dat?’ zei hij plotseling half hardop. ’Er krast iets.’

Iedere zenuw gespannen kroop hij tussen twee rijen dozen door. Toen zei er iets klik en een heftige pijn schoot door zijn ene voet.

Frank gaf onwillekeurig een schreeuw maar een ogenblik later had hij zich wel voor zijn hoofd kunnen slaan voor zijn gebrek aan zelfbeheersing. Omkijkend zag hij dat hij met zijn rechtervoet klem zat in een rattenval en met een ruk trok hij zich los.

Wat nu? Binnen twee minuten staat door die gil van mij het hele personeel hier boven, dacht hij somber.

Toen hoorde hij het krassende geluid weer. Het kwam uit een grote doos naast een open raam.

Dat is vreemd! dacht de jongen opgewonden.

Hij stond op het punt om poolshoogte te gaan nemen, toen hij iets hoorde aan de andere kant van de opslagruimte. Frank keek met een schok op.

’Daar komt iemand,’ mompelde hij. ’Ik moet me verbergen!’

Hij kroop vlug weg achter een hoge stapel kratten en het was precies op tijd, want die kerels liepen langs hem heen, gelukkig zonder hem te zien.

’Je bent gek, Storch, dat je niet eerst zijn zakken hebt nagekeken voor je hem hierheen bracht,’ snauwde een van de drie.

’Man, barst!’ gromde een ander. ’Wat had dat nu voor nut? Hij zit goed opgesloten, of niet soms? En hij kan er niet uit, voor wij hem er uitlaten.’

’Hoe weet je dat ie dat niet kan? Die detectives zijn net duivelskunstenaars. Die kunnen overal uit!’

’O.K., kijk zelf en overtuig je of hij eruit kan!’

Frank’s hart bonkte zo hard dat hij haast bang was dat de mannen het konden horen. Opeens begon er een bel te rinkelen.

’Kom mee! De bel!’ zei de man, die Storch werd genoemd. De mannen haastten zich naar de lift en verdwenen naar beneden. Frank wachtte tot alles weer stil was en haastte zich toen naar de doos. Hij leunde er dicht tegenaan, maakte een trompet van zijn vuist en fluisterde: ’Vader! Frank hier!’

Even bleef het stil. Toen kwam het antwoord: ’Vlug alsjeblieft!’

De jongen keek rond, op zoek naar gereedschap. Op de grond lag een oude metalen vijl en Frank toog aan ’t werk. Even later was meneer Hardy bevrijd.

’De hemel zij dank dat jij kwam,’ fluisterde de detective hijgend.

’Ik was bijna gestikt.’

’We hebben geen tijd te verliezen, vader. Ze kunnen elk ogenblik terugkomen. Gaat het weer een beetje?’

Frank keek zijn vader met gemengde gevoelens van opluchting en bezorgdheid aan.

’Eh... ja, Frank,’ antwoordde zijn vader, hoewel hij nog wel een beetje wankel op zijn benen stond. ’We moeten zien dat we wegkomen. Met die lift gaat natuurlijk niet. Wat denk je van...’

Plotseling klonk een geluid. De lift was weer in beweging gekomen!

’Ze komen terug, vader!’ fluisterde Frank in paniek. ’Vlug, achter die kisten!’

Fenton Hardy schudde zijn hoofd.

’Dat heeft geen zin, Frank. Ze zullen alles overhoop halen. Zoek de brandtrap. Er moet er een zijn hier.’

Het begon al schemerig te worden en Frank haastte zich de ruimte door. In een oogwenk was hij terug.

’Hij is daar aan de overkant, vader, en de deur is open! Vlug!’

Zijn vader zoveel mogelijk ondersteunend haastte Frank zich door het donkere gangetje.

’We moeten langs de lift, vader! Opschieten!’

’Hhh, j-ja F-Frank, hhh,’ hijgde de detective.

Het leek een eeuwigheid te duren voor ze de gevaarlijke zone waren gepasseerd en de brandtrap hadden bereikt. De lift stopte en verscheidene mannen kwamen eruit. Frank greep zijn vader beet en ze bleven stokstijf staan.

’Waar heb je hem?’ klonk de welbekende stem van Hinchman.

’Aan de overkant, in een grote kartonnen doos, Charlie!’ zei een ander. ’Hank, waar zit het licht? Het barst hier van de muizenvallen.’

Frank dacht dat zijn hart stilstond, toen het licht aanflitste en een zucht van verlichting ontsnapte hem, toen de kerels zonder op- of omkijken in de richting van de opengebroken krat liepen.

Zonder geluid te maken slipten de Hardy’s door de deur naar de brandtrap. Buiten haalden ze diep adem en voorzichtig zochten ze hun weg naar beneden.

’Hou je ogen goed open, Frank. We zijn er nog niet,’ mompelde meneer Hardy.

Beneden keken ze om zich heen. Voor zover ze konden zien was de straat verlaten.

’Zullen we van kleren verwisselen?’ vroeg Frank. ’Dan lopen we minder kans dat ze je herkennen.’

’Goed idee. Daar is een donkere hoek.’

Vlug verwisselden ze van bovenkleren. Een grote hond kwam aanlopen en begon verwoed te blaffen. Frank zonk het hart in de schoenen toen een zwaargebouwde man haastig op hen af kwam.

’Doe alsof je kreupel bent, Frank,’ fluisterde meneer Hardy. ’En laat de rest aan mij over.’

De man trok de hond weg en keek wie hij voor zich had. Uit het donker kwam een kreupele jongen tevoorschijn, leunend op de arm van een oudere kameraad in een overal.

’Wat is er aan de hand?’ vroeg de man, terwijl hij hen vluchtig aankeek. ’Heeft de hond je gebeten?’

De oudste van de twee schudde zijn hoofd.

’Iek niet verstaan. Zoon, hij lam. Hebben u werk?’

De eigenaar van de hond grijnsde.

’Nee, sukkels kan ik niet gebruiken, man. Maak dat je wegkomt!’

Hij keek hen na tot ze om de hoek van de straat verdwenen waren. Daar kon Frank zich niet langer meer inhouden.

’Dat was knap werk, vader! Je speelde meesterlijk! Toen ik die vent zag aankomen, dacht ik toch echt dat we erbij waren.’

Fenton Hardy’s gezicht stond grimmig.

’Waar is Joe? Had je die niet bij je?’

’Ja, hij was beneden in de loods, toen ik jou ging zoeken.’ Frank keek de straat af. ’Onze truck is weg! Dat moet Joe’s werk zijn!’

’Nou, dan zal hij waarschijnlijk wel in veiligheid zijn. Nu moeten...’ De detective stond plotseling stil en leunde tegen de muur.

’Vader! Ben je ziek?’ Frank ving zijn vader nog net op.

’Jee, ik was helemaal vergeten dat je zowat gestikt bent en je hebt natuurlijk niet gegeten ook!’

’Het... het gaat alweer. Kom, we moeten opschieten. Ze kunnen nu elk moment achter ons aankomen. Ik zal een beetje op je leunen, dan gaat het vlugger.’

Een kwartier lang haastten vader en zoon zich voort, zo vlug als meneer Hardy’s krachten het toelieten.

Toen kwamen ze in een winkelstraat met verschillende eetgelegenheden. Frank koos er een uit met een Spaanse naam: El Matador.

’Dat klinkt interessant!’ zei hij, zich afvragend of de zaak soms door een vroegere matador gedreven werd. ’Zullen we hier wat gaan eten?’

De jongen en zijn vader gingen een zaaltje binnen, waarvan de wanden versierd waren met zijden sjaals en gekruiste zwaarden. Een man in Spaans kostuum speelde zachtjes op een gitaar. Het zat er vol mensen en er waren slechts enkele tafeltjes vrij. Een kelner kwam snel op de Hardy’s toe.

’’t Spijt me, maar er is geen tafel meer vrij!’ zei hij.

’Daar in de hoek is er toch een,’ merkte Frank op.

’Die is gereserveerd. We hebben geen onbezette tafels meer.’

’Alstublieft ober, mijn vader...,’ begon Frank, waarna hij onderbroken werd door een harde, rauwe stem.

’Kijk, kijk! Haha!’

Frank werd vuurrood. Toen zag hij opeens vlakbij een prachtige papegaai in een kooi.

Meneer Hardy stootte een zacht lachje uit.

’Frank, kijk eens naar onze kleren! Daar hadden we helemaal niet meer aan gedacht,’ fluisterde hij.

Vader en zoon bemerkten plotseling dat aller ogen op hen gericht waren. De gesprekken stokten, terwijl de deftige gasten hen nieuwsgierig aanstaarden.

’Wilt u zich ogenblikkelijk verwijderen,’ beval de kelner verontwaardigd. ’Als u iets wilt eten, kunt u bij het station een automatiek vinden!’

Op dat moment kwam de eigenaar van het restaurant erbij. Eén blik op de Hardy’s maakte hem duidelijk dat dit geen ongewenste gasten waren. Hoewel hij het de kelner niet kwalijk kon nemen, wilde hij deze mensen toch ook niet beledigen. Hij gebaarde hun hem te volgen.

’Mag ik u een plaats in dit vertrekje aanbieden,’ glimlachte hij, ’dan kan ik u zelf bedienen. Wat wenst u te gebruiken?’

’Dank u,’ zei meneer Hardy en zonk vermoeid in een stoel. ’Hete soep graag.’

Al gauw werd het de Hardy’s duidelijk dat de eigenaar iets van hun vermomming vermoedde. De man trachtte hardnekkig achter hun identiteit te komen, doch de detective en zijn zoon gaven hem geen enkele aanwijzing, maar brachten het gesprek op wapens.

’Verzamelt u ze?’ vroeg Frank.

’Vroeger wel, toen ik nog veel reisde,’ antwoordde de man, ’nu geef ik er niet veel meer om!’

’Hoe kwam u erbij om dit restaurant 'El Matador’ te noemen?’ informeerde Frank even later. ’Houdt u van stierenvechten?’

’O ja, heel erg. Maar er zijn tegenwoordig geen goede stierenvechters meer. De laatste die ik zag was Castillo, maar hij hield ermee op en kwam hierheen!’

Deze woorden herinnerden Frank plotseling aan de antiquair, meneer Panser, die gezegd had dat hij de estoque wellicht aan een matador zou kunnen verkopen. Verbaasd vroeg de jongen zich af of dit misschien een spoor was, dat zou kunnen leiden naar degene die in het bezit was van Mr. Barker’s estoque.

’Waar is die Castillo nu?’ vroeg Frank de eigenaar van El Matador, met spanning het antwoord afwachtend.

’Ik weet het niet,’ was het teleurstellende antwoord. 'Waarschijnlijk doet hij werk dat in de verste verte niets met stierenvechten te maken heeft.’

De Hardy’s hadden hun maaltijd beëindigd en de detective betaalde de rekening. Hij bedankte de eigenaar voor zijn welwillendheid en opperde lachend, hen door een zijdeur uit te laten. Op straat begonnen de moeilijkheden echter weer.

’We kunnen het best een taxi naar het station nemen,’ zei meneer Hardy. ’Daar hebben we de meeste kans Joe te treffen. Als hij er niet is, nemen we de trein naar Aberdeen. Ik heb wat papieren die ik nodig heb in het hotel achtergelaten!’

Het kostte hun enige moeite een taxichauffeur bereid te vinden hen te vervoeren. Tot twee maal toe werd hun verzoek tot stoppen genegeerd. Terwijl de bestuurders eens schuins naar hun kleding keken, reden zij door. Een derde wagen stopte, maar de chauffeur bedong betaling vooraf alvorens hun te laten instappen.

'Over twintig minuten vertrekt er een trein,’ deelde Frank zijn vader mee. ’Dat laat ons nog de tijd om...’

Hij hield plotseling op toen er vlak naast hem een bekend fluitje klonk.

’Ja, dat ben ik,’ grinnikte Joe, die uit het niets op scheen te duiken. ’Dag vader. Ik ben blij je weer te zien. We kunnen beter niet hier blijven. Volg mij maar!’