Een aanwijzing
De chauffeur liet de jongens zijn papieren zien. Er was onder meer een getuigschrift bij, ondertekend door de directeur van de Company, waarin dank werd betuigd voor zoveel jaren trouwe dienst.
Helemaal ondersteboven door de verschrikkelijke vergissing die ze hadden gemaakt, vertelden de jongens de man de hele geschiedenis.
’Ja, het is wel duidelijk dat jullie de dief niet met opzet geholpen hebben,’ zei hij tenslotte. ’Jullie konden ook niet weten wat hij in zijn schild voerde.’
’Toch hadden we beter op ons qui vive moeten zijn,’ mompelde Frank mistroostig. ’Per slot van rekening worden we verondersteld detectives te zijn. Nou, een mooi stelletje detectives zijn we!’
De man staarde hen in opperste verbazing aan. 'Detectives? Jullie, jongens, detectives?!’
Frank stelde zijn broer en zichzelf voor. De chauffeur glimlachte breed en stak zijn grote hand uit.
’Geef me de vijf, mannen. Ik ben blij jullie te leren kennen,’ zei hij gul. ’Ik heb al vaak van jullie vader gehoord. Ik ben Tom Klip, de beste chauffeur van de Liberty Company, al zeg ik het zelf. Dat wil zeggen, dat was ik tot nu toe,’ vervolgde hij mistroostig. ’Dit geintje kost me de kop, dat staat zo vast als een huis.’
Frank trok zijn wenkbrauwen op.
’Ik vraag me af waar die andere chauffeur zijn papieren vandaan had. De vervalser die ze gemaakt heeft, zal er een goed zaakje aan gehad hebben.’
’Nou!’ viel Joe zijn broer bij. ’Als we die vent konden vinden, zouden we een belangrijke aanwijzing hebben.’
Frank knikte. ’Ja, en ik heb al een idee ook.’ Hij trok de anderen mee naar de kant van de weg en enige ogenblikken lang stonden ze met z’n drieën hevig te beraadslagen.
Dit was niet de eerste keer dat de broers zich belast zagen met het oplossen van een raadsel. Als echte zoons van hun vader, één van de beroemdste detectives van het land, hadden Frank en Joe zich al spoedig een eigen reputatie opgebouwd. Hun eerste avontuur wordt verteld in ’De schat in de toren’, waarin de jongens hun vader helpen een gestolen schat terug te vinden. Hun moeder, Laura Mildred Hardy, en hun tante Gertrude waren niet zo gelukkig met het beroep dat de jongens hadden gekozen, hoewel ze in hun hart toch wel trots op hen waren. Fenton Hardy daarentegen was er reuze mee in zijn schik en hij had dan ook al verschillende malen een opdracht naar zijn zoons overgeheveld, als hij zelf door iets anders in beslag werd genomen. Hoewel dergelijke opdrachten vaak met groot gevaar gepaard gingen, waren Frank en Joe nog nooit voor de consequenties teruggedeinsd. Hun laatste avontuur, ’Het geheim van de Flying Express’, waarin jacht wordt gemaakt op staatsgevaarlijke spionnen, is daarvan een sprekend bewijs.
En nu, staande op de verlaten verkeersweg naar Aberdeen, voelden de broers dat ze aan het begin stonden van één van de meest opwindende zaken van hun carrière.
’Ik ben bang dat er niet veel meer te doen is aan de roof, jongens,’ zei Tom Klip pessimistisch. ’Je krijgt die andere chauffeur nooit meer te pakken. Die is foetsie.’
’Als we hier blijven staan, is hij dat zeker,’ antwoordde Frank.
’Tom, ik stel voor dat jij teruggaat naar je baas en in de buurt van de telefoon blijft. We bellen je op zodra we wat weten.’
’Nou eh, als je ’t zegt, goed dan, maar...’
Maar Frank en Joe luisterden niet meer. Ze renden naar hun wagen, draaiden hem en gingen full speed op Aberdeen aan.
’Waar wil je beginnen, Frank?’ vroeg Joe.
’Het lijkt mij het beste om eerst naar de spoorwegovergang bij de aanlegsteiger te gaan en eens bij de baanwachter te informeren,’ antwoordde Frank.
’Stel je voor dat Tom Klip tot de bende blijkt te behoren en dat de andere chauffeur de echte is. Dan slaan we even een modderfiguur!’
’Zijn papieren leken in ieder geval echt,’ zei Frank. ’Als we hem eerst maar te pakken hebben, dan is de zaak zo voor elkaar. Ziezo, we zijn er. Ik hoop dat die baanwachter er nog is... Wacht, daar loopt ie, Joe.’
De jongens sprongen uit de wagen en liepen op de grijze, oude man af, die hen vragend aankeek.
’Een vrachtwagen? Jazeker, er zijn een heleboel vrachtwagens gepasseerd vanavond,’ antwoordde hij op hun vraag.
’Ja, maar die wij bedoelen, was van de Liberty Company,’ drong Frank aan.
De oude man trok eens aan zijn pijp.
'Liberty Company? Hmm. Ja, ik heb een wagen van de Liberty Company gezien. Eens even kijken, ongeveer een half uur geleden, als ik me niet vergis.’
'Dat is hem,’ zei Joe, die zijn opgewondenheid haast niet kon verbergen. ’Welke weg heeft hij genomen?’
'Nou, ik durf het niet met zekerheid te zeggen, jongens, maar ik dacht dat hij linksaf was gegaan. Die weg leidt naar de bergen. Maar houdt me ten goede, ik weet het niet zeker, hoor.’
De jongens bedankten de man voor zijn inlichtingen en sloegen de weg in die hij hun had gewezen. Toen ze de lichten van Aberdeen achter zich hadden gelaten, begon Joe bezwaren te opperen.
'Ik zou wel eens willen weten hoe we in dit aardedonker een vrachtwagen moeten vinden,’ mopperde hij. 'Er is hier natuurlijk in de verste verte geen huis of een benzinestation, waar we kunnen informeren.’
’We proberen het toch,’ zei Frank, hoewel hij zijn broer in zijn hart wel een beetje gelijk gaf. ’Eén ding is zeker. Die vrachtwagen rijdt niet zo hard als wij.’
'Nee, maar hij heeft wel een behoorlijke voorsprong.’
De weg werd smaller en boog af, een eeuwenoud woud in.
’Allemachtig, nu kun je helemaal geen hand meer voor ogen zien,’ mompelde Joe. Opeens stootte hij zijn broer aan.
’Frank! Zag je dat licht ook?’
Frank trapte ogenblikkelijk op de rem en deed de lichten uit. De jongens tuurden in het duister.
’Ben je er zeker van dat je een licht zag, Joe?’
'Ik dacht het. Ongeveer honderd meter hier vandaan. Daar is het weer!’
Inderdaad flikkerde er even een licht op en een paar seconden later weer. 'Kom mee, Joe, we gaan kijken!’ fluisterde Frank gespannen. Met bonzende harten stapten de jongens uit de auto en liepen voorzichtig de weg op. Langzaam aan werd het licht duidelijker. Het scheen uit het bos opzij van de weg te komen. Frank, die voorop liep, stond stil en bracht zijn vingers naar zijn lippen.
’Ssst,’ waarschuwde hij. ’We moeten het bos in, Joe. De wind maakt genoeg geruis om onze voetstappen te overstemmen, maar we moeten toch maar voorzichtig zijn.’
Ze drongen door het struikgewas langs de kant van de weg, dat vervaarlijk kraakte. Even stonden ze stil, maar er was niets anders te horen dan het ruisen van de wind door de bladeren.
’Kom, Joe,’ fluisterde Frank.
Behoedzaam gingen ze verder, droge takken en dergelijke zoveel mogelijk vermijdend. Het licht voor hen uit ging geheimzinnig heen en weer. ’We kunnen nu beter kruipen,’ fluisterde Frank, toen ze dichterbij kwamen.
Ze worstelden zich door het dichte struikgewas tot Frank Joe een teken gaf. Die kroop voorzichtig naast zijn broer.
’Kijk, Joe! Daar is de man die we hebben moeten!’
’Hij is de opschriften op zijn wagen aan het overschilderen,’ mompelde Joe.
Bevend van opwinding keken de jongens naar het vreemde toneeltje voor hen. Op een kleine open plek stond de vrachtwagen. Er was een ladder tegen de zijkant geplaatst en daarop stond de chauffeur met in de ene hand een zaklantaarn en in de andere een verfkwast. Zo nu en dan hield hij even op om een lichtstraal over zijn werk te laten glijden.
’Hij is klaar,’ mompelde Joe. ’Wat gaat ie nou doen?’
’Niet zo hard! Kijk, hij haalt een andere bus verf. O, ik snap het al, hij schildert er een ander opschrift op natuurlijk!’
Boven het geruis van de wind hoorden ze de man vergenoegd neuriën. Het licht van de zaklantaarn danste heen en weer.
’Dat wordt een J,’ fluisterde Joe. ’Nu een O, een L... Jolson staat er.’
’R, A...’
’Radio,’ vulde Joe aan. ’Is dat alles? O nee... Shop. Jolson Radio Shop.’
’Als dit de dief niet is, ben ik een boon!’ fluisterde Frank opgewonden. ’Maar toch moeten we...’
’Kijk, Frank, hij gaat liggen. Ik ben benieuwd of hij gaat slapen.’
De jongens keken gespannen toe. De man had zijn overjas opgerold tot hoofdkussen en was op de zachte mosgrond gaan liggen.
De zaklantaarn ging uit en het was weer pikdonker.
’Wat doen we, Frank?’ fluisterde Joe.
’Die wagen meenemen.’
’En als de chauffeur wakker wordt?’
’Dat risico moeten we nemen. Eerst zien hoe hij met het ding hier gekomen is. Heb jij je lantaarn bij je?’
’Ja. Maar we zullen nog even wachten. Misschien slaapt hij nog niet.’
Snurkende geluiden vertelden de jongens na een poosje dat er van de kant van de chauffeur niets meer te duchten was. Voorzichtig kropen ze naar de open plek.
’Pas op dat je hem niet in zijn ogen schijnt,’ waarschuwde Frank. Even liet Joe de straal van zijn lantaarn over de omgeving flitsen, terwijl Frank de chauffeur in de gaten hield. Toen had Joe genoeg gezien.
’De vrachtwagen staat klaar om weg te rijden,’ fluisterde hij.
’Er loopt een vrij steile helling naar beneden, recht naar de weg.’
'Fantastisch! Als we hem van de handrem halen en in z’n vrij zetten, rolt hij vast vanzelf naar beneden en dan hoeven we hem op de weg pas te starten. Opschieten, Joe, voor hij wakker wordt!’
’Ben je klaar?’
Even luisterden de jongens nog, met bonzend hart. Het monotone gesnurk duurde onverminderd voort. Frank stootte zijn broer aan.
’Klaar, Joe!’ zei hij vrijwel onhoorbaar.