De vermiste erfgenaam
Plotseling hoorden ze het puffen van een stoommachine.
’Dat is de goederentrein, die vertrekt,’ bromde Joe. ’Dat halen we niet, Frank.’
En inderdaad waren de bomen al gesloten toen de jongens bij de spoorwegovergang kwamen.
'Ogenblik,’ zei Joe en hij rende naar het wachthuisje. Even later was hij weer terug. 'Net wat ik dacht, de stationsbeambte zegt dat de tweede chauffeur ook voor de regeringsgoederen kwam!’
’En verder?’
’Hij zegt dat hij hem nog nooit eerder had gezien en dat de kisten al waren overgedragen aan een chauffeur van de Ace Line.’
Frank’s ogen glommen.
’We zijn in ieder geval op het goede spoor. Dus Gordon probeert nu de regering te bestelen. Dat is een ernstige overtreding. Zeg, wat wil die jongen daar aan de overkant?’
Een zwerver kwam, enigszins kreupel lopend, op hen af. Hoewel hij niet veel meer dan vodden aan zijn lichaam had, zag hij er desondanks sympathiek uit.
’Hallo jongens! Zouden jullie me een lift willen geven? Ik sta een beetje zwak op mijn benen, heb sinds gisteren geen behoorlijk maal meer gehad.’
De jongens keken de jongeman vriendelijk aan.
’Zullen we iets voor hem kopen, Frank?’ zei Joe binnensmonds.
’Hij ziet er wel naar uit dat hij iets nodig heeft,’ antwoordde zijn broer en zich tot de man wendend zei hij:
’Stap maar in, dan zullen we eens kijken of we wat eetbaars voor je kunnen krijgen.’
Met een dankbaar gezicht ging de jongen achterin zitten.
’Hèhè, tjonge, jullie zijn de eersten die sinds lange tijd weer vriendelijk voor me zijn, maar het is mijn eigen schuld.’
Het bleef even stil, toen voegde hij er aan toe:
'Ik heb in een circus gewerkt, maar ik ben van de trapeze gevallen en sinds die tijd is het helemaal mis met me.’
’Zwerf... eh, trek je al lang rond?’ vroeg Joe.
'Ik ben een landloper, jongens, en weet je waarom? Omdat die val uit de trapeze mijn hersens heeft beschadigd. Ja, werkelijk! Ik kan me absoluut niets meer herinneren van wat er voor die tijd is gebeurd.’ Hij liet zijn stem dalen en keek Frank en Joe smekend aan. 'Ik weet niet waar ik vandaan kom, jongens. Ik weet niet eens hoe ik heet.’
Frank stopte bij een restaurant langs de kant van de weg en ze stapten naar binnen. Onder het eten vertelde de zwerver verder.
’Sinds die tijd dus trek ik al rond, in de hoop dat ik ontdek wie ik ben en waar mijn familie woont. Ik moet ze toch eens vinden, denken jullie ook niet?’
Frank keek zijn broer eens aan.
'Ik vind dat we hem moeten helpen, Joe. Misschien dat vader iets voor hem kan doen.’
’Dat is een idee! Ga je mee naar Aberdeen?’
Het was juist etenstijd toen ze met z’n drieën het Lenox Hotel binnenstapten.
’Vader zal wel in de eetzaal zijn,’ zei Joe. ’Wachten jullie even, dan ga ik hem halen.’
Even later stapte Fenton Hardy met Joe de hal van ontvangst binnen. Toen hij de gast van zijn zoons ontdekte, bleef hij als aan de grond genageld staan.
’Narris Webster!’ riep hij uit.
’Ken je hem, vader?’ riep Joe.
Hij keek even naar de zwerver, maar er kwam geen enkel teken van herkenning op diens gezicht. Intussen zocht meneer Hardy in zijn binnenzakken en hij haalde een verkreukte foto tevoorschijn.
’Daar heb je hem, jongens, en jullie komt de eer toe hem gevonden te hebben!’
’Maar... maar..., vader,’ begon Frank.
’Jullie hebben niemand anders meegebracht dan Narris Webster, bijgenaamd Narvey, de vermiste zoon van de miljonair Axel Webster!’
De broers stonden nu eens hun vader, dan weer elkaar met open mond aan te staren. En de zwerver scheen helemaal in de war te zijn.
’Hoe komt u aan die foto, vader?’ vroeg Frank eindelijk.
'Ik kwam hem niet zo lang geleden tegen in de politiearchieven, Frank, en ik herinner me de zaak nog heel goed. Het is ongeveer vier jaar geleden, denk ik, dat Narris Webster wegliep van huis en zich aansloot bij een circus.’
De persoon in kwestie luisterde geïnteresseerd maar gaf geen enkel blijk van herkenning. Meneer Hardy klopte hem vriendelijk op de schouder.
’Als we gaan zitten, zal ik jullie Narvey’s verhaal vertellen,’ zei hij.
De jongeman, die nog steeds niet erg stevig op zijn benen stond, viel dankbaar in een stoel neer en de anderen gingen om hem heen zitten.
’Narvey, jij had het niet zo prettig thuis, want je vond dat je vader veel te streng voor je was, en toen je wat ouder was geworden, liep je weg om zo te ontkomen aan de harde discipline, die je was opgelegd.’
’Ik herinner me niets meer van vroeger,’ verklaarde de jongeman.
’U beweert dat ik de zoon van Axel Webster ben. Maar ben ik dat werkelijk? Bèn ik Narris Webster?’
’Jij bent Narris Webster,’ zei de detective vriendelijk. ’Daar bestaat geen twijfel over.’
Narvey staarde een tijd lang voor zich uit en de Hardy’s wachtten rustig af. Eindelijk zei hij:
’Geen enkele vader zal trots zijn op een zoon als ik. Ik geloof dat ik eerst nog eens goed na moet denken voor ik naar... naar huis ga. In ieder geval moet ik eerst zien een baantje te krijgen, zodat ik me tenminste fatsoenlijk in de kleren kan steken.’
’Nou, ik denk niet dat dat je zal lukken met de kleren die je aan hebt,’ zei meneer Hardy, ’Ik zal je het geld voorschieten. Frank en Joe, zorg dat hij zich kan scheren en een bad nemen. En ga dan wat met hem kopen.’
Meneer Hardy wilde van geen bezwaren horen en Narvey gaf zich uiteindelijk gewonnen en ging met de jongens mee. Onmiddellijk vroeg meneer Hardy een telefoongesprek aan.
’Ja, met meneer Webster? U spreekt met Fenton Hardy, de detective. Ik heb uw zoon gevonden. Nee, nee, meneer Webster, ik verzeker u dat het geen grap is. Hij is hier onder mijn hoede. Ja? U komt met het eerstvolgende vliegtuig. Goed, ik zal u opwachten op het vliegveld. Tot ziens.’
Drie straten verder stapten Frank en Joe met Narvey een winkel binnen en niet lang daarna had de jongen zijn keus bepaald en stapten ze terug naar het hotel.
’Narvey, je ziet eruit als herboren!’ lachte meneer Hardy, toen hij hem zag. ’Kom jongens, etenstijd is al voorbij, maar voor ons hebben ze een uitzondering gemaakt.’
Tijdens het eten was hun gast erg zwijgzaam. Om hem verdere emoties te besparen praatten de Hardy’s maar een beetje over koetjes en kalfjes. Toen ze klaar waren, raadde de detective Narvey aan onmiddellijk naar bed te gaan.
’Je moet zorgen dat je weer een beetje op krachten komt, jongen,’ zei hij hartelijk. ’En bovendien zal het morgen een grote dag in je leven zijn.’
’Wat bedoelt u?’ vroeg de jongeman een beetje benauwd.
’O, niets om je zorgen over te maken, hoor,’ stelde meneer Hardy hem gerust. ’Alles is vergeten en vergeven. Je vader komt morgen. Ik heb met hem gesproken door de telefoon en hij is dolblij je teruggevonden te hebben.’
Narvey gaf geen antwoord. Hij scheen verschrikkelijk nerveus te zijn, maar dat was ook geen wonder. Als hij eerst maar eens een nachtje goed geslapen had! Hij kreeg een kamer naast die van de jongens.
’Als je wat nodig hebt, roep je maar,’ zei Joe, terwijl hij de deur dichtdeed en hij stapte zijn eigen kamer binnen, waar Frank en meneer Hardy zaten te wachten.
’Ik denk dat Narvey’s geheugen wel op zal klaren als hij weer een beetje op krachten komt,’ zei de detective. ’Tussen twee haakjes, meneer Webster komt morgenochtend aan met het vliegtuig van negen uur.’
’Dat zal me wat geven!’ riep Joe uit. ’Moet je je voorstellen dat je na zoveel jaar je zoon terugvindt!’
’Vader, heb je nog iets van meneer Barker gehoord?’ vroeg Frank.
’Nee, jongen,’ antwoordde die. ’Ik zal eerst het ziekenhuis eens opbellen.’
Hij nam de telefoon op en na een kort gesprek draaide hij zich weer om naar de jongens.
’Ze zeggen dat hij nog steeds niet in staat is om ondervraagd te worden,’ zei hij.
’Het is me een groot raadsel,’ zei Frank nadenkend. ’En we zijn nog steeds niets opgeschoten met die wapenkwestie.’
’Nee, maar daar hebben we ook nog geen tijd voor gehad,’ antwoordde Joe. ’En daardoor hebben we één mogelijke aanvaller over het hoofd gezien.’
’Moe Gordon! Het kan best zijn dat hij door meneer Barker werd gestoord bij zijn diefstal en dat hij hem toen met het eerste wapen dat hem voor de hand kwam, heeft neergeslagen!’
Al pratend had hij van opwinding zijn stem verheven. Tot nu toe was er in de aangrenzende kamer van het gesprek van de Hardy’s niet meer te horen geweest dan een vaag gemompel, maar Joe’s laatste opmerking was duidelijk verstaanbaar.
’Hè? Moe Gordon?’ mompelde iemand in bed. Langzaam kwam de figuur overeind, zijn gelaatstrekken vertrokken van angst.
’Moe Gordon... Moe Gordon... Ik moet weg zijn voor hij me vindt,’ hijgde de jongeman. Bevend van opwinding trok Narvey zijn kleren aan.
’Ze houden me onder een voorwendsel vast... tot Moe Gordon komt. Het is maar een verhaaltje dat ik de zoon van een miljonair ben. Maar dat zit ze niet glad! Ik ga er tussenuit!’
Op zijn tenen liep hij naar de deur. Hij was op slot en er was geen sleutel. Toen naar de badkamer.
’Het raam staat open,’ constateerde hij. Met onnatuurlijk glinsterende ogen keek Narvey naar buiten. ’Aha! We zijn op de tweede verdieping, dat valt me mee.’
Nog even keek hij naar binnen. Toen stapte hij voorzichtig uit het raam op een richel, die langs het hele gebouw liep.
’Op de hoek is een brandtrap. Als ik zo ver kan komen, ben ik weg voor Moe... aaah! Mijn been!’
Langzaam kroop Narvey verder. Hij was bijna bij de brandtrap, toen zijn gekwetste voet weer weggleed en hij kon een kreet van pijn niet onderdrukken. Een seconde later was hij verdwenen.
’Hoorde je dat?’ vroeg Joe plotseling.
’Nee,’ zei Frank.
’Ik dacht dat er iemand schreeuwde. Ik zal eens even naar Narvey gaan kijken.’
Binnen twee tellen was hij weer terug.
’Hij is weg.’
’Ren naar beneden,’ zei meneer Hardy, terwijl hij overeind sprong. ’Frank en ik gaan hier kijken.’
Ze hadden al gauw gezien dat de jongen alleen door het raam verdwenen kon zijn en ze leunden net naar buiten, toen Joe buiten adem de kamer inrende.