Op jacht tussen het puin
’Frank! Hinchman’s winkel wordt opgeblazen. Hij stort in.’
’Gosh, ’t hele gebouw komt naar beneden!’ riep Joe verbijsterd uit. ’Hoe zou dat nou komen?’
’Laten we kijken of niemand gewond is,’ stelde Frank voor toen een stofwolk uit de puinhoop oprees. ’Misschien kunnen we meteen eens in de boeken snuffelen. Laten we maar eens op zoek gaan.’
Kuchend en niezend baanden zij zich een weg door stof en puin naar de plek waar de ingang geweest moest zijn.
’Daar ongeveer was het kantoortje, Frank, die hoop stenen.’
’De vraag is hoe we daar moeten komen? Laten we maar eens kijken of er ergens een opening is te vinden. Ik hoop dat de boel daar niet totaal verwoest is.’
De jongens klauterden op de steenhoop en zochten naar een opening.
’Oei!’ Joe greep met zijn hand naar zijn schouder. Met een pijnlijk vertrokken gezicht staarde hij omhoog. ’Een steen, Frank. Tjé, ik was bijna vergeten dat een gedeelte van de muren nog overeind staat. Kijk maar uit.’
Nauwelijks had hij dit gezegd of er klonk een luid gekraak en een regen van losgeraakte kalk daalde op hen neer. De jongens doken in elkaar.
’Ik zou wat geven voor een helm,’ klaagde Joe, toen het lawaai weggestorven was.
’Ik wou dat ik een harnas aanhad,’ lachte zijn broer. ’Zeg, geef me je zaklantaarn eens even.’ Frank liet de lamp door een grote spleet in de puinhoop schijnen. ’Daar is ’t kantoortje, Joe. ’t Ziet er nog onbeschadigd uit. Kijk eens!’
Gespannen staarden de jongens naar beneden, waar ze het kamertje, vrijwel niet verwoest, konden onderscheiden. Frank liet het licht in alle hoeken schijnen.
’Daar is de brandkast, Joe!’
’Ja, en de deur staat open.’
’Dat komt waarschijnlijk door de explosie. Blijf jij hier en licht me bij. Ik ga een kijkje nemen.’
Joe liet zijn lantaarn door de ruimte schijnen, terwijl zijn broer tussen losse planken en kalk naar beneden klom. Hij neusde eens rond maar verscheen al gauw weer door de opening met een teleurgestelde trek op zijn gezicht.
’De brandkast is leeg,’ deelde hij mee. ’De bureauladen, alles is leeg.’
Een tijdlang zei geen van beide jongens iets. Ze keken naar de mensenmenigte die snel aangroeide.
Plotseling klonk het gehuil van sirenes. Even later stopten enkele politiewagens en vulden geroep en geschreeuw de lucht.
’Daar is vader,’ riep Joe uit, toen hij tussen de agenten een bekende figuur onderscheidde.
De jongens renden op de detective af, die hen met een ernstige blik begroette.
’Jongens, ’t ziet er naar uit dat ze ons te slim af geweest zijn. Ik had gehoopt de bende op te kunnen rollen, voor ze onze plannen in de gaten kregen.’
De Hardy’s trokken zich terug en sloegen het spookachtig licht der lantaarns en het bedrijvige heen en weer geloop van de agenten gade. De jongens vertelden hun vader hoe zij het kantoor doorzocht hadden maar niets van betekenis hadden gevonden.
’Dat verwondert me niets,’ mopperde hun vader. ’En dat is nog niet het ergste. Ik ging naar het politiebureau in de verwachting enig nieuws te vernemen, maar ze wilden me alleen nog maar een paar vragen over Hinchman stellen.’
’U wilt toch niet zeggen, dat de politie nog steeds niets ontdekt heeft?’ riep Frank ongelovig uit.
Misnoegd schudde meneer Hardy zijn hoofd. ’Geen sikkepit, al zeggen ze ook dat ze dag en nacht voor de winkel op wacht hebben gestaan.’ De detective liet zijn stem dalen en zei fluisterend: ’Ik heb zo’n idee dat iemand van de politie met Hinchman onder één hoedje speelt, jongens!’
’Ik vraag me af of ze werkelijk alles hebben meegenomen,’ zei Joe. ’Dat zou tenslotte een overtuigend bewijs zijn dat ze met opzet de zaak in de lucht hebben laten vliegen. Laten we dat eens onderzoeken.’
Voor de tweede maal scharrelden de jongens tussen het puin rond, nadat ze van de politie toestemming hadden gekregen.
Hoe grondig ze alles ook doorzochten, nergens vonden ze enige overblijfselen van kisten of dozen of van wat daar in gezeten kon hebben.
’Het volgende dat we kunnen doen, is de mensen uit de omgeving vragen of ze soms gezien hebben dat er de laatste dagen allerlei is weggehaald,’ zei Frank.
De broers ondervroegen een opzichter van een fabrieksterrein, de eigenaar van een cafetaria en nog verschillende andere mensen. Niemand had echter iets van een soort verhuizing gemerkt.
’Ik geloof dat ze ons te slim af zijn geweest,’ zuchtte Frank uiteindelijk, moe en bezweet.
Maar Joe was niet zo gauw van zijn stuk gebracht als zijn oudere broer. Peinzend schudde hij zijn hoofd en ineens zei hij:
’Toch moeten ze al dat gestolen goed op de een of andere manier vervoerd hebben. Er is hier vlakbij een rivier. Misschien hebben ze wel gebruik gemaakt van een boot.’
’Maar daar hadden ze de spullen dan toch eerst heen moeten brengen en dan had toch iemand het moeten zien,’ wierp Frank tegen.
’En als ze het nu eens ondergronds vervoerd hadden?’
’Ondergronds? Bedoel je via een tunnel?’ vroeg Frank opgewonden.
’Juist,’ antwoordde Joe. ’Misschien sla ik de plank mis, maar ik zou het toch wel eens willen onderzoeken.’
’Dan zullen we toch bij de rivier naar een uitgang moeten zoeken, want de ingang - als die er al is - vinden we nooit meer onder al dat puin.’
Ze trokken een denkbeeldige lijn van de winkel naar de rivier en haastten zich daarlangs naar het water.
Behoedzaam naderden ze de oever. Daar gingen ze uit elkaar. Enkele ogenblikken later gleed het licht van Frank’s zaklantaarn over een grote deur in de kademuur. Zachtjes floot hij zijn broer.
’Ik geloof dat ik iets gevonden heb,’ zei hij toen Joe naderbij gekomen was. Hij richtte zijn lantaarn op de deur. Op ’t zelfde ogenblik zwaaide deze open en verscheen er een onguur gelaat, dat zich echter onmiddellijk weer terugtrok.
’Een beetje dichterbij,’ fluisterde Frank. Voorzichtig klommen de jongens op de kade en slopen tot vlak boven de deur. Even later ging deze weer open.
’Alles veilig!’ zei een stem. ’Heb je dat kasboek van Hinchman?’
’Ja,’ antwoordde een andere man. ’Laten we het er maar op wagen, voor de politie ons te pakken krijgt.’ De twee mannen kwamen naar buiten en keken om zich heen. Op ’t zelfde ogenblik sprongen de beide jongens hen vanuit hun hoge zitplaats op de nek. Eén van hen zag kans om weg te rennen en Frank zette hem achterna. De ander werd door Joe aangevallen. Midden in de strijd zag Joe plotseling iets door de lucht zeilen en even later hoorde hij een doffe plons. Het kasboek, wist hij. Algauw bleek de Hardy geen partij voor de stalen spieren van de ander. Deze zou hem dan ook zeker ontsnapt zijn, als zijn broer hem niet te hulp was gekomen. De kerel die Frank achterna was gegaan, bleek goed met de omgeving op de hoogte en was dan ook al spoedig uit ’t gezicht verdwenen.
’Laat me los,’ beval de man woedend en probeerde aan de greep van de Hardy’s te ontkomen. ’Jullie hebben geen recht me vast te houden. Ik roep de politie.’
’Doet u geen moeite. Dat doen wij wel,’ zei Frank grimmig.
De man verzette zich heftig en buiten adem bereikten de jongens de kade. Tot hun opluchting vonden ze algauw een agent, die een patrouillewagen opriep welke het gezelschap snel naar het bureau bracht. Toen ze daar binnenstapten uitte de dienstdoende agent een kreet van verbazing.
’Jackson! Wat betekent dit?’
Een politieman die vlak achter de jongens stond, fluisterde:
’Jullie hebben een van onze detectives gesnapt, jongens. Wat heeft-ie uitgehaald?’
De jongens draaiden zich om en vertelden de man het verhaal. De detective stond in een kring van grimmige politiemensen, die hem aan ’t spreken trachten te brengen.
’Ik weet nergens van. Heus niet,’ huilde de man. ’Ik weet alleen maar dat de bende dozen door de tunnel heeft gesmokkeld en daarna in boten geladen.’
’Wie was die man waarmee je uit de tunnel kwam?’ vroeg Frank.
’De boekhouder,’ mompelde Jackson.
De hoofdagent knikte Frank en Joe toe. ’Bedankt jongens, dat jullie deze schurk vast hebben gepakt. We hadden al een tijdje iets verdachts gemerkt. Jullie kunnen nu wel gaan. Welterusten.’
Nauwelijks was de dag echter aangebroken, of Frank en Joe scharrelden alweer tussen het puin van de winkel rond. Na twee uur zoeken hadden ze nog steeds niets gevonden en net hadden ze besloten om maar eens te gaan ontbijten toen Frank met zijn voet tegen iets hards stootte, dat onder een hoopje kalk lag. Hij bukte zich en raapte het op.
’Kijk eens,’ schreeuwde hij. ’Een stuk van een lemmet!’ Hij hield een stuk metaal in zijn hand van ongeveer tien centimeter. Toen hij het omdraaide, ontdekte hij dat er iets in gegraveerd was. ’CELOT,’ spelde hij en keek zijn broer aan. ’Wat stond er op die kruisriddersdegen?’ vroeg hij.
’Edouard Poincelot,’ antwoordde Joe.
’Dan is dit een gedeelte van de gebroken degen van meneer Barker.’ Opgewonden bekeek Frank het stuk metaal. ’’t Is een stuk van het gebroken, verdwenen lemmet, vast en zeker,’ gaf hij toe.
’Ik vraag me af waar het andere stuk is,’ merkte Joe op. ’Laten we nog eens zoeken.’
IJverig begonnen de jongens opnieuw hun speurwerk. Maar hoe ze ook zochten, ze vonden niets meer. Uiteindelijk gaven ze de jacht maar op.
‘Waarschijnlijk heeft de dief het andere stuk nog steeds,’ zei Frank.
’Laten we ’t hopen,’ antwoordde Joe. ’Ik zou meneer Barker graag alle stukken van Edouard Poincelot’s wapen teruggeven.’
’Ja,’ stemde Frank in, ’en meteen de dief te pakken nemen.’
’Wel, laten we het maar eens proberen. Waar zullen we beginnen?’
’Bij de rivier,’ antwoordde Joe vastberaden.