Een spoor

Blij en opgelucht liep Fenton Hardy achter zijn zoons aan. Joe leidde hen naar de achterkant van de opslagplaats. Daar stond hij stil en gluurde voorzichtig om zich heen.

’We zijn hier in deze stad nergens veilig,’ fluisterde hij. ’Gordon, Hinchman en de rest zitten achter ons aan. Ze denken dat we te veel weten!’

’Van hun kant bezien doen we dat ook eigenlijk,’ glimlachte de detective. ’Ik wilde alleen maar dat we meer bewijsmateriaal hadden. Het zou geen zin hebben hen nu al te arresteren!’

’Ik heb onze vrachtauto in een loods buiten de stad verborgen en de borden van Klondike eraf genomen. We kunnen er het beste maar meteen naar toe gaan. We zullen wel een taxi moeten nemen’ - hij keek zijn vader aan - ’maar laten we uitkijken wat voor een.’

’Als jullie hier wachten, zal ik zien dat ik er een vind,’ zei Frank. Hij liep op de rij auto’s toe, die langs het station stond opgesteld. Onopvallend nam hij de chauffeurs scherp op en wenkte er toen een die er naar zijn mening bepaald niet verdacht uitzag. Snel gaf hij een teken aan Joe en meneer Hardy, die daarop naderbij kwamen en instapten.

’Grove Pike, nummer 38,’ beval Joe en de taxi stoof weg.

Vragend keek Frank zijn broer aan.

’Vertel jouw ervaringen eens, Joe. Hebben ze je nog betrapt toen je met die lege kisten bezig was?’

Zijn jongere broer trok een zuur gezicht. ”t Scheelde maar een haar,’ fluisterde hij. ’Nadat jij weg was gegaan, ging ik door met laden. Plotseling, net toen ik klaar was, kwam Hinchman er aan. Gelukkig herkende hij me niet, maar hij vroeg wel wat er in die kisten zat.’

Vol spanning hoorde Frank zijn broer aan. ’Wat zei je tegen hem?’

Joe grinnikte, ’Ik antwoordde hem dat ik maar een losse kracht was en totaal niet wist wat ik had vervoerd. Hij stelde me nog een heleboel andere vragen maar ik deed net of ik nergens iets van afwist. Toen kwam hij op het idee zelf eens een kijkje in de kisten te gaan nemen.

Nou, dat was voor mij het sein om er vandoor te gaan. Ik sprong in de truck en maakte dat ik wegkwam!’

’Goed werk, Joe,’ prees zijn vader hem. ’Als je een minuut later was geweest, had hij je vast en zeker gegrepen!’

'Misschien wel. Ik had trouwens het vermoeden dat als Frank jou, vader, zou vinden, jullie dan waarschijnlijk de trein naar Aberdeen zouden nemen. Wat dat betreft had ik dus gelijk en daardoor zijn we nu gelukkig weer bij elkaar.

Chauffeur, hier links is het,’ waarschuwde hij en de auto draaide de oprit van een verwaarloosde boerderij in.

’D’r woont hier niemand,’ fluisterde Joe, terwijl hij de anderen naar de achterkant van het gebouw bracht, waar de schuur was. ’Daar staat de wagen, er is niemand aan geweest. Ik heb een hoop hooi achterin gegooid. Jullie kunnen je het beste daarin verbergen, tot we in Aberdeen zijn.’

’Laten wij eerst even van kleren verwisselen, Frank,’ stelde meneer Hardy voor. ’Ik ben tenslotte groter dan jij en ik voel me niet erg op m’n gemak in wat ik nu draag,’ lachte hij. Snel verkleedden ze zich en enige ogenblikken later reed de enorme vrachtwagen met een gestadig gangetje over de hoofdweg. Meneer Hardy en Frank nestelden zich behaaglijk in het hooi in de laadruimte en bespraken hun plannen.

’Ik denk dat ik de politie van Carside opbel en hun vraag de winkel van Hinchman in het oog te houden,’ zei de detective. ’Wellicht kunnen ze ons op die manier nog waardevolle inlichtingen leveren.’

Vermoeid van de recente gebeurtenissen viel meneer Hardy in slaap. Hij werd pas weer wakker toen zijn jongste zoon de deur van de laadbak opende en riep: ’Uitstappen! Aberdeen. We zijn vlak bij het hotel. Laten we de wagen maar hier laten staan en verder naar het hotel lopen. We kunnen beter niet tot voor de ingang rijden. Er mocht eens iemand op de uitkijk staan.’

’Vader, als jij nu eens naar het hotel ging,’ stelde Frank voor, ’dan brengen Joe en ik de truck terug naar meneer Barker.’

De detective stemde daarmee in en de jongens reden gelijk weg. Ze lieten de vrachtauto bij de Liberty Company achter en reden met hun eigen wagen naar het huis van de directeur.

’Zo, zijn jullie nu al terug,’ begroette de man hen hartelijk vanuit zijn rolstoel, ’Ik dacht dat jullie de eerste dag niet terug zouden komen. Hebben jullie al iets gehoord van je...’

’We hebben hem gevonden, meneer Barker, dank zij het feit dat u ons de vrachtwagen leende,’ glunderde Frank.

’Hebben jullie hem gevonden! Daar ben ik blij om. Kom zitten en vertel alles!’

De jongens deden hun relaas en vertelden van de verdachte activiteiten van Hinchman. Na afloop van hun verhaal beloofde meneer Barker hen te helpen waar hij kon.

’Er is een spoor dat leidt naar een matador, Castillo genaamd, die zich op ’t ogenblik in ons land ophoudt,’ zei Frank. ’Als we de stukjes van de legkaart in elkaar proberen te passen, zou wel eens kunnen blijken, dat degene die uw estoque gestolen heeft een matador is. Daarom moeten we zien die Castillo te vinden!’

Meneer Barker glimlachte. ”t Komt me voor dat jullie Hardy’s nog een heleboel te doen hebben,’ sprak hij.

’Ja, maar het grootste probleem is de gebroken degen op uw kantoor,’ bepeinsde Joe. ’Waarom nam de indringer het gevest niet mee? Dat is het meest waardevolle gedeelte.’

’Maar het lemmet is het wapen,’ hielp meneer Barker. ’O, ik hoop maar dat ze het niet voor een of ander sinister doel gebruiken. Ik ril bij de gedachte dat ze mij er mee hadden kunnen steken. Misschien was het maar goed dat ik bewusteloos was toen de dief kwam.’

’Hebt u een andere estoque die een beetje lijkt op die welke gestolen is?’ vroeg Frank.

’Nee,’ antwoordde de man. ’’t Was een zeer zeldzaam exemplaar, maar ik heb er wel een foto van. Laten we naar het museum gaan, dan zal ik je hem laten zien.’

Joe duwde meneer Barker’s rolstoel en even later toonde deze de jongens een kleurenfoto van een klein prachtig wapen, rijkelijk bezet met juwelen. De Hardy’s zouden zich niet gauw in het origineel kunnen vergissen, mochten zij het vinden.

”t Is wel een samenloop van omstandigheden dat we zo kort op elkaar in twee ’wapenmysteries’ verzeild zijn geraakt,’ zei Joe. ’Toen we in de zaak betrokken werden, waren mijn broer en ik net een degengevecht aan het instuderen voor een toneelstuk waarin we zouden optreden!’

’Ja,’ lachte Frank, ’alleen gebruikten we er maar bij gebrek aan beter, paraplu’s voor.’

Zonder een woord te zeggen, haakte meneer Barker twee degens van de muur en reikte de jongens deze met een glimlach aan. ’Als jullie hier iets aan hebben, zal ik ze je met plezier lenen,’ bood hij aan.

’O meneer Barker, meent u dat,’ stamelde Joe met glanzende ogen.

Ook Frank was opgetogen over het onverwachte aanbod. ’We zullen er erg voorzichtig mee zijn, meneer Barker,’ beloofde hij.

’Pas maar op dat jullie elkaar er niet mee steken!’ zei de oudere man. ’Voel maar eens hoe scherp de punt is. Maar ik wens jullie veel succes met het stuk.’

De jongens bedankten meneer Barker nog eens en vertrokken toen weer naar het hotel.

’Zeg,’ zei Frank, toen hun enthousiasme over de degens enigszins bedaard was, ’we kunnen die dingen niet mee het hotel innemen. Dat zou veel te veel opzien baren.’

’Ja, maar ik vind het ook niet zo’n prettig idee ze de hele nacht in de auto te laten,’ antwoordde Joe.

’We kunnen ze achterin onder de plaid verbergen,’ stelde Frank voor. ’Dan stallen we de wagen in een garage een eindje van het hotel vandaan en houden hem op slot.’

Aldus besloten zij en even later wandelden ze van de garage naar het hotel. Ze liepen rechtstreeks naar de kamer van hun vader.

Toen hij het verhaal van de degens hoorde, keek hij enigszins verschrikt en waarschuwde de jongens toch vooral voorzichtig te zijn. Dat beloofden ze en vervolgens spraken ze af de volgende morgen het hotel te verlaten.

’En nu gaan we allemaal slapen,’ zei meneer Hardy. ’Welterusten jongens en bedankt voor mijn redding.’

De volgende morgen haalden de Hardy’s eerst hun auto. Juist toen ze hun koffers aan het inladen waren, kwam hun vader eraan, vergezeld van een vreemdeling.

’Deze meneer beweert te weten waar mijn wagen is,’ zei hij tegen zijn zoons. ’Hij stelt voor dat we met hem meegaan. Zijn auto staat aan de overkant.’

De drie Hardy’s volgden de man in de auto van de jongens en bespraken onderwijl de betrouwbaarheid van ’s mans beweringen.

’’t Is vast een valstrik,’ mopperde Frank.

’Nou we hebben in ieder geval twee degens - in geval van nood,’ grinnikte Joe.

’We zullen op onze hoede moeten zijn,’ waarschuwde hun vader.

Gedurende enige tijd volgden de Hardy’s de man door een afgelegen streek. Plotseling bevonden zij zich op een smal aan beide zijden dicht begroeid weggetje.

’Ik vind het hier bepaald niet aangenaam,’ zei Joe, die zich niet op zijn gemak voelde. ’Wat wil die kerel eigenlijk?’

’Dat zullen we gauw genoeg ondervinden,’ merkte Frank op.

’Kijk hij stopt en zwaait naar ons.’

’Hij wil dat we uitstappen en te voet verder gaan. Zullen we het doen?’

'Natuurlijk,’ kwam meneer Hardy, ’maar kijk uit!’

’Vader, wacht jij maar in de auto. ’t Pad is hier zo slecht begaanbaar. Maar doe de deuren op slot. We willen niet dat je weer verdwijnt.’

Meneer Hardy voelde zich nog niet zo erg fit en stemde daarom toe.

’Kom Joe,’ drong Frank aan.

De vreemdeling baande zich een weg door het kreupelhout. De jongens volgden hem met opeengeperste lippen en gebalde vuisten.

’We zullen een klein eindje moeten lopen. Ik hoop dat u dat niet erg vindt.’

De gebruinde jongeman draaide zich om en wachtte tot Frank en Joe hem hadden ingehaald.

’Uw vaders auto bevindt zich aan de overzijde van het moeras,’ vervolgde hij toen de jongens hem genaderd waren. ’Volgt u mij maar.’

Gedurende enige tijd waadden de knapen door het drassige, met riet begroeide terrein, terwijl zo nu en dan het water zelfs bijna tot hun knieën kwam.

’Dit is vast en zeker weer een of andere val. Dat zul je zien,’ fluisterde Joe. ’Wat een sufferds zijn we om daar zomaar in te trappen.’

Het groepje ploeterde voort. De vreemdeling zei geen woord en Joe werd hoe langer hoe ongeduldiger. Hij liep op de stoere, jonge kerel toe.

’Zeg hoor eens, ik geloof dat ’t nu wel genoeg is. Waar brengt u ons naar toe?’ vroeg hij.

De man hield zijn hand boven zijn ogen en tuurde door het dichte riet. Vervolgens draaide hij zich met een brede grijns naar Joe om.

’Ziet u ’em?’