Moe Gordon verdwijnt

De dief was verdwenen in het dikke rookgordijn dat over de hele straat hing.

’Hij moet die kant op gegaan zijn,’ mompelde Joe grimmig. ’Maar ik zal hem vinden, wat er ook gebeurt. Ik vraag me alleen af waar Frank gebleven is.’

Op dat moment klonk er even verderop een verschrikkelijk gekraak en het geluid van splinterend glas. Joe rende er op af en zag een grote personenwagen, die dwars door de winkelruit van een kleine bakkerij was gereden.

’Is er iemand gewond?’ schreeuwde de jongen, toen hij niemand zag. Hij gooide de winkeldeur open en rende naar binnen...

’Gordon!’ hijgde hij stomverbaasd.

Van achter een toonbank, die bezaaid lag met glassplinters, staarde de vluchteling de jongen aan. Zijn ogen flitsten op en neer en opeens sprong hij recht op Joe af. De jongen zette zich schrap, maar Gordon was sterker dan hij. Hij gooide hem opzij en stoof de winkel uit.

Joe aarzelde een ogenblik. Moest hij de dief achterna gaan of hier de stand van zaken opnemen? Misschien was er wel iemand gewond! Een blik uit het versplinterde raam was beslissend voor hem. Frank had de achtervolging overgenomen.

’Ik moet me al sterk vergissen als Frank hem niet te pakken krijgt,’ zei hij bij zichzelf. ’Nou eens kijken wat hier aan de hand is.’

’Help! Politie! Ik ben geruïneerd!’ klonk een schrille stem.

Joe draaide zich om en zag een kleine man met kraaloogjes en een sikje vanuit een hoek van de winkel naar hem wenken.

’Bent u gewond?’ vroeg Joe, de opgewonden man bezorgd aankijkend.

’Ik mankeer niks. Maar kijk eens naar mijn winkel! Die grote wagen... reed dwars door mijn winkelruit! Oh, oh, de schade is niet te overzien!’

Handenwringend liep hij de winkel op en neer.

’Waar is de chauffeur? Is hij gewond?’ vroeg Joe.

Hij stond op het punt om over de ravage heen te klimmen, toen het portier van de wagen openging en een lange, beschaafd uitziende man er uitstapte. Zijn kleding zat helemaal in de war en hij was kennelijk, verdoofd door de schok, even buiten westen geweest.

’Is er iemand gewond? Het spijt mij verschrikkelijk dat dit is gebeurd,’ zei hij met nog enigszins bibberende stem.

’Ah! U hebt mijn zaak geruïneerd!’ schreeuwde de winkelier. ’Maar u zult betalen!’

’Neem me niet kwalijk, meneer,’ kwam Joe tussenbeide, ’maar kan ik iets voor u doen? Heeft u een dokter nodig?’

’Dank je, jongeman, maar ik ben er goed afgekomen, geloof ik. Een paar schrammen, dat is alles. Ik probeerde een brandweerwagen te ontwijken, die me van de weg afdrukte. Ik verloor de macht over mijn stuur en...’

’...en u zult me betalen,’ kwam de onsympathieke winkelier weer tussenbeide. ’Moet u eens kijken! Mijn etalage! Mijn toonbank! Mijn waren! Ik doe u een proces aan!’

’Nou, nou, mijn beste man, bedaar een beetje,’ antwoordde de heer die uit de auto was gekomen. ’De schade wordt vergoed natuurlijk. Maar het zal wel meevallen, denk ik.’

’O, dacht u dat,’ antwoordde de winkelier venijnig. ’De schade...’

’Tussen twee haakjes,’ interrumpeerde Joe, terwijl hij de man recht in de ogen keek, 'verschafte u zoëven geen onderdak aan een ontsnapte misdadiger? Het was toch Moe Gordon die bij u onder de toonbank zat?’

Het was alsof er een bom insloeg. Er kwam een paniekachtige blik in de ogen van de winkelier en er verschenen zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. In het nauw gedreven keek hij van de een naar de ander. ’Er staat gevangenisstraf op het herbergen van misdadigers,’ ging Joe onbarmhartig verder. 'Misschien...’

Op dat moment hoorde hij zijn naam roepen.

’Joe! Zit je hier! Ik dacht al...’

’Heb je hem, Frank?’

’Gordon?’ Frank’s gezicht betrok. ’Hij is er tussenuit. We hebben gevochten en hij heeft mijn portefeuille gepikt. Ik heb hem een flink pak rammel gegeven, maar ik kon hem toch niet houden. Jee, wat is hier gebeurd?’

’Deze meneer heeft zijn wagen in de soep gereden,' vertelde Joe. ’En de winkelier vraagt een schadevergoeding waar je koud van wordt,' zei hij met een knipoogje.

’Had Gordon zich hier niet verborgen?’ vroeg Frank, met een zijdelingse blik op de man met het sikje, ’Ik zag hem hier uitkomen.’

De lange heer stapte op de winkelier toe.

’Als u mij uw naam wilt geven, zal ik voor de regeling van de schadevergoeding zorgen,' zei hij.

’Mijn naam is Charlie Hinchman,' snauwde de man. ’En u zult me goed betalen! En wie bent u?’

’Ik ben Arthur Barker, directeur van de Liberty Company. U kunt me daar bereiken.’

De jongens wierpen elkaar een veelbetekenende blik toe, terwijl ze meneer Barker volgden naar buiten.

’Kunnen we u ergens heen brengen?’ bood Joe aan. ’Onze wagen staat even verderop. We hebben u het een en ander te vertellen.’

Meneer Barker keek hen met vriendelijke verbazing aan.

’O ja? Wel natuurlijk, laten we dan naar mijn bureau gaan. Maar ik wil eerst even de politie inlichten en een regeling treffen voor het weghalen van mijn wagen.’

Hij sprak een politieagent aan, zette hem de zaak uiteen, belde een garage op en was toen klaar om met de jongens mee te gaan. Ze drongen zich door de menigte die zich intussen had verzameld en stapten naar de wagen van de Hardy’s. Met een kalm gangetje reden ze weg.

’Ik ben bang dat die Hinchman me een hoop moeilijkheden gaat bezorgen,' zei meneer Barker bezorgd. ’Jullie hebben gezien wat een onsympathiek mens hij is.’

'Misschien kunnen wij u helpen,' zei Frank. ’Wij hebben namelijk vannacht een avontuur gehad, waarbij uw firma ten nauwste was betrokken.’

De jongens vertelden hoe zij de gestolen kisten met munten weer op hun plaats van bestemming hadden gebracht.

’Dat is een prachtig stukje werk!’ riep meneer Barker enthousiast uit. ‘Allemachtig, ik had er nog niets van gehoord! Dus jullie zijn de zoons van Fenton Hardy. Ja, jullie vader ken ik wel. Hier zijn we er. Kom mee naar mijn bureau, dan kun je daar de rest vertellen!’

In de deuropening stond Tom Klip om hen te verwelkomen. Opgewonden herhaalde de chauffeur het relaas van de jongens.

’En de kisten staan veilig achter slot en grendel in de goederenloods, meneer Barker!’

’Maar Gordon hebben we nog niet,’ zei Frank spijtig. ’En dat is mijn schuld, ik had hem niet moeten laten gaan.’

’Ben je gek!’ zei Joe verontwaardigd. ’Dat kan jij toch niet helpen! We krijgen hem heus wel.’

’Als ik jullie ergens mee kan helpen, moet je het me direct laten weten,’ zei meneer Barker dankbaar. ’Hebben jullie al een plan de campagne?’

Frank keek zijn broer eens aan.

’Ik geloof dat we maar eens terug moeten gaan naar die winkel van Hinchman, meneer Barker. Ik denk dat we daar wel wat te weten kunnen komen. We zullen het u in ieder geval direct laten weten.’

Toen ze weer in hun wagen zaten, kon Joe zijn mond niet meer houden.

’Als je het gezicht van Hinchman had gezien, toen ik over Gordon begon, Frank! Ik verwed er mijn hoofd onder dat die twee iets met elkaar uit te staan hebben!’

’Ik heb gezien hoe hij keek, toen ik het over Gordon had, Joe. Dat gezicht sprak boekdelen, maar het kan ook zijn dat hij zich op dat moment zorgen maakte hoe hij geld van Barker los moest krijgen.’

’Extra geld, bedoel je,’ grinnikte Joe. ’Misschien heb je gelijk, maar volgens mij is er wel iets aan het handje. Waarom zou Gordon zich anders juist in die winkel verstopt hebben?’

’Omdat het het eerst voor de hand lag, lijkt mij.’

’Hmm, misschien. We zijn er. Kijk eens, wat een volk! O, en ze zijn al bezig met de wagen van meneer Barker ook.’

De jongens parkeerden hun wagen op een veilig plaatsje en haastten zich naar de opstopping. Ze konden de schrille stem van Hinchman boven alles uit horen. Hij gilde:

’Ga weg uit mijn winkel! Maak dat je wegkomt, allemaal! En blijf met je vingers van mijn snoepgoed af, vervloekte kwajongens!’

Joe grinnikte.

’Als je het zo hoort, helpt de buurtjeugd hem braaf van zijn spullen af. Jongens, wat is die vent kwaad!’

’Opzij, en weg van die winkel allemaal!’ klonk opeens de stem van een politieagent.

Hij drong zich door de menigte heen en langzaam maar zeker verspreidden de kijkers zich.

’Zullen we proberen Hinchman aan het praten te krijgen over Gordon?’ stelde Joe voor.

Frank schudde zijn hoofd.

’Als hij iets van hem weet, zal hij ’t ons vast niet vertellen.’

’Ik weet wat, Frank! Als die twee wat met elkaar te maken hebben, zullen ze vast en zeker weer contact opnemen. Gordon zal in ieder geval willen weten of men hem nog zoekt en in welke richting men zoekt.’

'Misschien heb je wel gelijk, maar we schieten er niet veel mee op. Tenzij...’

'Tenzij we Hinchman dag en nacht in de gaten houden,’ vulde Joe aan. Zijn broer knikte nadenkend.

’Ja, dat zal wel het beste zijn, tenminste voorlopig. Maar dan moeten we er wel voor zorgen dat Hinchman ons niet in de gaten krijgt.’

'Ik weet wat! Zie je die leegstaande winkel recht tegenover de zaak van Hinchman? Vlak ernaast loopt een straat. Daar kunnen we ons verbergen en een oogje in ’t zeil houden.’

Het was een saaie bezigheid. De jongens lieten elkaar alleen even in de steek om wat te gaan eten. De winkelier deed de hele dag niets anders dan de timmerlieden, die met het herstel van de schade bezig waren, op de vingers kijken. Eindelijk, toen de jongens al op ’t punt stonden het maar op te geven, gingen de werklieden weg. Alle lichten gingen uit, behalve één achter in de winkel, en de jongens konden nog net het silhouet van de eigenaar zien.

’Dat is onze kans,’ fluisterde Frank. ’Kom!’

Behoedzaam staken ze in de vallende duisternis de straat over en posteerden zich naast de winkel. Frank stootte zijn broer aan. ’Hij praat met iemand, Joe! Ik dacht dat hij alleen was!’ Ze kropen tot voor het gebroken raam. Voorzichtig kwam Joe iets overeind en gluurde naar binnen.

’Hij is alleen, Frank! Hij zit aan de telefoon. Luister!’

In de verte hoorden ze de winkelier gedempt praten. Eerst konden ze niets verstaan, maar toen vingen ze een verrassende zin op.

’Nee, nee, Gordon, niet hier komen vanavond,’ zei Hinchman. ’De politie loert op je. Wat zeg je? Die blagen van Hardy’s?’

De rest van het gesprek ging verloren in het lawaai van een passerende auto.