·14·
Na een heerlijke maaltijd in de luxueuze eetzaal van het landhuis liepen Sean en Rivest terug naar Rivests ruime en fraai ingerichte woning om daar wat te gaan drinken. Na drie wodka-martini’s viel Rivest in slaap in een leunstoel in zijn woonkamer. Sean, die alleen maar wat aan zijn gin-tonic had genipt, kreeg zo de kans om even naar buiten te gaan en een wandelingetje te maken over het terrein. Rivest had Sean nauwelijks iets verteld over Babbage Town, maar hem wel nogmaals beloofd dat hij daar morgen aan toe zou komen. Ook had hij het proces-verbaal laten zien en de conceptversie van het verslag van de patholoog-anatoom. Daarna had hij Sean een beveiligingsbadge gegeven met zijn pasfoto erop, die hij aan een ketting om zijn nek kon dragen. Ook met die badge om mocht hij zonder begeleider niet in de kantoren en laboratoria komen, maar als hij over het terrein liep, zou hij in elk geval niet worden aangehouden en opgesloten door de beveiligingsdienst. En dat was maar goed ook, want een jongen met een semiautomatisch pistool die een ‘probleem’ met hem kreeg, was wel het laatste waar Sean op dit moment behoefte aan had.
Rivests bungalow stond aan de westzijde van het hoofdterrein, en aan hetzelfde gravelpad als drie andere volkomen identieke onderkomens. Een eindje verder langs deze nauwelijks twee meter brede ‘laan’ stond een veel groter gebouw. Toen Sean erlangs liep, merkte hij op dat er een bord boven een van de twee voordeuren hing. barak drie stond erop. Het gebouw leek onderverdeeld te zijn in twee afzonderlijke maar precies even grote delen. Terwijl Sean stond te kijken, kwamen er twee geüniformeerde bewakers de linkervoordeur uitgelopen. Ze zagen hem, zagen ook dat hij een badge om zijn nek droeg, draaiden zich om en liepen weg, waarschijnlijk om hun ronde te gaan lopen. Uitgaande van hun aanwezigheid hier concludeerde Sean dat minstens een helft van het gebouw in gebruik was bij de beveiligingsdienst en dat er misschien ook een deel van het beveiligingspersoneel was gehuisvest. Hij had Rivest niet gevraagd hoeveel beveiligingsmedewerkers er waren, maar de twee die hij zojuist had gezien waren bewapend met Glock-pistolen en MP-5’s. Dat was een hoop vuurkracht. Maar waarvoor?
Na een korte aarzeling liep hij de trap naar het kantoor van de beveiligingsdienst op en stapte naar binnen. Er zat een geüniformeerde vrouw achter de balie. Hij vertelde haar wie hij was en wat hij kwam doen, en stelde haar een paar vragen waarop ze opmerkelijk onbehulpzame antwoorden gaf. Achter de vrouw bevond zich een grote glazen ruit met een goed afgesloten deur ernaast. Door het glas zag Sean lange rijen geweren, jachtgeweren en pistolen.
Hij bedankte de onbehulpzame vrouw en nadat hij het gebouw weer had verlaten, liep hij de andere kant op. Hij kwam langs de achtertuin van het landhuis en zag daar een zwembad van olympische afmetingen, met een stel tafels, stoelen en parasols eromheen, plus een roestvrijstalen barbecue en een stenen haard. De lucht was kil en een aantal mensen met een biertje of wijnglas in de hand stond zacht pratend om een kampvuur. Sean hoorde een plons en keek toe terwijl een gedaante waarvan hij op deze afstand niet kon zien of het een man of een vrouw was, een paar baantjes trok. Het zwembad zou wel verwarmd zijn, dacht hij. Een paar hoofden werden zijn kant op gedraaid, maar niemand nam de moeite om hem te groeten. In plaats daarvan richtten de mensen hun aandacht weer op hun glas en hun gesprek. Sean zag iemand een eindje achteraf zitten met een glas in de hand. Hij liep naar de man toe, ging naast hem zitten en stelde zich voor.
De man was jong, nog geen dertig, en tuurde nerveus naar zijn schoenen. Hij had Monk gekend, zei hij, en ook met hem samengewerkt.
‘En jij ben actief op het terrein van...?’ vroeg Sean.
‘Moleculaire fysica, gespecialiseerd in...’ De jonge man aarzelde en nam een slok bier. ‘Wat is er volgens jou met Monk gebeurd?’
‘Ik ben hier nog maar pas, dus dat weet ik niet. Heeft hij met jou weleens gepraat over iets wat tot zijn dood geleid zou kunnen hebben?’
‘Nee, helemaal niet. Hij werkte hard, zoals wij allemaal. Hij had een dochter. Die is een beetje, tja... speciaal. Hyperintelligent. Ik bedoel, die meid kan dingen met getallen die zelfs ik niet kan, en ik heb bij mijn eindexamen destijds een tien gehaald.’
‘Gefeliciteerd.’
‘Maar het is wel een rare meid, die Viggie. Weet je wat ze verzamelt?’
‘Postzegels? Vlinders?’
‘Getallen.’
‘Getallen? Hoe kun je nou getallen verzamelen?’
‘Ze bewaart allemaal verbijsterend lange cijferreeksen in haar hoofd. En ze bedenkt telkens nieuwe. Die labelt ze met behulp van letters. Als je haar om getal x of getal z vraagt, dan krijg je elke keer precies het juiste te horen. Ik heb het uitgeprobeerd en het is echt verbijsterend. Ik heb nog nooit zoiets gezien. Ze functioneert echt op een ander niveau dan wij en ze is nog niet eens tien.’
Sean liet dit langzaam tot zich doordringen. ‘Heeft Monk het met jou weleens over Camp Peary gehad? Heeft hij zich ooit laten ontvallen dat hij daar om de een of andere reden naartoe wilde?’
De man schudde van nee. ‘Daar heeft hij het nooit over gehad.’
‘Maar je had er wel van gehoord, hè?’
‘Het valt moeilijk over het hoofd te zien, toch?’ Bij het zwembad stonden mensen naar hen te wijzen. De jongen kwam snel overeind. ‘Sorry, maar ik moet weg.’
Oké, dacht Sean en hij ging verder met zijn wandeling. Niemand hier was bereid om erover te praten. Maar wat hem op dit moment het meest verbaasde, was Rivest. Die had veel ervaring opgedaan als politieman, maar toch leek hij zijn uiterste best te doen om iets wat op het eerste gezicht duidelijk zelfmoord was tot moord uit te roepen. Maar een moordzaak zou heel wat ingewikkelder zijn en Rivest had al laten doorschemeren dat dat hem zijn baan zou kunnen kosten. Misschien zou hij morgen wel wat antwoorden te horen krijgen. Als Monk Turing zichzelf had vermoord, dan moest daar een reden voor zijn en misschien was dat wel een heel eenvoudige: een uit de hand gelopen depressie bijvoorbeeld, of iets met die ‘speciale’ dochter van hem. Als het zoiets was, dan zou het zonder al te veel vragen vanzelf wel bovenkomen, dacht hij.
Hij bleef staan bij het gebouw waar hij eerder op de dag samen met Rivest naar had staan kijken, het gebouw met de watertoren, met dat hoge hek eromheen. Het opschrift op het bord boven de ingang hier luidde barak twee. Toen hij naar de hoofdingang toe liep, stapte een gewapende bewaker naar voren en stak zijn hand op.
Sean hield zijn badge omhoog en vertelde wie hij was. De bewaker tuurde naar de badge en nam Sean toen aandachtig op. ‘Ik had al gehoord dat ze hier iemand naartoe hadden gestuurd.’
‘Heb je Monk Turing gekend?’ vroeg Sean. ‘Had je de indruk dat hij een beetje in de war of gedeprimeerd was?’
‘Ik heb hem eigenlijk niet gekend. Ik weet hoe hij eruitzag, want dat hoort bij mijn werk, maar vriendschappelijk contact tussen beveiligingsmedewerkers en onderzoekers wordt niet aangemoedigd. Zij hebben zo hun eigen manier om zich te vermaken en wij ook.’
‘Heb je hem weleens merkwaardig gedrag zien vertonen?’
De bewaker begon te lachen. ‘Man, als je het mij vraagt, zijn al die lui hier gestoord. Je kunt ook te veel hersenen hebben, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Sean gebaarde naar het gebouw. ‘Vertel eens, wat is Barak Twee?’
‘Dat mag je best vragen, maar van mij krijg je geen antwoord. Niet dat ik er trouwens zoveel van weet.’
Sean probeerde het nog een paar keer, met behulp van verschillende invalshoeken en tactieken, maar de bewaker liet zich niet vermurwen.
‘Je weet niet toevallig waar Turing hier heeft gewoond?’ vroeg hij ten slotte.
De bewaker wees naar een met bomen omzoomd asfaltweggetje. ‘Eerste afslag rechts, tweede bungalow links.’
‘Woont zijn dochter daar?’
De man knikte. ‘Samen met iemand van de kinderbescherming. En een gewapende bewaker.’
‘Een gewapende bewaker?’
‘Haar vader is dood. Ze nemen geen risico’s.’
‘Dit hele oord maakt op mij eigenlijk wel een goedbewaakte indruk,’ zei Sean.
‘Dat geldt ook voor Camp Peary, maar toch is iemand erin geslaagd om Monk Turing daar te vermoorden.’
‘Dus volgens jou was het moord en geen zelfmoord?’
Er verscheen een onzekere blik op het gezicht van de bewaker. ‘Hé, ik ben geen rechercheur, hoor. Volgens mij is de enige die daar echt zekerheid over kan geven Monk Turing zelf, en die zegt niets meer.’
‘De fbi en de plaatselijke politie, heb je die gesproken?’
‘We zijn allemaal verhoord.’
‘Hadden die nog ideeën?’
‘Dan hebben ze dat mij in elk geval niet verteld.’
‘En je hebt geen idee waarom iemand Turing zou willen vermoorden? Bracht hij soms andere beveiligingsproblemen met zich mee? Was hij betrokken bij iets illegaals? Hingen hier soms onbekenden rond?’
De bewaker schudde van nee. ‘Nee hoor, niets van dat alles. Voor zover ik kon zien, had Monk Turing weinig contact met de anderen. Geen wilde feesten of zo. Dat zouden ze hier trouwens nooit toelaten.’
‘Niemand heeft me verteld wie die “ze” hier eigenlijk zijn. Kun jij het me soms vertellen?’
‘Nee, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres, man. Ik ben gewoon maar een werknemer.’
‘Turing is gedood met zijn eigen pistool. Een kogel met stalen mantel die op zeer korte afstand is afgevuurd met een .44-Smith & Wesson, en die een grote hoofdwond heeft achtergelaten. Er zijn geen sporen van een worsteling. De patholoog-anatoom heeft de laboratoriumuitslagen nog niet binnen, dus ze weten nog niet of hij onder de invloed was van alcohol of drugs. Wist je dat hij een pistool had?’
‘Voor zover ik weet, zijn wij bewakers de enigen hier die gewapend zijn.’ En na een korte stilte voegde de man daaraan toe: ‘Je klinkt of je ervaring hebt met dit werk.’
‘Ik heb bij de Secret Service gezeten.’
‘Dat meen je niet! Heb je de president bewaakt?’
‘Die eer heb ik gehad, ja.’
‘Wauw,’ zei de bewaker vol bewondering. ‘Ik heb toch zoveel bewondering voor kerels zoals jullie.’
‘Er zitten ook vrouwen bij,’ zei Sean, die aan Michelle dacht.
‘Is er ooit weleens iets gebeurd terwijl je dienst had?’
Sean dacht terug aan de zwaarste dag in zijn professionele leven, toen presidentskandidaat Carl Ritter letterlijk aan zijn voeten gestorven was. ‘Niets waarover ik kan praten,’ zei hij. ‘Bedankt voor de informatie.’
Hij liep verder. Terwijl hij het weggetje af liep, werd het steeds donkerder en de bomen aan weerszijden leken steeds dichter naar hem toe te komen. Eigenlijk had hij nu graag een pistool bij zich gehad. Hij droeg tegenwoordig niet vaak een wapen meer, vooral niet omdat Michelle over het algemeen tot de tanden bewapend was en over benen en vuisten beschikte die bijna even dodelijk waren als haar Glock. Toen hij opnieuw aan haar moest denken, al voor minstens de tiende keer die dag, bleef hij even staan. Horatio had gezegd dat hij haar niet te vaak moest bellen, en al was dat hem zwaar gevallen, hij had zich daaraan gehouden. Hij hoopte maar dat ze snel weer beter zou worden, en wel om verschillende redenen. Tot nu toe was hij hier echt tegen een muur gelopen, en hij zou alle hulp nodig hebben die hij maar krijgen kon. Maar het was meer dan dat; hij wilde gewoon dat Michelle er snel weer bovenop zou komen.
Toen liet hij de dubbele rij bomen achter zich en kwam bij een rijtje bungalows. In de eerste was het donker, in de tweede – die van Monk Turing – brandde licht in de huiskamer. Alle bungalows waren opgetrokken uit rode baksteen en voorzien van groenkoperen daken, en besloegen stuk voor stuk een oppervlak van ongeveer tweehonderdvijftig vierkante meter. Leuke optrekjes, dacht hij. De gazons waren goed onderhouden; de houten hekjes om de voortuin zaten keurig in de verf. Langs de trap naar de veranda stonden potten vol kleurige bloemen. Het was net een van die idyllische schilderijen met tafereeltjes waarop het leven te zien viel zoals het nooit maar dan ook nooit werkelijk was. Vanuit het huis hoorde Sean pianomuziek. Hij bleef staan en dacht even na, duwde toen het tuinhekje open en liep over het tuinpad naar de verandatrap.
Hij liep de veranda op en zag daar een smal bankje staan, met een hoge stapel sportspullen erop. Er lagen onder meer een paar golfclubs, een basketbal en een honkbalhandschoen. Sean pakte de handschoen op en snoof eraan. Goed geolied leer. Kennelijk had Turing aan sport gedaan, waarschijnlijk om zich na al dat denken wat te kunnen ontspannen.
Sean tuurde door de hordeur. Een nogal dikkige vrouw van een jaar of veertig in een peignoir met spiraalmotiefjes en slippers aan haar voeten lag te slapen op de bank. Haar gezicht ging gedeeltelijk schuil achter haar lange bruine krullen. Aan het andere eind van de kamer zat een jong meisje aan een kleine vleugel. Ze had lang, lichtblond haar en haar huid was zo bleek dat het niet veel scheelde of ze was een albino geweest. Zo te zien speelde ze uit haar hoofd, want er stond geen bladmuziek op de standaard. Terwijl Sean stond te luisteren ging ze zonder ook maar één toets te missen over van klassiek – Rachmaninoff dacht Sean – op een stuk van Alicia Keyes.
Viggie Turing.
Sean dacht erover om op de deur te kloppen, zodat de vrouw wakker zou worden en hij haar kon vragen of hij mocht binnenkomen, maar toen keek Viggie op en zag hem. Hij had gedacht dat ze erg zou schrikken, maar ze hield niet eens op met spelen. Terwijl ze hem zat aan te staren ging ze zonder enige merkbare inspanning over op Tiny Dancer , wisselde halverwege naar Billy Joels Piano Man , en ging toen met een wijde boog terug naar het klassieke repertoire, deze keer Bach, of in elk geval iets wat daarop leek.
‘Wat doet u hier?’
Hij schrok, want de stem kwam van achteren. Hij draaide zich om en zag een vrouw vlak naast zich staan. Hoe had dat in godsnaam kunnen gebeuren? Hij trok de honkbalhandschoen uit en hield haar zijn badge voor. ‘Ik ben Sean King. Ik ben hier om een onderzoek in te stellen naar de dood van Monk Turing.’
‘Dat weet ik ook wel,’ zei de vrouw kortaf. ‘Ik bedoel: wat doet u hier? Bij dit huis? Zo laat op de avond?’
Ze was halverwege de dertig en ongeveer een meter vijfenzestig lang. Ze had rood haar met een scheiding aan de zijkant en een kleine golf halverwege de nek. Het licht boven de voordeur sprong aan, zodat hij zag dat ze sproeten had en lichtgroene ogen. Ze droeg een spijkerbroek, zwarte mocassins en een bloes van ribfluweel met een borstzakje waar een velletje papier uit stak. Het leek wel of haar lichaamsdelen in geen enkel opzicht bij elkaar pasten, alsof ze uit andere lichamen waren gesloopt en op haar geënt waren. Haar lippen waren te vol voor haar smalle gezicht, haar schouders waren iets te breed voor haar romp, haar neus paste niet helemaal bij haar ogen en haar kin was te spits voor haar zware kaak. Maar hoewel eigenlijk alles aan haar een beetje mis was, was ze toch een van de aantrekkelijkste vrouwen die Sean ooit had gezien.
‘Mijn gesprek met Len Rivest was afgelopen en een van de bewakers heeft me gewezen waar Monk woonde. Ik ben even een wandelingetje gaan maken en toen hoorde ik Viggie spelen. Ik ga er tenminste vanuit dat zij dat meisje aan de piano is. Ik ben even blijven staan om te luisteren.’ Hij nam aan dat hij nu wel voldoende informatie had gegeven om zelf ook een vraag te mogen stellen. ‘En u bent?’
‘Alicia Chadwick.’ Ze keek snel even over zijn schouder, naar Viggie Turing, die nu bezig was met een nummer van Ray Charles.
‘Ze speelt echt heel goed,’ zei Sean.
De lichtgroene ogen werden weer op hem gericht. ‘Ze is in veel opzichten een opmerkelijk kind.’ Ze legde een stevige hand op zijn mouw en trok hem weg van de deur. ‘Wij moeten eens praten. Er zijn een paar dingen die u moet weten.’
Hij glimlachte. ‘U bent de eerste hier die bereid is om te praten.’
‘Schort u uw oordeel maar even op totdat u hebt gehoord wat ik te zeggen heb.’