Onder een zon die al een heel eind op was, maar in een lucht die nog altijd koud was voor het seizoen, kwamen de reizigers weldra bij een oude bizonsprong. Ze hielden halt aan de rand van het ravijn en staarden neer op de slachtplaats, waar hopen met sneeuw bedekte beenderen, schedels en slagtanden lagen. 'Voor jij bij mijn volk kwam, Warakan, vonden er 's winters op deze plek vele goede jachten plaats... vele bizons, paarden, mammoets... heel veel vlees. De jagers namen alleen het beste mee en lieten de rest aan kadavervreters over. Nu Shateh jou Zoon noemt, slaapt de Warme Maan in haar hut voorbij de rand van de wereld en vult grote witte winter de bergpassen met sneeuw die niet wil smelten. Hoe kunnen de kudden daardoorheen komen om de stam te voeden?'

Warakan keek naar Lahontay op. De beschuldiging in de woorden van de oude man was hem niet ontgaan. 'De Ouden zeiden dat grote witte winter in de tijd voorbij het begin, toen de dieren en het volk één stam vormden, de hoogste leider van de vier winden was. Niets bleef in leven zonder zijn toestemming. Maar ik leefde nog niet in die dagen, Lahontay, dus daar kun je mij niet de schuld van geven!'

De oude man nam de jongen langzaam en peinzend op voordat hij antwoordde met een eigen herinnering. 'Wie zal zeggen waar onze geest vertoefde in de tijd voorbij het begin? Roofdier... prooi... mensen... beesten... allen die nu leven, leefden toen in een andere huid.'

Deze woorden hadden een ontnuchterend effect op Warakan. Ze gaven hem even een merkwaardig ongemakkelijk gevoel. Om het vertrouwen van de oude man te winnen hield hij dapper vol: 'In elk leven en in elke huid was en is Warakan een trouwe zoon van Shateh! Jij hebt het met je eigen mond gezegd, Lahontay: als ik erin slaag Beer wakker te maken, zal de Warme Maan opkomen en zal grote witte winter op de vleugels van Noordenwind wegdrijven. De sneeuw- en ijsgeesten zullen watergeesten worden. De huid van Moeder Beneden zal een vacht van groen gras krijgen en de kudden zullen hongerig uit de opkomende zon komen om voedsel voor het volk te worden. Het volk van het Land van gras zal naar Warakan kijken en zeggen dat het in ieders belang was dat Shateh hem Zoon besloot te noemen! Zo is het toch, Lahontay?' 'We zullen zien,' antwoordde de oude jager ontwijkend. Zijn ogen waren bedachtzame spleetjes geworden. 'Jij bent heel welbespraakt voor zo'n jong iemand... net als een sjamaan die ik ooit kende.' Hij fronste, leek een poging te doen zich iets te binnen te brengen. 'Zo lang geleden... Vreemd... ik kan me het gezicht niet herinneren... maar de woorden...'

'Het doet er niet toe,' onderbrak Warakan. 'Als ik als een sjamaan klink, zal ik niets meer zeggen!'

Van slag door zijn falend geheugen tuurde Lahontay over het terrein. 'We moeten verder. Het is nog een heel eind naar de plek waarover ik heb gedroomd, en er staat ons daar veel gevaar te wachten.'

'Ik ben niet bang!' hield Warakan vol.

'Nee?' zei de oude man. Toen schudde hij zijn hoofd en ging de jongen voor. 'Dat zou je wel moeten zijn.'

Rook, zweet en dromen... Shateh baadde erin terwijl hij zijn vasten voortzette en met de geesten communiceerde. De zweethut was een groot, vrij laag bouwsel van gebogen wilgentakken bedekt met zware huiden. Binnenin was een kleine kuil voor verhitte stenen gegraven. Hierover gooide Zakeh, die als bewaker van de heilige rook optrad, water uit een bizonhoorn om stoom te maken. Nu echter hoorde Zakeh, die met zware ogen van de slaap het water op de stenen goot, niets dan een zacht kletterend geluid. Zijn maag kromp samen van angst. Het was alweer een tijdje geleden dat hij naar de deurhuid was gekropen om Xohkantakeh, de verzorger van de heilige vlam, te vragen de hardhouten tang ter hand te nemen en verhitte stenen op te diepen uit het vuurtje dat tot in de ochtend brandend was gehouden. Hij verweet zichzelf dat hij ingedut was en zijn heilige plichten verzaakte. Als Shateh wakker werd in een koude hut zonder stoom, viel er niet te zeggen welke straf de oppasser die het heilige vertrouwen van een dromer ontrouw werd boven het hoofd hing.

Zakeh suste zijn angst door zijn verzuim goed te praten. Hoe had hij nu wakker kunnen blijven? Het leek wel een eeuwigheid geleden dat het opperhoofd de hut was binnengekomen, en nog langer dat Shateh zijn hoofd uit de droomhouding had opgeheven. Hij zat doodstil en ademde diep en langzaam, met zijn polsen op zijn opgetrokken knieën, waartussen zijn lange, bezwete, zwarte haar afhing op de grond.

'Leeft hij nog?' fluisterde Xohkantakeh, die naar binnen gluurde. Hij had de deurflap precies ver genoeg geopend om een onderzoekende blik naar binnen te kunnen werpen.

Zakeh kneep zijn ogen dicht tegen het onverwachte felle licht dat naar binnen viel. De intense hitte die de hut had gevuld toen Shateh was begonnen met het ritueel van het uitzweten-van-de-geesten-van-boosheid, was wat afgenomen. Maar sindsdien waren er keer op keer nieuwe verhitte stenen naar de kuil gebracht, zodat de duistere hut nog steeds vochtig en warm was. Zakeh huiverde in de kille ochtendlucht en siste precies hard genoeg om door Xohkantakeh gehoord te worden: 'Wat mankeert jou? Doe de deurhuid dicht! De dromer mag pas gestoord worden wanneer hij uit zichzelf uit zijn trance is gekomen!'

'Teikan kwam me net vertellen dat Lahontay met Warakan het dorp uit is gegaan om de plek op te zoeken waar Beer zijn winterslaap houdt. Ze hebben Namaray en de andere jongens niet meegenomen. Shateh zal dit willen weten.'

'Zodra hij terugkeert van het droompad, zal ik het hem vertellen!' 'Maar hij moet ook weten dat de nieuwe vrouw Eira de eerste geboortepijnen heeft gevoeld!'

'Ik ga de dromen van een man niet onderbreken voor gepraat over vrouwen! Het is nog lang niet zover dat er een baby tussen haar dijen vandaan kan komen. Het is de eerste keer voor haar. Ze weet niet wat ze voelt. Breng eens verse stenen. Ik moet hitte hebben om genoeg stoom te krijgen om de gedachten van de dromer te voeden in de wereld voorbij deze wereld!'

Xohkantakeh gehoorzaamde brommend. De zweethut werd weer gedompeld in een blauwachtige duisternis. Zakeh tastte naar de enige overgebleven heilige bundel gedroogde salie en vlotgras. Hij legde hem in de kuil boven op de afgekoelde vuistgrote stenen. Even later overhandigde Xohkantakeh hem een leren zak gevuld met pasverhitte stenen. De krachtige geur van geschroeid leer drong in Zakehs neus toen hij de zak aanpakte. Vlug en kalm leegde hij de roodgloeiende inhoud op de salie en het gras, blies toen in de kuil tot er een geurige rook opsteeg en zich een geur door de hut verspreidde die zowel prettig was voor mensen als voor geesten. Pas

toen Shateh van kennelijk genoegen zuchtte, ontspande Zakeh zich. En pas toen alle wierook uit de heilige bundel was bevrijd, dompelde hij de bizonhoorn in de waterpens en liet hij opnieuw stoom uit de stenen opstijgen.

Shateh glimlachte. Hij was dankbaar voor de plotselinge verandering in zijn dromen, want die waren geleidelijk overgegaan in de pijnlijke herinneringen van een man op leeftijd die terugverlangde naar zijn jeugd en de vrouwen die hij bemind en verloren had. Nu droomde hij dat hij weer jong was. Hij zag zichzelf op grootwild jagen op de jachtvelden van zijn jeugd. Hij zag zichzelf beschilderd met witte klei, as en rode oker. Hij zag zichzelf in de grote paal klimmen - de van takken ontdane stam van een populier die rechtop in een ravijn was gezet - en zich fier oprichten. Met één arm omklemde hij de top terwijl hij de bizons luidkeels aanriep, ze uitdagend naar het ravijn te stormen en hun leven op te geven om vlees voor zijn volk te worden. 'Kom!' schreeuwde hij.

En de bizons kwamen. Opgejaagd door de honden en de jagers van zijn stam kwamen ze, bij honderden kwamen ze, tot de aarde ervan trilde. De stroom zwarte, bruine en goudkleurige lijven kwam als een enorme vloedgolf over het Land van gras op het ravijn af zetten. En toen waren ze allemaal om hem heen, zodat de hoog optorenende paal waarop hij stond, ervan trilde terwijl hij ze opriep om te sterven. Hoorns, hoeven en rugbulten vlogen over de rand van het ravijn, maar haalden de overkant niet. 'Hejaaa!' riep hij, terwijl de bizons in de afgrond stortten.

Niemand had de bizons ooit zo durven roepen als Shateh dat deed, niemand op één na.

'Kom, mijn zoon! Laat zien wie je bent! Bewijs jezelf als je durft.' Masau klom in de grote jachtpaal. Masau ging de uitdaging van de vader die allang zijn vijand was geworden aan. Wat een magnifieke man was die getatoeëerde zoon geworden! Nooit zou iemand hem evenaren. Jachtleider! Mystiek Krijger! Sjamaan! Zoon van Shateh en lieveling van Ysuna, Dochter van de Zon, hogepriesteres van het mensenetende volk van de wakende ster.

Opeens veranderde Shatehs droom opnieuw. De gedachte aan een zoon die een van 'hen' was, deed hem ineenkrimpen. En toch wist hij dat hij - en hij alleen - verantwoordelijk was voor Masaus loyaliteit aan het mensenetende volk. Binnen het weefsel van zijn dromen zag het opperhoofd nu het kind dat Masau eens was geweest, in veel opzichten net Warakan: klein voor zijn leeftijd, even tenger als een jonge rietstengel en even fragiel. Wie had kunnen denken dat hij later groot, krachtig en even vervaarlijk als een bronstige elandstier zou worden? Met grote ogen, krimpend van angst, had Masau als jonge knaap de paal beklommen, was vervolgens in paniek geraakt en had de dapperheidsproef geweigerd die hem de eer zou hebben bezorgd dat hij met zijn vader de bizons had getrotseerd.

Iedereen was het erover eens geweest dat zijn lafheid niet verrassend was. Van jongs af aan was de jongen linkshandig geweest: een teken van een potentiële onruststoker. Niettemin had Masau onder het volle gelaat van de Stervende Maan die meedogenloos op de winterse wereld neerstaarde, Shateh zonder met zijn ogen te knipperen aangehoord toen het opperhoofd had uitgelegd dat, wanneer de stam verder trok op zoek naar betere jachtgronden, hij en zijn ziekelijke oudere broer zouden worden achtergelaten. In tijden van hongersnood moest de enkeling zich opofferen voor het welzijn van het geheel. Dat was de traditie van het volk sinds de tijd voorbij het begin. Shateh had geen reden gezien om daar iets aan te veranderen. Hij had zichzelf verzekerd dat hij weldra betere, krachtigere, grotere, moediger zonen zou maken. Trouwens, geen man - en zeker geen man die zowel leider als sjamaan was - zou zo zelfzuchtig zijn dat hij, terwijl anderen van honger omkwamen, vlees uitdeelde aan hen die niet jagen konden of de stam niet konden bijbenen op hun reis naar nieuwe jachtgronden.

Toch voelde Shateh nu zoveel schuldgevoel en spijt dat hij kreunend droomde hoe zijn jongetjes op de bevroren vlakte van het verleden door wolven en leeuwen waren omringd. Nevels sloten hen in. Het opperhoofd hoorde mammoets trompetteren en zijn kinderen gillen terwijl ze door vleeseters werden aangevallen. Vervolgens zag hij Masau op een pad omzoomd door mammoetbeenderen uit bloederige mistbanken opdoemen, niet als kind, maar als een man die zijn trouweloze vader vervloekte.

Met een schok werd Shateh wakker. Hij hief zijn hoofd op, staarde het duister van de zweethut in en zag Masau, ongetwijfeld de beste van zijn vele overleden zonen, in het volle ornaat van Mystiek Krijger van het volk van de wakende ster voor zich staan. 'Mijn zoon!' riep hij uit, verbaasd, blij en ontsteld tegelijk. 'Hoe kun jij hier zijn? Je bent dood!'

'Ik ben van jouw bloed, vlees, merg en gebeente! Een man kan zijn zoon niet zomaar de rug toekeren en uit zijn leven wegsnijden, evenmin als hij een arm of been kan afsnijden zonder te verwachten dat ze zullen bloeden.'

'Mijn volk leed honger! Er was niet genoeg voor jou en voor hen!' 'Je vijanden leden ook honger. Maar zij lieten mij delen in wat zij hadden.'

'Ik wil er niets van horen! Je brak te laat met hen die jacht maakten op mijn volk, Masau! Als je eerder als vriend en als bondgenoot was teruggekeerd, zou ik niet met je gevochten hebben en zou jij nu in leven zijn!'

'Als jij me niet in de steek had gelaten om voor eeuwig in de wind te lopen, zou ik nooit jouw vijand geworden zijn en had jij je speer niet tegen mij hoeven opheffen!'

'Ai-jie,' jammerde Shateh, geschokt door de pijn die het verlies van zijn zoon nog altijd bij hem veroorzaakte, als ook door herinneringen aan de wrede omstandigheden die hem tot een korte, bittere wapenstilstand met Masau hadden gebracht, maar een paar uur voordat de man door een speerdrager van het volk van de wakende ster was gedood.

Het verleden was meer dan het opperhoofd verdragen kon. 'Vergeef me!' riep hij, want hij besefte maar al te goed dat Masau nu door zijn toedoen het lot onderging waarvoor Shateh het meest bang was. Gedood voordat hij een mannelijk kind had voortgebracht om zijn naam aan te nemen, was Masaus levensgeest gedoemd om voor eeuwig in de wind te lopen, voor altijd gevangen tussen hemel en aarde. Nooit meer zou hij in de wereld der levenden geboren worden.

'Het is tussen ons niet afgelopen!' verklaarde de schim van Mystiek Krijger, terwijl hij zijn indrukwekkende speer hief. 'Kun je dat zelfs nu niet inzien? Is Shateh zelfs nu bereid zijn zoon te verwerpen?' 'Nee!' riep Shateh dwars door het spookachtige dreigement heen. Zijn schreeuw klonk zo hard dat hij met een schok ontwaakte uit hetgeen, zo besefte hij nu, een voortzetting van zijn droomtoestand was geweest. Hij merkte dat hij in het vermoeide, bezorgde gezicht van Zakeh zat te staren. De schim van zijn zoon, zo die er al geweest was, was verdwenen, en Shateh bleef emotioneel uitgeput achter. 'Masau...' Hoofdschuddend zuchtte hij zijn naam. 'Zal er ooit weer een zoon zijn die jouw gelijke is?'

'Zijn geest kan maar het best voor eeuwig op de wind verloren gaan. Spreek zijn naam niet uit, voor hij tevoorschijn komt, want groot zijn de vermogens van Shateh, wiens lied de krachten der schepping heeft opgeroepen om in Eira's buik te ontwaken.' 'Wat zeg je?'

'Ik hoorde je duidelijk zeggen: "Kom, mijn zoon! Laat zien wie je bent! Bewijs jezelf als je durft!" Moge hij die weldra uit de nieuwe vrouw geboren zal worden, Shatehs levensgeest voor eeuwig levend houden.'

Shateh fronste. Hij keek om zich heen, zag dat de nacht voorbij was en dat ook de nieuwe dag al ten einde liep. Achter de wanden van de zweethut kon hij zijn volk horen zingen en inderdaad sloegen de trommelaars het vertrouwde ritme dat aankondigde dat er wederom een vrouw uit het dorp barensweeën had gekregen. Hoop flakkerde op in Shatehs hart. Hadden de geesten van de voorouders zijn ontelbare gebeden wellicht toch verhoord? De vraag wekte een glimlach op. Hij dacht nu aan de toekomst, niet aan het verleden. Zijn droom over Masau zonk ongemerkt in de vergetelheid toen hij overeind kwam om naar buiten te gaan. De zon was onder. De bijtend koude avondlucht overweldigde zijn zintuigen. Plotseling werd het opperhoofd van binnen even koud als van buiten. Waren er negen manen voorbijgegaan sinds de nacht dat hij zijn hete levensvocht in de dochter van Lahontay en de andere nieuwe vrouwen had gepompt? 'Nee. Maar zes.' En nog altijd talmde grote witte winter op het land. Dat was niet natuurlijk, geen goed teken. Verkild door de innerlijke wind van wat alleen als een bang voorgevoel kon worden aangemerkt, probeerde Shateh zich vergeefs een pasgeborene te herinneren die een zo korte draagtijd had overleefd.

'Ze zijn het dorp uit, Shateh!' brulde Xohkantakeh boven de trommels en het gezang uit. 'Ik kon ze niet tegenhouden!' 'Wat?' vroeg het opperhoofd verstoord, terwijl de jager in zijn wintermantel dichterbij kwam. 'Wie is er het dorp uit gegaan?'