Toen ik in bed lag vroeg ik me ongerust af: wat hebben we toch
gedaan om al die gemene roddels over ons af te roepen?
Cary en ik waren een tweeling, broer en zus, enkele minuten na
elkaar geboren. We waren in de schoot van onze moeder verbonden
geweest en de geboorte was een grote scheiding van elkaar en van
haar...
Toen we opgroeiden bleef Cary als vanzelfsprekend in mijn
buurt, beschermde me. Er was er maar één blik of aanraking nodig om
angst of een gelukkige inval aan elkaar over te dragen. Misschien
stoorden onze vrienden zich aan die magische communicatie;
misschien waren ze jaloers en wilden ons daarom kwetsen; ze konden
gemakkelijk van Cary's toewijding aan mij iets smerigs maken.
Een angstig stemmetje in mijn achterhoofd liet zich horen:
'Misschien is Cary zo kwaad omdat hij beseft dat er iets van
waarheid zit in hetgeen ze zeggen... misschien is hij te veel aan
je gehecht...'
Nu ik alleen was voelde ik me kwaad en verward maar ook
beschaamd. Ik dacht aan Cary boven me, opgesloten in zijn
zolderkamer. Het was heel stil maar ik meende dat ik hem hoorde
huilen. Ik spitste mijn oren maar het was weer stil. De wind was
gaan liggen maar nog krachtig genoeg om de muren te doen kraken.
Buiten speelde de maan verstoppertje met de uiteendrijvende wolken.
De branding sloeg op het donkere zand en leek op een reusachtige
natte hand die de aarde streelde. De nacht verleende respijt, tijd
om de beproevingen en kwellingen van de dag van je af te zetten en
de slaap als een geliefde vriend te verwelkomen.
Ik sloot mijn ogen en bad, en wachtte op de verrassing van de
ochtend...