NEGENTIEN
Vanuit het raam van een lege slaapkamer op de eerste verdieping van de pastorie keek Eva hoe dominee St. John Froude peinzend het pad afliep naar de kerk. Zodra hij uit het zicht was, ging ze naar zijn studeerkamer. Ze zou Henry nog eens bellen. Als hij niet op school was, moest hij thuis zijn. Ze liep naar het bureau en wilde net de telefoon pakken toen ze de klimop zag. O jee, die was ze helemaal vergeten en hij lag op een plek waar hij hem wel gezien móést hebben. Wat vreselijk gênant. Ze draaide haar eigen nummer, maar kreeg geen gehoor. Vervolgens belde ze de school, terwijl ze het poortje van het kerkhof in de gaten hield voor het geval de dominee terug zou komen.
“Technische school van Fenland,” zei het meisje van de administratie.
“Daar ben ik weer,” zei Eva. “Ik wil meneer Wilt spreken.”
“Het spijt me, maar meneer Wilt is er niet.”
“Waar is hij dan? Ik heb hem thuis al gebeld en…”
“Op het politiebureau.”
“Wat?” zei Eva.
“Hij zit op het politiebureau. Hij assisteert de politie bij hun onderzoek…”
“Onderzoek? Wat voor onderzoek?” gilde Eva.
“Wist u dat niet?” zei het meisje. “Het heeft uitgebreid in de krant gestaan. Hij heeft zijn vrouw vermoord…”
Eva hield de hoorn een eindje van haar oor en staarde er vol afschuw naar. Het meisje praatte nog steeds, maar ze luisterde niet meer. Henry had zijn vrouw vermoord. Maar zij was zijn vrouw. Het was onmogelijk. Ze kon niet vermoord zijn. Eén gruwelijk moment voelde Eva zich over het randje van de waanzin glijden, maar toen drukte ze de hoorn weer tegen haar oor.
“Bent u er nog?” vroeg het meisje.
“Maar ik ben zijn vrouw,” schreeuwde Eva. Er volgde een lange stilte aan de andere kant van de lijn en ze hoorde het meisje tegen iemand zeggen dat ze een krankzinnige aan de lijn had die zei dat ze mevrouw Wilt was.
“Ik zeg toch, ik ben mevrouw Wilt. Mevrouw Eva Wilt,” schreeuwde Eva, maar de verbinding was verbroken. Zwakjes legde ze de hoorn op de haak. Henry zat op het politiebureau…Henry had haar vermoord…O, god. De hele wereld was gek geworden. En zij stond naakt in een pastorie in…Eva had geen flauw idee waar ze was. Ze draaide het alarmnummer.
“Alarmcentrale. Wie wilt u spreken?” zei de telefoniste.
“De politie,” zei Eva. Er klonk een klik en ze hoorde een mannenstem.
“Met de politie.”
“Met mevrouw Wilt,” zei Eva.
“Mevrouw Wilt?”
“Mevrouw Eva Wilt. Heeft mijn man echt een moord…ik bedoel heeft mijn man…O jee, ik weet niet wat ik moet zeggen.”
“Bent u mevrouw Wilt? Mevrouw Eva Wilt?” vroeg de man.
Eva knikte en zei toen: “Ja.”
“Juist,” zei de man dubieus. “Weet u dat heel zeker?”
“Natuurlijk weet ik het zeker. Daarom bel ik.”
“Mag ik vragen waarvandaan u belt?”
“Dat weet ik niet,” zei Eva. “Ik ben in een huis, en ik heb geen kleren aan, en…o jee.” De dominee kwam aanlopen.
“Als u het adres zou kunnen geven…”
“Ik heb nu geen tijd,” zei Eva en ze hing op. Ze aarzelde even, griste toen de klimop van het bureau en holde de kamer uit.
“Ik zeg toch dat ik niet weet waar ze is?” zei Wilt. “U moet zoeken bij vermiste personen. Ze is van grofstoffelijkheid overgegaan in abstractie.”
“Wat bedoel je daar in godsnaam mee?” vroeg de inspecteur. Hij pakte zijn koffie. Het was zaterdag elf uur ‘s-ochtends, maar hij hield vol. Hij had nog achtentwintig uur de tijd om de waarheid uit hem los te krijgen.
“Ik heb haar altijd gewaarschuwd dat transcendente meditatie gevaarlijk zou kunnen zijn, maar ze deed het toch,” zei Wilt, die zelf ook in een niemandsland tussen slapen en waken verkeerde.
“Wat deed ze?”
“Transcendent mediteren. In de lotushouding. Misschien is ze deze keer te ver gegaan. Wie weet heeft ze een metamorfose ondergaan.”
“Een mete wat?” vroeg inspecteur Flint wantrouwig.
“Is ze op de een of andere manier iets anders geworden.”
“Jezus, Wilt! Als je weer over varkenspasteitjes begint…”
“Ik dacht aan iets spiritueiers, inspecteur. Iets moois.”
“Dat betwijfel ik.”
“Denk eens na. Dat ik hier in deze kamer zit, is het rechtstreekse gevolg van het feit dat ik de hond uitliet en duistere gedachten dacht over het vermoorden van mijn vrouw. Die uren van speelse fantasie hebben mij de reputatie bezorgd dat ik een moordenaar ben, terwijl ik nooit een moord gepleegd heb. Misschien heeft Eva, wier gedachten slaapverwekkend mooi waren, een overeenkomstig mooie beloning verdiend. We krijgen waar we om vragen, om in uw termen te spreken.”
“Dat hoop ik vurig, Wilt,” zei de inspecteur.
“Aha,” zei Wilt, “maar waar is ze dan? Vertel me dat eens. Alleen gissen is niet voldoende…”
“Moet ik jou dat vertellen?” riep de inspecteur, die zijn koffie omstootte. “Jij weet in welke put je haar gegooid hebt of welke cementmolen of vuilverbrander je gebruikt hebt.”
“Het was een metaforische vraag…retorisch, bedoel ik,” zei Wilt. “Ik trachtte me voor te stellen wat Eva zou zijn als haar gedachten, voorzover ze die heeft, werkelijkheid zouden worden. Ik droomde ervan een meedogenloze man; van de daad te worden, vastberaden en niet gehinderd door morele twijfels of gewetensvragen. Een Hamlet, getransformeerd tot Henry de Vijfde, maar zonder het patriottische vuur waardoor hij vandaag de dag waarschijnlijk geen voorstander zou zijn geweest van de een Caesar…”
Inspecteur Flint was het zat. “Wilt,” snauwde hij, “het kan me geen donder schelen wat je wilde worden. Ik wil weten wat er van je vrouw is geworden.”
“Daar wilde ik het net over hebben,” zei Wilt. “Maar eerst moeten we vaststellen wat ik ben.”
“Ik weet wat je bent, Wilt. Je bent een woordenkramer, een verbaal slangenmens, een haarklover, een lingustische Houdini, een encyclopedie vol ongewenste informatie…” Inspecteur Flint kon geen metaforen meer bedenken.
“Briljant, inspecteur, briljant. Ik zou het zelf niet beter gezegd kunnen hebben. Een haarklover, maar helaas geen vrouwenklover. Als we die redenering doortrekken is Eva, ondanks haar mooie gedachten en meditaties, nog net zo onveranderd als ik. Het etherische ontglipt haar. Het nirvana ontsnapt aan haar greep. Schoonheid en waarheid blijven buiten haar bereik. Ze jaagt het absolute achterna met een vliegenmepper en giet bleekmiddel door de riolering van de hel…”
“Dat is al de tiende keer dat je het over bleekmiddel hebt,” zei de inspecteur. Plotseling schoot hem een vreselijke nieuwe gedachte te binnen. “Je hebt toch niet…”
Wilt schudde zijn hoofd. “Daar gaat u weer. Precies Eva. Een letterlijke geest die het ongrijpbare tracht te grijpen en de fantasie bij haar niet-bestaande keel vat. Eva ten voeten uit. Ze zal nooit Het Zwanenmeer dansen. Geen enkele directie zou haar toestaan het toneel onder water te zetten of een tweepersoonsbed te installeren en dat zou Eva per se willen.”
Inspecteur Flint stond op. “Hier schieten we niets mee op.”
“Precies,” zei Wilt. “Helemaal niets. We zijn wat we zijn, en niets wat we doen zal dat feit veranderen. De mal die onze natuur vormt blijft ongeschonden. Noem het erfelijkheid, noem het toeval…”
“Noem het geleuter,” zei Flint en hij verliet de kamer. Hij had behoefte aan slaap en was van plan die behoefte te bevredigen.
Op de gang kwam hij brigadier Yates tegen.
“We hebben een telefoontje gehad van een vrouw die beweerde dat ze mevrouw Wilt was,” zei de brigadier.
“Waar belde ze vandaan?”
“Wilde ze niet zeggen,” zei Yates. “Ze zei dat ze het niet wist en dat ze geen kleren aanhad…”
“O, zo eentje,” zei de inspecteur. “Een mafkees. Waarom verspil je daar je tijd aan? Alsof we niet genoeg te doen hebben.”
“Ik dacht dat u het wel zou willen weten. Als ze nog eens belt, zullen we proberen het nummer te achterhalen.”
“Je doet maar,” zei Flint en hij vertrok om zijn verloren slaap in te halen.
Dominee St. John Froude bracht een onrustige dag door. Hij had niets ongepasts gevonden in de kerk en niets wees erop dat er een obsceen ritueel had plaatsgevonden (hij had even aan duivelsaanbidding gedacht). Terwijl hij terugliep naar de pastorie zag hij tot zijn opluchting dat de lucht boven de Palingbocht leeg was en de condooms verdwenen waren. Net als de klimop op zijn bureau. Hij keek bezorgd naar de plek waar het gelegen had en schonk een whisky in. Hij had kunnen zweren dat er een bos klimop had gelegen toen hij wegging. Tegen de tijd dat hij de rest van de fles op had werd hij geplaagd door allerlei vreemde hersenschimmen. Het was merkwaardig rumoerig in de pastorie. De trap kraakte en boven klonken onverklaarbare geluiden, alsof er iets of iemand rondsloop, maar toen hij ging kijken hielden de geluiden abrupt op. Hij keek in verscheidene lege slaapkamers, ging weer naar beneden, bleef even in de hal staan luisteren en keerde toen terug naar zijn studeerkamer. Hij probeerde zich te concentreren op zijn preek, maar het gevoel dat hij niet alleen was bleef en hij dacht aan de mogelijkheid van spoken. Er was iets heel vreemds aan de hand. Om één uur ging hij naar de keuken om zijn middageten te maken en ontdekte dat er een fles melk was verdwenen uit de provisiekast en dat het restant van de appeltaart die was meegebracht door mevrouw Snape, die tweemaal per week de boel schoonmaakte, ook onvindbaar was. Hij behielp zich met witte bonen op toast en wankelde naar boven om zijn middagdutje te doen. Terwijl hij op bed lag hoorde hij stemmen, of liever gezegd één stem. Hij scheen uit de studeerkamer te komen. Dominee St. John Froude ging overeind zitten. Als hij zijn oren mocht geloven, en gezien de vreemde gebeurtenissen van die ochtend was hij geneigd te denken dat hij dat niet mocht, zou hij gezworen kunnen hebben dat er iemand telefoneerde. Hij stond op en trok zijn schoenen aan. Er huilde iemand. Hij liep de overloop op en luisterde. Het snikken was opgehouden. Hij ging naar beneden en keek in alle kamers op de begane grond, maar afgezien van het feit dat het stoflaken was verwijderd van een fauteuil in de ongebruikte zitkamer, was er niemand te zien. Hij wilde net weer naar boven gaan toen de telefoon ging. Hij liep naar de studeerkamer en nam op.
“De pastorie van Waterswick,” mompelde hij.
“Met het hoofdbureau van politie van Fenland,” zei een man. “Er heeft zojuist iemand gebeld vanaf uw adres. Een zekere mevrouw Wilt.”
“Wilt?” zei dominee St. John Froude. “Mevrouw Wilt? U moet zich vergissen. Ik ken geen mevrouw Wilt.”
“Er is beslist gebruikgemaakt van uw toestel, meneer.”
Dominee St. John Froude dacht na. “Het is allemaal erg vreemd,” zei hij. “Ik woon alleen.”
“Bent u de dominee?”
“Ja, dat klopt. Dit is de pastorie en ik ben de dominee.”
“Aha. En uw naam is?”
“Dominee St. John Froude.”
“Juist. Dus u weet zeker dat er geen vrouw bij u in huis is?”
“Natuurlijk is er hier geen vrouw in huis. Wat een onfatsoenlijke suggestie! Ik ben…”
“Het spijt me, meneer, maar we moeten dat soort dingen nagaan. We zijn gebeld door mevrouw Wilt, of een vrouw die beweerde dat ze mevrouw Wilt was, en er is van uw toestel gebruikgemaakt…”
“Wie is die mevrouw Wilt? Ik heb nooit van haar gehoord.”
“Tja, mevrouw Wilt…het is een beetje moeilijk. Ze zou vermoord zijn.”
“Vermoord?” zei dominee St. John Froude. “Zei u ‘vermoord’?”
“Laten we zeggen dat ze onder verdachte omstandigheden vermist wordt. We hebben haar man opgepakt.”
Dominee St. John Froude schudde zijn hoofd. “Uiterst betreurenswaardig,” mompelde hij.
“Bedankt voor uw hulp, meneer,” zei de brigadier. “Sony dat ik u lastig heb gevallen.”
Dominee St. John Froude legde peinzend de hoorn op de haak. Hij had zijn vermoeden dat hij het huis deelde met de geest van een onlangs vermoorde vrouw niet willen delen met die agent. Zijn reputatie als excentriekeling was zo al groot genoeg. Nu hij erover nadacht, droeg wat hij aan boord van die boot in de Palingbocht gezien had wel alle kenmerken van een moord. Misschien was hij op een buitengewone manier getuige geweest van een tragedie die al had plaatsgevonden, een soort fataal déjà vu, als je het zo kon stellen. Als die man in hechtenis zat, moest de moord al een tijdje geleden gepleegd zijn en in dat geval…Dominee St. John Froude speelde met een reeks veronderstellingen waarin Tijd met een hoofdletter T en smeekbeden om hulp uit het hiernamaals een grote rol speelden. Misschien was het zijn plicht om de politie op de hoogte te stellen. Hij vroeg zich net af wat hij moest doen toen hij opnieuw gesnik hoorde, maar nu veel duidelijker. Het kwam uit de aangrenzende kamer. Hij stond op, goot nog een whisky naar binnen en ging kijken. Midden in de kamer stond een dikke vrouw. Haar haar hing in slierten over haar schouders, haar gezicht zag er geteisterd uit en ze droeg iets wat op een doodskleed leek. Dominee St. John Froude staarde haar vol afgrijzen aan en zonk toen op zijn knieën neer.
“Laat ons bidden,” mompelde hij schor.
De gruwelijke verschijning plofte log neer en drukte het doodskleed tegen haar boezem. Samen knielden ze neer in gebed.
“Controleren? Hoe bedoel je, ‘controleren’?” zei inspecteur Flint, die er groot bezwaar tegen had om midden op de dag wakker gemaakt te worden als hij zesendertig uur niet geslapen had. “Je vertelt me een hoop kletspraat over een dominee die Sigmund Freud heet…”
“St. John Froude,” zei Yates.
“Kan me niet schelen. In elk geval een achterlijke naam. Als die vent zegt dat ze er niet is, dan is ze er niet. Wat moet ik dan nog doen?”
“Ik dacht dat we misschien een patrouillewagen konden sturen.”
“Waarom denk je…”
“We weten dat een vrouw die zegt dat ze mevrouw Wilt is vanuit dat huis heeft opgebeld. Al twee keer. We hebben een bandje van het tweede gesprek. Daarop geeft ze bijzonderheden over zichzelf en die klinken echt. Geboortedatum, adres, het beroep van haar man. Ze weet zelfs hoe de hond heet en dat ze gele gordijnen hebben in de zitkamer.”
“Daar kan iedere dwaas achter komen. Je hoeft alleen maar langs het huis te lopen.”
“En de hond dan? Hij heet Clem. Dat ben ik nagegaan en het klopt.”
“Zei ze toevallig wat ze de afgelopen week heeft uitgevoerd?”
“Ze was op een boot geweest,” zei Yates. “Toen hing ze op.”
Inspecteur Flint ging overeind zitten in bed. “Een boot? Wat voor boot?”
“Toen hing ze op. O, en nog iets. Ze zei dat ze schoenmaat veertig heeft. Dat klopt.”
“Godver,” zei Flint. “Oké, ik kom eraan.” Hij stond op en begon zich aan te kleden.
In zijn cel staarde Wilt naar het plafond. Na al die uren verhoor dreunde zijn hoofd nog na van de vragen. “Hoe heb je haar vermoord? Waar heb je haar gelaten? Wat heb je met het wapen gedaan?” Zinloze vragen die constant herhaald werden in de hoop dat ze hem klein zouden krijgen, maar dat was niet gelukt. Wilt had getriomfeerd. Voor het eerst in zijn leven wist hij dat hij onomstotelijk gelijk had en dat alle anderen ernaast zaten. Daarvoor had hij altijd getwijfeld. Stukadoors 2 kón gelijk hebben als ze zeiden dat er veel te veel allochtonen waren. Misschien werkte de doodstraf inderdaad afschrikwekkend. Wilt dacht van niet, maar hij kon er niet zeker van zijn. De tijd zou het leren. Maar in het geval van de staat tegen Wilt inzake de moord op zijn vrouw, kon er geen sprake zijn van schuld. Ze konden hem berechten, schuldig bevinden en vonnissen, maar dat zou geen verschil maken. Hij was onschuldig en als hij tot levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld, zou de enormiteit van het onrecht dat hem werd aangedaan zijn besef van zijn eigen onschuld juist versterken. Voor de allereerste keer in zijn leven wist Wilt dat hij vrij was. Het was alsof de erfzonde van het feit dat hij Henry Wilt was, woonachtig aan Parkview Avenue te Ipford, docent kunst en literatuur aan de technische school van Fenland, echtgenoot van Eva Wilt en vader van niemand, in één klap was weggenomen. De beperkingen die bezit, gewoontes, salaris en status met zich meebrachten, het in keurig gelabelde hokjes stoppen van zichzelf en anderen waaraan hij en Eva hadden meegedaan: alles was plotseling volslagen onbelangrijk. Opgesloten in zijn cel was Wilt vrij om te zijn en wat er ook mocht gebeuren, hij zou nooit meer bezwijken voor de verleiding om zichzelf weg te cijferen. Wie had er nog behoefte aan goedkeuring na de onverholen minachting en woede van inspecteur Flint, na de scheldwoorden en hoon die een week lang over hem waren uitgestort? Voortaan konden ze doodvallen met hun meningen. Wilt zou zijn eigen onafhankelijke koers volgen en gebruikmaken van zijn talent voor dwaalwegen. Als hij levenslang kreeg en een vooruitstrevende gevangenisdirecteur, zou hij de man binnen een maand gek maken door de innemende redelijkheid waarmee hij zou weigeren aan de regels te gehoorzamen. Eenzame opsluiting en een dieet van water en brood, als zulke straffen nog bestonden, zouden hem niet afschrikken. Als hij vrijkwam zou hij zijn nieuwe talenten aanwenden op school. Hij zou opgewekt zitting nemen in comités en een chaos van onenigheid laten ontstaan door steevast de argumenten te hanteren die het meest indruisten tegen de algemene opinie. Ook sukkels konden soms winnaars zijn en het leven was één grote willekeur, anarchie en chaos. Regels waren er om overtreden te worden en de man met de geest als een sprinkhaan was iedereen een stap vooruit. Nadat hij die nieuwe regel had geformuleerd keerde Wilt zich op zijn zij en trachtte te slapen, maar dat lukte niet. Hij probeerde de andere zij, met even weinig succes. Gedachten, vragen, irrelevante antwoorden en denkbeeldige dialogen kolkten door zijn hoofd. Hij probeerde schapen te tellen, maar moest daardoor aan Eva denken. Lieve Eva, stomme Eva, uitbundige Eva, onbedwingbaar enthousiaste Eva. Net als hij had ze het absolute gezocht, de eeuwige waarheid waardoor ze nooit meer zelf zou hoeven denken. Ze had het gezocht in pottenbakken, transcendente meditatie, judo, trampolines en – het meest vergezocht van allemaal – oosterse dans. Uiteindelijk had ze geprobeerd het te vinden in seksuele emancipatie, feminisme en het sacrament van het orgasme, waarin ze zich voor altijd kon verliezen. Nu hij eraan dacht, was haar dat nog gelukt ook en had ze die stomme Pringsheims met zich meegenomen. Ze zou het een en ander uit te leggen hebben als en wanneer ze ooit terugkwam. Wilt glimlachte bij de gedachte aan wat ze zou zeggen als ze merkte waar haar laatste dweperij met het oneindige toe geleid had. Hij zou ervoor zorgen dat ze er tot haar laatste levensdag spijt van zou hebben.
Op de vloer van de pastorie worstelde Eva met de groeiende overtuiging dat haar laatste levensdag al voorbij was. Iedereen met wie ze in contact kwam scheen te geloven dat ze dood was. De politieman die ze aan de telefoon had gehad had niet willen geloven dat ze leefde en in redelijk goede welstand verkeerde en had haar op een bijzonder botte manier gevraagd haar identiteit te bewijzen. Eva was erg ontdaan geweest door dat gesprek en het had haar vertrouwen in haar eigen bestaan ernstig ondermijnd. De reactie van dominee St. John Froude had haar ellende compleet gemaakt. De manier waarop hij de Almachtige smeekte om de ziel van de overledene, een zekere Eva Wilt, te verlossen uit haar huidige, vergankelijke vorm greep Eva sterk aan. Ze knielde op het tapijt en snikte terwijl de dominee haar over de rand van zijn bril aanstaarde, zijn ogen sloot, een trillende stem in gebed verhief, zijn ogen opende, huiverde en zich gedroeg op een manier die erop berekend was om somberheid en droefenis op te roepen bij het vermeende lijk. Toen hij in een laatste wanhopige poging om Eva haar gerechtigde plaats in de hemelse schare te doen innemen een gebed over ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’ afbrak en met bevende stem ‘Blijf bij mij, Heer’ aanhief liet Eva elke poging tot zelfbeheersing varen en jammerde roerend ‘Want d’avond is nabij’. Toen ze bij ‘k Heb u altijd van node, dag en nacht’ was aangeland, stond de mening van dominee St. John Froude daar lijnrecht tegenover. Hij wankelde het vertrek uit en zocht zijn toevlucht in zijn studeerkamer. Achter hem wilde Eva, die zich op haar nieuwe rol als overledene wierp met hetzelfde enthousiasme dat ze aan trampolinespringen, judo en pottenbakken had geschonken, weten waar de ‘prikkeling van de dood’ was, en ‘graf uw heerschappij’. “Alsof ik dat verdomme weet,” mompelde de dominee en hij greep de whiskyfles, maar ontdekte dat die leeg was. Hij ging zitten en stopte zijn vingers in zijn oren om het verschrikkelijke lawaai buiten te sluiten. Eigenlijk was ‘Blijf bij mij, Heer’ wel het laatste gezang dat hij had moeten kiezen. ‘Ver weg is het beloofde land’ was veel beter geweest. Dat leende zich niet voor verkeerde interpretaties.
Toen het gejammer uiteindelijk ophield genoot hij van de stilte. Hij wilde net kijken of er nog een fles in de provisiekast stond toen er geklopt werd en Eva binnenkwam.
“O, vader, ik heb gezondigd,” zei ze, terwijl ze haar best deed om tegelijkertijd te jammeren en met haar tanden te knarsen. Dominee St. John Froude greep de armleuningen van zijn stoel beet en probeerde te slikken. Dat was niet gemakkelijk, maar ten slotte overwon hij de vrees dat hij overvallen was door delirium tremens. “Sta op, mijn kind,” bracht hij er moeizaam uit terwijl Eva kronkelde op het tapijt. “Ik zal je de biecht afnemen.”