VIJFTIEN

Wat er vrijdag gebeurde werd niet alleen gezien door inspecteur Flint, brigadier Yates, twaalf andere politiemensen, Barney en een tiental bouwvakkers, maar ook door enige honderden studenten op het bordes van het hoofdgebouw, de meeste docenten en de acht leden van de, die een bijzonder goed uitzicht hadden vanuit de namaakhotellounge die de afdeling horeca gebruikte om hotelpersoneel op te leiden en hoge gasten te onthalen. Dr. Mayfield probeerde de aandacht af te leiden.

“De basisstudie is zo gestructureerd dat de belangstelling van de studenten maximaal geprikkeld wordt,” zei hij tegen professor Baxendale, voorzitter van de raad, maar die had geen aandacht voor hem. Zijn belangstelling werd al maximaal geprikkeld door wat er uit de fundering van het nieuwe administratiegebouw omhoog kwam.

“Gruwelijk,” mompelde hij terwijl Judy uit het gat getild werd. In tegenstelling tot wat Wilt hoopte en verwachtte, was ze niet uit elkaar geklapt. Daar had het vloeibare beton haar te goed voor ingekapseld. Als ze tijdens haar leven in veel opzichten op een echte vrouw had geleken, vertoonde ze dood alle kenmerken van een echt lijk. In de rol van vermoorde vrouw was ze volkomen overtuigend. Haar pruik kleefde door het beton in een afzichtelijke stand tegen haar hoofd, haar kleren plakten aan haar vast, haar benen waren verwrongen en verminkt en haar smekend uitgestrekte arm had iets bijzonder ontroerends, zoals Barney al voorspeld had. Die arm maakte het bovendien extra moeilijk om haar uit het gat te krijgen. Haar benen werkten ook niet mee en door al het beton leek ze qua omvang en gedaante sterk op Eva Wilt.

“Dat zou je rigor mortel kunnen noemen,” zei dr. Board, terwijl dr. Mayfield wanhopig probeerde het gesprek terug te loodsen naar de nieuwe studierichting.

“Goeie god,” mompelde professor Baxendale. De pogingen van Barney en zijn mannen waren mislukt en Judy was weer in het gat geploft. “Als je je bedenkt hoe ze geleden moet hebben. Heb je die hand gezien?”

Dat had dr. Mayfield. Hij huiverde. Achter hem grinnikte dr. Board. “Het bewijst dat iets goddelijks vorm verleent aan wat wij ruw ontwerpen,” citeerde hij opgewekt. “In ieder geval heeft Wilt zich de kosten van een grafsteen bespaard. Ze hoeven haar alleen maar overeind te zetten met Hier Staat Eva Wilt, Geboren Dan en Dan, Vermoord Afgelopen Zaterdag op haar borst gehouwen. Bij leven monumentaal, dood een monument.”

“Ik moet zeggen dat je een merkwaardig gevoel voor humor hebt,” zei dr. Mayfield.

“Het zal zé nooit lukken haar te cremeren, dat staat vast,” ging dr. Board verder. “En de begrafenisondernemer die dat geval in een kist krijgt, is een genie. Al zouden ze haar altijd nog met een moker kunnen bewerken.”

In de hoek viel dr. Cox flauw.

“Ik denk dat ik nog een whisky neem,” zei professor Baxendale zwakjes. Dr. Mayfield schonk een dubbele in. Toen hij weer uit het raam keek, stak Judy opnieuw uit het gat.

“Het nadeel van balsemen is dat het zo duur is,” zei dr. Board. “Nu wil ik niet zeggen dat dat ding daar een volmaakte gelijkenis vertoont met Eva Wilt…”

“Godallemachtig, hou er nou eens over op!” snauwde dr. Mayfield, maar dr. Board was niet te stuiten. “Nog afgezien van de benen, is er ook iets vreemds aan de borsten. Ik weet dat mevrouw Wilt een aanzienlijke bos hout voor de deur had, maar ze schijnt nu wel erg opgeblazen te zijn. Waarschijnlijk door gasvorming. Dat krijg je als een lijk gaat ontbinden.”

Tegen de tijd dat ze naar de eetzaal gingen, had niemand nog trek en was bijna iedereen dronken.

Inspecteur Flint was minder fortuinlijk. Hij was sowieso niet graag aanwezig bij lijkopgravingen en zeker niet als het lichaam in kwestie de neiging vertoonde om terug te keren naar de plaats waar het vandaan kwam. Bovendien twijfelde hij eraan of het wel een lijk was. Het zag eruit als een lijk en gedroeg zich als een lijk, zij het een heel zwaar lijk, maar vooral de knieën wezen erop dat niet alles anatomisch correct was. Afgaande op de gewrichtsloosheid en slapte van de benen had mevrouw Wilt niet alleen haar leven verloren, maar ook beide knieschijven. Die verminkingen maakten het werk van Barney extra moeilijk en onaangenaam. Nadat het lichaam voor de vierde keer gevallen was, daalde Barney zelf af in de put.

“Laat haar niet opnieuw vallen, stelletje hufters,” riep hij vanuit de diepte. “Dan zitten jullie met twee lijken, dus hou dat touw vast, wat er ook gebeurt. Ik zal het om haar nek binden.”

Inspecteur Flint tuurde in de schacht. “Dat doe je niet,” riep hij. “We willen niet dat ze onthoofd wordt. Ze moet heel blijven.”

“Ze is ook heel,” klonk Barneys gedempte antwoord. “Heel vreselijk.”

“Kun je dat touw niet ergens anders om binden?”

“Dat zou kunnen,” gaf Barney toe, “maar ik doe het niet. Haar been scheurt eerder af dan haar hoofd en ik wil er niet onder staan als dat gebeurt.”

“Goed,” zei de inspecteur. “Ik hoop dat je weet wat je doet.”

“Ik zal u één ding zeggen, inspecteur. De smeerlap die haar hierin gemikt heeft wist precies wat hij deed.”

Maar de vijfde poging mislukte, net als de voorafgaande vier. Ze lieten Judy weer in de put zakken, waar ze zwaar op Barneys voet bleef rusten.

“Haal die stomme kraan!” riep hij. “Ik hou dit niet lang meer vol.”

“Ik ook niet,” mompelde de inspecteur. Hij wist nog steeds niet wat hij aan het opgraven was: een pop die verkleed was als mevrouw Wilt of mevrouw Wilt die verkleed was als de onvoltooide sculptuur van een krankzinnige beeldhouwer. Eerst had hij nog gedacht dat Wilt heel misschien niet stapelgek was, maar nu niet meer. Iemand die bereid was zo verschrikkelijk veel moeite te doen om ervoor te zorgen dat óf een vrouw, óf een plastic pop met een vagina niet alleen onbereikbaar maar ook gruwelijk verminkt was, moest volslagen geschift zijn.

Brigadier Yates verwoordde zijn gedachten. “U wilt nu toch niet meer zeggen dat die smeerlap niet gek is, hè?” zei hij toen de kraan in positie werd gebracht en het touw om Judy’s nek werd bevestigd.

“Oké, hijsen maar,” riep Barney.

In de eetzaal liet alleen dr. Board zich de lunch goed smaken. De acht leden van de…niet. Ze konden hun blik niet losscheuren van wat zich buiten afspeelde.

“Je zou kunnen zeggen dat ze in statue pupillari was,” zei dr. Board, die nog een stuk citroentaart nam, “en in dat geval staan wij in loco parentis. Geen prettige gedachte. Niet dat ze een erg pientere studente was. Ik heb haar ooit in een avondklas Franse literatuur gehad. Ik weet niet wat ze uit Fleurs du Mal haalde, maar ik herinner me dat ik dacht dat Baudelaire…”

“Dr. Board,” zei dr. Mayfield dronken, “voor een zogenaamd beschaafd mens bent u volkomen gevoelloos.”

“Iets wat ik zo te zien gemeen heb met wijlen mevrouw Wilt,” zei dr. Board. Hij keek uit het raam. “En nu we het er toch over hebben, de zaak nadert zijn hoogtepunt. Zonder dollen.”

Zelfs dr. Cox, die net was bijgebracht en nu voorzichtig een stukje lamsvlees at, keek op. Terwijl de kraan Judy langzaam ophees, verdrongen de leden van de studiecommissie en de…zich voor de ramen. Wat ze zagen was geen stichtelijk schouwspel. Boven aan de schacht bleef Judy’s been steken in een spleet en begroef haar arm zich in de klei.

“Ho,” riep Barney gesmoord, maar het was te laat. De kraanmachinist, die van streek was door de aard van zijn vracht often onrechte geloofde dat hij juist harder moest trekken, schakelde nog een tandje bij. Er klonk een afschuwelijk krakend geluid en het volgende moment leek Judy’s betonnen hoofd, bekroond met Eva’s pruik, inspecteur Flints voorspelling dat ze onthoofd zou worden waar te gaan maken. Het bleek echter dat hij zich geen zorgen had hoeven maken. Judy was sterker dan verwacht. Haar hoofd bleef stijgen terwijl haar lichaam nog steeds klem zat, maar Judy’s nek was tegen de situatie opgewassen. Hij rekte uit.

“Goeie god,” zei professor Baxendale vol afgrijzen, “komt er dan nooit een eind aan?”

Dr. Board bestudeerde het fenomeen vol belangstelling. “Zo te zien niet,” zei hij. “Hoewel we onze studenten meestal niet zomaar laten verrekken, hè Mayfield?”

Maar dr. Mayfield gaf geen antwoord. Terwijl Judy de vorm aannam van een struisvogel die zijn kop verstrooid in een emmer cement had gestopt, wist hij dat hij naar zijn nieuwe studie kon fluiten.

“Ik moet mevrouw Wilt nageven dat ze een taaie is,” zei dr. Board. “Niemand kan zeggen dat ze een dikke nek heeft. Je begint te begrijpen wat Modigliani bedoelde.”

“Hou in godsnaam je mond,” schreeuwde dr. Cox hysterisch. “Ik kan er met mijn hoofd niet meer bij.”

“Daar lijkt mevrouw Wilt geen probleem mee te hebben,” zei dr. Board ongevoelig.

Hij werd onderbroken door een vreselijke knal toen Judy’s lichaam eindelijk de strijd met de schacht staakte. In een regen van klei schoot ze omhoog om een hechtere relatie met haar hoofd te hervatten. Naakt, roze en – nu de kleren en het beton verdwenen waren – opmerkelijk levensecht bungelde ze zes meter boven de grond aan het uiteinde van het touw.

“Ik moet zeggen,” zei dr. Board, die haar kruis genietend bestudeerde, “dat ik nooit veel op heb gehad met necrofilie, maar ik begin de aantrekkelijkheid er nu van in te zien. Het is natuurlijk alleen van historische waarde, maar in de Elizabethaanse tijd was het een voorrecht van de beul…”

“Board,” gilde dr. Mayfield, “ik heb van mijn leven al heel wat vuile smeerlappen gekend…”

Dr. Board schonk nog een kopje koffie in. “Een platte uitdrukking ervoor is van koud vlees houden, geloof ik.”

Onder de kraan veegde inspecteur Flint de modder van zijn gezicht en staarde naar het vreselijke voorwerp dat boven hem heen en weer zwaaide. Hij besefte nu dat het een pop was, en ook waarom Wilt dat rotding had begraven.

“Haal het in godsnaam naar beneden!” brulde hij terwijl de persfotografen om hem heen cirkelden. Maar de kraanmachinist was overstuur. Hij deed zijn ogen dicht en trok aan de verkeerde hendel. Judy begon weer te stijgen.

“Stop! Dat is godverdomme bewijs!” gilde de inspecteur, maar het was te laat. De kabel wond zich om de laatste katrol en Judy volgde. De betonnen dop verpulverde, haar hoofd gleed tussen de rollers en haar lichaam begon op te zwellen. Haar benen werden als eerste aangetast.

“Ik heb me vaak afgevraagd hoe olifantsziekte eruitziet,” zei dr. Board. “Ik weet dat Shelley er een fobie voor had.”

Die had dr. Cox zeker. Hij zat brabbelend in een hoekje. De conrector troostte hem en zei dat hij niet moest bezwijken onder de druk.

“Een toepasselijke uitdrukking,” merkte dr. Board op. Er klonk een gekreun van afschuw terwijl Judy, die nu duidelijk twaalf maanden zwanger was, haar metamorfose voortzette. “Vroeg-minoïsch, zou je ook niet zeggen, Mayfield?”

Maar dr. Mayfield kon niets meer uitbrengen. Hij staarde met grote ogen naar een snel opzwellende vagina van minstens vijfendertig centimeter lang en twintig centimeter breed. Er klonk een knal en het ding werd een penis, een enorme penis die zwol en zwol. Hij werd gek, dat wist hij zeker.

“Dat,” zei dr. Board, “noem ik een sterk staaltje. Ik heb wel eens gehoord van geslachtsoperaties, maar…”

“Een sterk staaltje?” gilde dr. Mayfield. “Een sterk staaltje? Kun jij doodkalm praten over…”

Er volgde een donderende klap. Judy was onder de spanning bezweken, net als dr. Mayfield. De penis zakte als eerste in elkaar en dr. Mayfield als tweede. Terwijl Judy leegliep, wierp hij zich op dr. Board maar viel toen brabbelend op de grond.

Dr. Board negeerde zijn collega. “Wie had gedacht dat de oude buil zoveel wind in zich had?” mompelde hij en dronk zijn koffie op. Dr. Mayfield werd naar buiten geëscorteerd door de conrector en dr. Board wendde zich tot professor Baxendale.

“Mijn excuses voor Mayfield,” zei hij. “Ikben bang dat die nieuwe studie te veel voor hem is geweest, en om u de waarheid te zeggen heb ik hem in de grond altijd al labiel gevonden. Een geval van dementia post Cox, waarschijnlijk.”

Inspecteur Flint reed kokend van woede terug naar het politiebureau.

“We zijn voor paal gezet,” snauwde hij tegen brigadier Yates. “Je hebt ze zien lachen. Je hebt die rotzakken gehoord.” Hij was vooral woedend op de fotografen, die hadden gevraagd of hij wilde poseren bij de slappe overblijfselen van de pop. “We zijn in het openbaar in de zeik gezet, maar iemand zal ervoor boeten!”

Hij sprong uit de auto en liep met grote passen naar de verhoorkamer. “Oké, Wilt,” schreeuwde hij, “je hebt je geintje gehad en het was een smerig kutgeintje. Nu gaan we de boel eens wat minder subtiel aanpakken en deze zaak haarfijn uitzoeken.”

Wilt bestudeerde het gescheurde plastic. “Zo is het beter,” zei hij. “Eerst zag het er zo onnatuurlijk uit, als u begrijpt wat ik bedoel.”

“Jij ziet er dadelijk ook onnatuurlijk uit als je geen antwoord geeft,” schreeuwde de inspecteur. “Waar is ze?”

“Waar is wie?” zei Wilt.

“Dat pokkenwijf van je! Waar heb je haar begraven?”

“Dat heb ik al gezegd. Ik heb haar nergens begraven.”

“En ik zeg van wel. Je vertelt me nu waar ze is of ik sla het uit je.”

“U kunt me in elkaar slaan, maar het zal niets helpen,” zei Wilt.

“Het zal in elk geval opluchten,” zei de inspecteur en hij trok zijn jasje uit.

“Ik wil een advocaat,” zei Wilt haastig.

Inspecteur Flint trok zijn jasje weer aan. “Hier heb ik op gewacht. Henry Wilt, ik beschuldig je van…”