TWEE
Het was een van Eva Wilts betere dagen. Ze had dagen, betere dagen en van die dagen. Dagen waren gewoon dagen als er niets verkeerd ging en ze afwaste, de woonkamer zoog, de ramen zeemde, het bed opmaakte, het bad boende, de wc schrobde, naar buurthuis de Harmonie ging om te helpen met kopiëren of het uitzoeken van oude kleren voor de liefdadigheidsbazaar en ze zich in het algemeer; nuttig maakte en ‘s middags naar huis ging om te eten en naar de bibliotheek ging en thee dronk bij Mavis of Susan of Jean en over het leven praatte en dat Henry bijna nooit meer met haar vrijde en dan nog ongeïnteresseerd deed ook en dat ze haar kans voorbij had laten gaan door niet met die bankemployé te trouwen die nu directeur was en ze thuiskwam en eten maakte voor Henry en naar yoga of bloemsierkunst of meditatie of pottenbakken ging en uiteindelijk in bed klom met het gevoel dat ze iets bereikt had. Op van die dagen ging alles fout. De activiteiten waren precies hetzelfde, maar alles wat ze deed werd overschaduwd door een of andere kleine ramp, zoals kortsluiting in de stofzuiger of de gootsteen die verstopt raakte door een stuk wortel. Tegen de tijd dat Henry thuiskwam werd hij begroet met een ijzige stilte of onderworpen aan een totaal onrechtvaardige verhandeling over zijn vele fouten en tekortkomingen. Op van die dagen liet Wilt langdurig de hond uit via de Ferry Path Inn en bracht hij een rusteloze nacht door met opstaan en naar de wc gaan, waardoor hij de reinigende eigenschappen van het bleekmiddel dat Eva in de pot had gespoten tenietdeed en ze een goed excuus had om hem ‘s-ochtends nog eens de mantel uit te vegen.
“Wat moet ik dan?” had hij op een keer gezegd. “Als ik doortrek mopper je omdat ik je wakker maak en als ik dat niet doe, zeg je dat het er ‘s-ochtends vies uitziet.”
“Dat is ook zo en je hoeft niet al het bleekmiddel van de zijkanten te spoelen. En zeg niet dat je dat niet doet. Ik heb je gezien. Je mikt expres zo dat alles wegloopt.”
“Als ik doortrok zou toch alles weggespoeld worden en zou je bovendien wakker worden,” zei Wilt, die wist dat hij inderdaad de gewoonte had om op het bleekmiddel te mikken. Hij had iets tegen dat spul.
“Waarom kan je niet gewoon tot ‘s-ochtends wachten? En het is trouwens je verdiende loon,” vervolgde ze, de grond voor zijn voeten wegmaaiend. “Dan moet je maar niet zoveel bier drinken. Je hoort Clem uit te laten en geen pils te hijsen in die afschuwelijke kroeg.”
“Piesen of niet piesen, dat is de vraag,” zei Wilt, die een bord zemelen met yoghurt opschepte. “Wat moet ik dan doen? Een knoop in mijn geval leggen?”
“Voor mij zou het geen verschil maken,” zei Eva bitter.
“Voor mij wel, dank je hartelijk.”
“Ik had het over ons seksleven. Dat weet je best.”
“O, dat,”zei Wilt.
Maar dat was op van die dagen.
Op haar betere dagen gebeurde er iets onverwachts, dat een nieuwe betekenis aan de dagelijkse sleur gaf en de verwachting wekte dat alles zich plotseling ten goede zou keren. Op zulke verwachtingen was haar vertrouwen in het leven gebaseerd. Ze waren het geestelijke equivalent van de bezigheidjes waardoor zij het druk had en ze Henry onder de duim hield. Op haar betere dagen scheen de zon helderder, glansde de vloer in de hal nog feller en was Eva zelf ook in een beter humeur. Vaak neuriede ze ‘Ooit zal mijn prins komen’ terwijl ze de trap zoog. Op haar betere dagen trad Eva de wereld met een ontwapenende goedhartigheid tegemoet en creëerde ze daardoor bij anderen precies dezelfde verwachtingen die haar zelf zo aangrepen. En op haar betere dagen moest Henry voor zijn eigen eten zorgen en bleef hij, als hij verstandig was, zo lang mogelijk weg. Op die momenten verlangde Eva heel wat meer dan alleen Henry Wilt na een lange dag op school, en steeds als ze weer zo’n betere dag had gehad, voelde Wilt het sterkst de aandrang om haar te vermoorden en zich geen moer aan te trekken van de gevolgen.
Toen ze deze keer op weg was naar het buurthuis, liep ze Sally Pringsheim tegen het lijf. Het was een volslagen toevallige ontmoeting die plaatsvond omdat Eva te voet ging in plaats van op de fiets en de route via Rossiter Grove nam in plaats van gewoon Parkview Avenue uit te lopen, wat bijna een kilometer korter was. Sally kwam net het hek uit in een Mercedes met een P op het nummerbord, wat betekende dat hij splinternieuw was. Dat ging niet aan Eva voorbij en ze glimlachte breed.
“Goh, dat is onverwacht,” zei ze opgewekt toen Sally stopte en het portier opendeed.
“Wil je een lift? Ik ga de stad in om te kijken of ik iets ongedwongens kan vinden voor vanavond. Gaskell krijgt een of andere Zweedse professor uit Heidelberg op bezoek en we gaan met hem naar Ma Tante.”
Eva Wilt klom blij in de auto terwijl ze berekende hoeveel de wagen en het huis hadden gekost, wat het betekendedat je iets ongedwongens droeg bij Ma Tante (waar zelfs een eenvoudig voorgerecht als een garnalencocktail een kapitaal kostte) en dat dr. Pringsheim Zweedse professoren op bezoek kreeg.
“Ik was van plan te lopen,” loog ze. “Henry heeft de auto en het is zo’n prachtige dag.”
“Gaskell heeft een fiets gekocht. Hij zegt dat dat sneller is en dat hij fitter blijft,” zei Sally, die Wilt daardoor tot nog meer misère veroordeelde. Eva nam zich direct voor om bij de eerste de beste politieveiling een fiets te kopen en ervoor te zorgen dat Henry daarmee naar zijn werk reed, of het nu regende of sneeuwde. “Ik wilde even bij Felicity Fashions kijken, voor een poncho van shantoeng. Ik ben er nog nooit geweest, maar ik heb gehoord dat ze goed zijn. Volgens de vrouw van professor Grant hebben ze de beste collectie.”
“Dat zal vast wel,” zei Eva. Haar klandizie bij Felicity Fashions beperkte zich tot naar de etalage staren terwijl ze zich afvroeg wie zich in vredesnaam zulke dure jurken kon veroorloven. Nu wist ze het. Ze reden naar de stad en tegen de tijd dat de auto in de parkeergarage stond, had Eva heel wat meer informatie over de Pringsheims in haar geheugen opgeslagen. Ze kwamen uit Californië en Sally had Gaskell ontmoet toen ze door Arizona liftte. Ze had aan Kansas State University gestudeerd, maar was daarmee opgehouden om in een commune te gaan wonen. Er waren andere mannen geweest in haar leven. Gaskell verafschuwde katten. Hij was allergisch. Emancipatie betekende meer dan het verbranden van je bh. Het betekende totale toewijding aan het idee dat de vrouw superieur was aan de man. Liefde was geweldig als je er je hoofd niet door op hol liet brengen. Compost was in en tv was uit. Gaskells vader was eigenaar geweest van een winkelketen en dat kón gewoon niet. Geld was handig en Rossiter Grove was doodsaai. En bovenal moest, moest neuken leuk zijn, hoe je het ook bekeek.
Vooral die laatste informatie kwam als een schok voor Eva. In haar kringen was ‘neuken’ een woord dat alleen gebruikt werd door mannen die elkaar een schuine mop vertelden. Als Eva het wel eens uitsprak, in de eenzaamheid van haar badkamer, was dat zo smachtend dat het zijn grofheid verloor en juist een schitterende viriliteit kreeg. Een keertje lekker neuken leek dan haar meest onhaalbare en abstracte verlangen en stond mijlenver af van Henry’s gefriemel op de vroege ochtend. Zoals Sally het woord ‘neuken’ gebruikte, stond het zelfs nog verder van Eva’s belevingswereld. Het suggereerde een bijna ononderbroken activiteit, een vertrouwde gebeurtenis die niets bijzonders was maar tegelijkertijd ook uitermate bevredigend en die een nieuwe dimensie toevoegde aan het leven. Eva strompelde de auto uit en volgde Sally in shocktoestand naar Felicity Fashions.
Als neuken leuk was, was winkelen met Sally Pringsheim een openbaring, een ervaring die gekenmerkt werd door een adembenemende doortastendheid. Waar Eva geaarzeld en getwijfeld zou hebben, koos Sally dingen uit en liep na haar keuze gemaakt te hebben verder langs de rekken. Dingen die ze niet mooi vond gooide ze opzij en liet ze over stoelen hangen: andere bekeek en betastte ze even en zei dan met aanstekelijke, lichtelijk geblaseerde goedkeuring dat ze ermee door konden. Ze verliet de winkel met een stapel dozen die voor een fortuin aan poncho’s van shantoeng, zijden zomerjassen, sjaaltjes en blouses bevatten. Eva had voor haar doen een kapitaal besteed aan een gele strandpyjama en een regenjas met revers en een ceintuur die volgens Sally puur jaren twintig was.
“Nu alleen nog een hoed en dan ben je het helemaal,” zei ze terwijl ze de dozen in de auto zetten. Ze kochten de hoed, een slappe deukhoed, en dronken koffie in het Mombasa Koffiehuis, waar Sally zich over tafel boog, een lange, dunne sigaar rookte en zo luid over lichamelijk contact praatte dat Eva onbehaaglijk besefte dat de vrouwen aan diverse andere tafeltjes waren opgehouden met praten en afkeurend luisterden.
“Gaskells tepels maken me wild,” zei Sally. “Ze maken hem ook wild, als ik eraan zuig.”
Eva dronk haar koffie en vroeg zich af wat Henry zou doen als ze het in haar hoofd haalde om aan zijn tepels te zuigen. Wild maken was nog zacht uitgedrukt en bovendien begon ze er spijt van te krijgen dat ze zoveel geld had uitgegeven. Dat zou hem ook wild maken. Henry was geen voorstander van creditcards. Maar ze genoot te veel om haar dag te laten bederven door de gedachte aan zijn reactie.
“Ik vind tepels zó belangrijk,” vervolgde Sally. Twee vrouwen aan het tafeltje naast hen betaalden hun rekening en liepen de zaak uit.
“Ja, misschien,” zei Eva slecht op haar gemak. “Ik heb aan de mijne nooit veel gehad.”
“Echt niet?” zei Sally. “Daar moeten we iets aan doen.”
“Ik zie niet in hoe dat zou kunnen,” zei Eva. “Henry houdt altijd zijn pyjama aan en meestal zit mijn nachtpon in de weg.”
“Vertel me nou niet dat je kleren draagt in bed. O, arm kind. Een nachtpon! God, wat vernederend. Ik bedoel, al dat kledingonderscheid is typisch voor een door mannen gedomineerde maatschappij. Je lijdt vast aan aanrakings-armoede. Volgens Gaskell is dat net zo erg als vitaminegebrek.”
“Nou, Henry is vaak moe als hij thuiskomt,” zei Eva. “En ik ga veel weg.”
“Dat verbaast me niets,” zei Sally. “Volgens Gaskell wijst mannelijke vermoeidheid op angst voor een te kleine penis. Is die van Henry groot of klein?”
“Hangt ervan af,” zei Eva schor. “Soms groter, soms kleiner.”
“Ik heb liever mannen met een kleintje,” zei Sally. “Die doen veel meer hun best.”
Ze dronken hun koffie op en liepen naar de auto, druk pratend over Gaskells penis en zijn theorie dat in een seksueel ongedifferentieerde maatschappij tepelstimulatie bij de man een steeds belangrijkere rol zou moeten spelen bij de ontwikkeling van zijn hermafroditische bewustzijn.
“Hij heeft er een artikel over geschreven,” zei Sally terwijl ze naar huis reden. “Het heet ‘De Man als Moeder’ en heeft vorig jaar in De Sabbelaar gestaan.”
“Sabbelaar?” zei Eva.
“Ja, een blad van de Vereniging voor Ongedifferentieerde Seksuele Studies in Kansas. G heeft daar een hoop werk verzet op het gebied van diergedrag en zijn these over rollenspel bij ratten ontwikkeld.”
“Wat interessant,” zei Eva onzeker. Rollenspel of rol en spel? Wat het ook was, het was indrukwekkend en de stukjes die Henry af en toe schreef over leerplichtige werkende jongeren en letterkunde in het Kwartaalblad voor Kunst en Literatuur konden duidelijk niet tippen aan dr. Pringsheims monografieën.
“Ach, ik weet niet. Eigenlijk ligt het voor de hand. Als je twee mannetjesratten lang genoeg samen in een kooi zet, is het onvermijdelijk dat de een actieve neigingen ontwikkelt en de ander passieve,” zei Sally vermoeid. “Maar Gaskell was witheet. Hij vond dat ze het af moesten wisselen. Dat is echt G ten voeten uit. Ik heb hem verteld hoe idioot hij deed. Ik zei: “G, liefje, ratten zijn sowieso vrijwel ongedifferentieerd. Hoe kan je van ze verwachten dat ze existentiële keuzes maken?” En weet je wat hij zei? Hij zei: “Schaamboutje, ratten zijn mijn grote voorbeeld. Als je dat onthoudt, kun je er niet ver naast zitten. Ratten zijn mijn grote voorbeeld.” Wat vind je daarvan?”
“Ik vind ratten eng,” zei Eva zonder erbij na te denken. Sally lachte en legde haar hand op Eva’s knie.
“O, Eva, liefje,” murmelde ze, “je bent zo aanbiddelijk nuchter. Nee, ik breng je niet terug naar Parkview Avenue. Je gaat met mij mee naar huis om wat te eten en te drinken. Ik wil je dolgraag eens in die gele pyjama zien.”
Ze reden naar Rossiter Grove.
Als ratten het grote voorbeeld waren voor dr. Pringsheim, was Drukkers 3 dat voor Henry Wilt, zij het niet bepaald een lichtend voorbeeld. Ze vertegenwoordigden alles wat onhandelbaar, ongevoelig en domweg agressief was aan leerplichtige werkende jongeren. Als klap op de vuurpijl dachten die klootzakken dat ze geletterd waren omdat ze warempel konden lezen en dat Voltaire een idioot was omdat hij alles mis liet lopen voor Candide. De Drukkers kwamen na Kinderverpleegsters en tijdens zijn invaluur en maakten hem bijna dol, maar nog niet zo dol als Cecil Williams, hun eigenlijke docent.
“Dit is al de tweede week dat hij ziek thuis is,” zeiden ze tegen Wilt.
“Verbaast me niets,” zei Wilt. “Van jullie zou iedereen ziek worden.”
“Ooit heeft een van onze docenten zich vergast. Pinkerton, heette hij. We hadden hem een kwartaal en moesten Jude the Obscure lezen. Wat een deprimerend gezeik. Het ging over een of andere zak die Jude heette.”
“Dat vermoedde ik al,” zei Wilt.
“t Volgende kwartaal kwam Pinky niet terug. Hij reed naar de rivier, maakte een rubberslang vast aan zijn uitlaat en vergaste zichzelf.”
“Lijkt me de enige uitweg,” zei Wilt.
“Dat is helemaal mooi! Terwijl hij ons het goede voorbeeld zou moeten geven.”
Wilt keek de klas grimmig aan.
“Ik weet zeker dat hij jullie het goede voorbeeld gaf door zich te vergassen,” zei hij. “En als jullie nu door zouden willen gaan met stilletjes lezen, eten en roken zodat niemand jullie kan zien vanuit het administratiegebouw, ga ik verder met mijn werk.”
“Werk? Je weet niet wat werk is. Het enige wat je doet is de hele dag lezen achter een bureau. Noem je dat werk? Ik mooi niet, en ze betalen je er nog voor ook…”
“Hou je kop,” zei Wilt verrassend fel. “Hou je stomme rotkop.”
“Wie gaat daarvoor zorgen?” zei de drukker.
Wilt probeerde zich te beheersen, maar voor één keer bleek dat onmogelijk. Er was iets ongelooflijk arrogants aan Drukkers 3.
“Ik!” schreeuwde hij.
“En wie breng je daarvoor mee? Je kan nog geen deuk in een pakje boter slaan.”
Wilt stond op. “Smerige kleine klootzak,” schreeuwde hij. “Gore, snotterige…”
“Ik moet zeggen dat ik meer zelfbeheersing van je verwacht had, Henry,” zei het hoofd kunst en literatuur een uur later, toen Wilts neus niet meer bloedde en de schoolverpleegster een pleister op zijn wenkbrauw had geplakt.
“Nou, het was mijn klas niet en ze joegen me op stang door zich te verkneuteren om Pinkertons zelfmoord. Als Williams niet ziek thuis was geweest, zou het niet gebeurd zijn,” legde Wilt uit. “Hij is altijd ziek als hij Drukkers 3 les moet geven.”
Meneer Morris schudde ontmoedigd zijn hoofd. “Het kan me niet schelen wie het waren. Je kunt niet zomaar studenten aanvallen…”
“Studenten aanvallen? Ik heb hem niet eens aangeraakt.”
“Nee, maar wel aanstootgevende taal gebruikt. Bob Fenwick, in het lokaal ernaast, hoorde dat je die jongen een smerige klootzak en een boosaardige randdebiel noemde. Dan is het toch niet vreemd dat hij je een mep gaf?”
“Misschien niet,” zei Wilt. “Ik had niet kwaad moeten worden. Het spijt me.”
“In dat geval vergeten we het,” zei meneer Morris. “Maar denk eraan: als je een vaste aanstelling wilt, moet je je reputatie niet bederven door met studenten op de vuist te gaan.”
“Ik ben niet met hem op de vuist gegaan,” zei Wilt. “Alleen zijn vuist heeft een rol gespeeld.”
“Nou, laten we hopen dat hij je niet aangeeft wegens mishandeling. Dat soort publiciteit kunnen we niet gebruiken.”
“Zorg jij er nou maar voor dat ik geen les meer hoef te geven aan Drukkers 3,” zei Wilt. “Ik heb mijn buik vol van die woestelingen.”
Hij liep de gang uit en haalde zijn jas en aktetas op uit de docentenkamer. Zijn neus voelde twee keer zo groot aan en zijn wenkbrauw deed pijn. Op weg naar het parkeerterrein passeerde hij diverse collega’s, maar niemand bleef staan om te vragen wat er gebeurd was. Henry Wilt verliet onopgemerkt de school en stapte in zijn auto. Hij deed het portier dicht en keek verscheidene minuten naar de heimachines die aan het nieuwe gebouw werkten. Op en neer, op en neer. Nagels in een doodskist. En op een dag, een onvermijdelijke dag, zou hij in zijn eigen doodskist liggen, nog steeds onopgemerkt, nog steeds assistent-docent, zonder vaste aanstelling en door iedereen vergeten, behalve een of andere kinkel in Drukkers 3 die zich altijd de dag zou herinneren dat hij een docent kunst en literatuur ongestraft een klap op zijn neus had gegeven. Hij zou er waarschijnlijk over opscheppen tegen zijn kleinkinderen.
Wilt startte en reed naar de hoofdweg, walgend van Drukkers 3, de school, het leven in het algemeen en zichzelf in het bijzonder. Hij begreep nu waarom terroristen bereid waren hun leven te geven voor een of andere zaak. Als hij een bom en een zaak had gehad, zou hij zichzelf en alle onschuldige omstanders vrolijk hebben opgeblazen, gewoon om voor één glorieus, zij het kort moment te bewijzen dat hij effectief kon zijn. Maar hij had bom noch zaak. In plaats daarvan reed hij roekeloos naar Parkview Avenue, parkeerde voor nummer 34, maakte de voordeur open en ging naar binnen.
Er hing een vreemde geur ia de hal. Een soort parfum, muskusachtig en zoet. Hij zette zijn tas neer en keek om de hoek van de woonkamer. Eva was blijkbaar niet thuis. Hij ging naar de keuken, zette de ketel op en voelde aan zijn neus. Hij zou hem eens goed bekijken in de spiegel in de badkamer. Halverwege de trap werd de geur van parfum echt penetrant. Wilt bleef stokstijf staan toen Eva in de deuropening van de slaapkamer verscheen, gekleed in een verbijsterend gele pyjama met een broek met enorm wijde pijpen. Ze zag er afzichtelijk uit en als klap op de vuurpijl was haar mond knalrood en rookte ze een lange, dunne sigaret in een lang, dun pijpje.
“Penispopje,” mompelde ze schor en ze wankelde. “Kom hier. Ik ga aan je tepels zuigen tot je oraalsgewijs klaarkomt.”
Wilt draaide zich om en vluchtte de trap af. Die trut was dronken. Dit was een van haar betere dagen. Zonder het gas onder de ketel uit te draaien liep Wilt naar zijn auto en stapte weer in. Hij was niet van plan om haar aan zijn tepels te laten zuigen. Hij had deze dag al genoeg ellende meegemaakt.