ACHTTIEN
“Lieve god,” zei brigadier Yates, “gisteren stond er varkenspastei op het menu. Afgrijselijk.”
Inspecteur Flint spoelde zijn mond met zwarte koffie en spuwde in de wasbak. Hij had twee keer overgegeven en had zin om het weer te doen.
“Ik wist dat het zoiets moest zijn,” zei hij huiverend. “Ik wist het. Iemand die dat geintje met die pop kon uithalen, moest echt iets smerigs bedacht hebben.”
“Misschien zijn ze inmiddels al opgegeten,” zei de brigadier. Flint keek hem venijnig aan.
“Waarom denk je verdomme dat hij voor dat valse spoor heeft gezorgd?” vroeg hij. “Zodat ze rustig geconsumeerd konden worden. Dat is zijn uitdrukking, ‘geconsumeerd’. Weet je hoeveel tijd er gemiddeld tussen de fabricage en consumptie van een varkenspasteitje ligt?”
Yates schudde zijn hoofd.
“Vijf dagen. Ze zijn dinsdag de deur uit gegaan, dus hebben we nog één dag om ze te vinden, of wat ervan over is. Ik wil dat alle varkenspasteitjes in East Anglia worden verzameld. Ik wil dat elk Worstje en elke vleespastei die deze week Sweetbreads Vleesfabriek heeft verlaten wordt opgespoord. Net als ieder blik hondenvoer.”
“Hondenvoer?”
“Je hebt me gehoord,” zei inspecteur Flint, die het toilet uit wankelde. “En neem ook gelijk het kattenvoer mee, als je toch bezig bent. Je weet het nooit met Wilt. Net wat één belangrijk detail betreft zou hij ons een loer kunnen draaien.”
“Maar wat moeten we met hondenvoer als ze tot varkenspasteitjes zijn verwerkt?”
“Waar denk je dat hij de stukjes en brokjes heeft gelaten? En dan bedoel ik ook brokjes,” zei inspecteur Flint woest. “Zou hij het risico nemen dat er mensen kwamen klagen vanwege een tand of teennagel in het pasteitje dat ze ‘s-ochtends hadden gekocht? Die smeerlap van een Wilt denkt overal aan. Hij verdrinkt ze in hun eigen bad, stopt ze in plastic vuilniszakken en zet die zakken in de garage terwijl hij naar huis gaat en die kutpop in dat gat gooit, ‘s-Zondags gaat hij terug, haalt ze op en brengt de hele dag in z’n eentje door in de vleesfabriek…Als je wilt weten wat hij ‘s-zondags gedaan heeft, kun je dat nalezen in zijn verklaring. Ik ga ervan over mijn nek.”
De inspecteur ging haastig weer naar het toilet. Sinds maandag had hij uitsluitend varkenspasteitjes gegeten. De kans dat hij een deel van mevrouw Wilt had verorberd lag bijzonder hoog.
Toen Sweetbreads Vleesfabriek om acht uur openging, stond inspecteur Flint al aan de poort. Hij stormde naar binnen en eiste dat hij de directeur te spreken kreeg.
“Hij is er nog niet,” zei de secretaresse. “Kan ik iets voor u doen?”
“Ik wil een lijst van alle zaken waaraan jullie varkenspasteitjes, vleespasteitjes, worstjes en hondenvoer leveren,” zei de inspecteur.
“Die informatie kan ik u niet geven,” zei de secretaresse. “Die is vertrouwelijk.”
“Vertrouwelijk? Hoe bedoel je, vertrouwelijk?”
“Dat weet ik eigenlijk niet. Ik kan gewoon niet de verantwoording nemen om u informatie te verschaffen…” Ze zweeg. Inspecteur Flint keek haar met een gruwelijke uitdrukking aan.
“Nou, meisje,” zei hij uiteindelijk, “nu we het toch over informatie verschaffen hebben, vind je het misschien interessant om te weten dat de inhoud van jullie varkenspasteitjes ons ook informatie kan verschaffen. Hoogst belangrijke informatie.”
“Hoogst belangrijke informatie? Ik begrijp niet wat u bedoelt. Onze pasteitjes bevatten alleen de gezondste ingrediënten.”
“Gezond?” schreeuwde de inspecteur. “Noem je drie lijken gezond? Noem je de gekookte, gebleekte, gemalen en gestoofde resten van drie vermoorde mensen gezond?”
“Maar we gebruiken alleen…” begon de secretaresse, maar toen viel ze flauw en gleed van haar stoel.
“Godallemachtig,” schreeuwde de inspecteur, “je zou toch denken dat een stomme trut die in een abattoir werkt niet zo overgevoelig zou zijn. Zoek uit wie de directeur is en waar hij woont en zeg dat hij als de bliksem hierheen komt.”
Hij ging zitten terwijl brigadier Yates in het bureau rommelde.
“Wakker worden,” zei Flint en hij stootte de secretaresse aan met zijn voet. “Als er iemand het recht heeft om te slapen in de baas z’n tijd ben ik het. Ik ben al drie dagen en nachten in de weer en ik ben medeplichtig aan moord.”
“Medeplichtig?” zei Yates. “Hoe komt u daarbij.”
“Hoe zou jij iemand noemen die helpt bij het wegwerken van delen van de slachtoffers? Die bewijs voor een misdaad verdoezelt?”
“Zo heb ik er nooit over gedacht,” zei Yates.
“Ik wel,” zei de inspecteur. “Ik kan nergens anders aan denken.”
In zijn cel staarde Wilt vredig naar het plafond, verbaasd dat het zo gemakkelijk was geweest. Je hoefde mensen alleen te vertellen wat ze wilden horen en dan geloofden ze je, hoe onwaarschijnlijk je verhaal ook was. Drie dagen en nachten zonder slaap hadden inspecteur Flint bovendien een stuk minder sceptisch gemaakt, Wilt had zijn aarzelingen perfect getimed en zijn uiteindelijke bekentenis was een mooie mengeling geweest van verwaandheid en nuchterheid. Wat de details van de moord betrof was hij kil en nauwkeurig geweest en toen hij beschreef hoe hij zich van de lijken ontdaan had, was hij een vakman geweest die trots was op zijn werk. Van tijd tot tijd, als hij bij een lastig stukje kwam, had hij zijn toevlucht genomen tot een manische arrogantie die zowel opschepperig als laf was. “Jullie kunnen het nooit bewijzen. Ze zijn nu spoorloos verdwenen,” had hij gezegd. Ook het bleekmiddel was weer van pas gekomen en had een macaber stukje realisme toegevoegd aan bewijs dat door duizenden rioolbuizen werd gespoeld terwijl het bleekmiddel erachteraan kolkte als zout uit een zout vat. Eva zou het kunnen waarderen als hij het vertelde en dat kon hij van inspecteur Flint niet zeggen. Hij had niet eens de ironie ingezien van Wilts opmerking dat hij een hele kluif had gehad aan zijn zoektocht naar de Pringsheims terwijl de waarheid in feite voor het opscheppen lag. Ook Wilts grapje dat de feiten niet altijd gemakkelijk te verteren waren en mensen soms in het verkeerde keelgat schoten, was niet goed gevallen. Ondanks zijn vermoeidheid had Wilt genoten toen de blik in de bloeddoorlopen ogen van de inspecteur van leedvermaak en zelfvoldaanheid veranderde in verbijstering en onverholen misselijkheid. En toen Wilt ten slotte had gepocht dat ze hem zonder bewijs nooit voor de rechter zouden kunnen brengen, had Flint subliem gereageerd.
“O, jawel,” had hij schor geroepen. “Als er ook maar één pasteitje over is van die partij dan zullen we hem vinden en als we hem vinden zullen de jongens van het lab…”
“Alleen maar varkensvlees aantreffen,” zei Wilt voor hij naar zijn cel werd gesleurd. Dat was de waarheid en als Flint die niet geloofde was dat zijn eigen schuld. Hij had om een bekentenis gevraagd en had er een gekregen dankzij Vlees 1, de leerlingslagers die tijdens kunst en literatuur uitgebreid verteld hadden hoe Sweetbreads werkte en hem op een middag zelfs meegenomen hadden om het te laten zien. Beste jongens, en wat had hij ze destijds verafschuwd. Dat toonde maar weer aan hoe je je in mensen kon vergissen. Wilt vroeg zich net af of hij zich ook vergist had wat Eva betrof en of ze misschien dood was toen hij in slaap viel.
Op het kerkhof keek Eva hoe dominee St. John Froude naar het botenhuis liep en naar de rietkraag roeide. Zo gauw hij verdwenen was liep ze naar het huis. Nu de dominee er niet was, wilde ze wel het risico nemen om zijn vrouw tegen het lijf te lopen. Ze sloop naar de binnenplaats en keek om zich heen. Alles was even verwaarloosd en een berg lege whisky- en gin flessen wees erop dat de dominee mogelijk niet getrouwd was. Met de klimop nog steeds tegen zich aangedrukt liep ze naar de keukendeur en klopte. Er werd niet opengedaan. Ze keek door het raam naar binnen. De keuken was groot en rommelig en droeg alle tekenen van een vrijgezellenbestaan. Eva liep weer naar de deur en klopte opnieuw. Ze vroeg zich net af wat ze moest doen toen er een voertuig aankwam over de oprit.
Eva aarzelde even en morrelde toen aan de deur. Hij zat niet op slot. Ze ging naar binnen en deed de deur dicht terwijl een melkwagen de binnenplaats opreed. De melkboer zette verscheidene flessen neer en vertrok weer. Eva draaide zich om en liep de gang uit naar de hal. Als daar een telefoon was, kon ze Henry bellen en kon hij haar komen ophalen. Ze zou teruggaan naar de kerk en daar op hem wachten. Maar de hal was leeg. Ze keek voorzichtig in diverse kamers, die voor het merendeel ongemeubileerd waren of waar stoflakens over stoelen en banken lagen. Het was overal een ongelooflijke rommel en de dominee was beslist vrijgezel. Uiteindelijk ontdekte ze zijn studeerkamer. Er stond een telefoon op het bureau. Eva nam de hoorn van de haak en draaide Ipford 66066, maar kreeg geen gehoor. Henry was natuurlijk op school. Ze draaide het nummer van de school en vroeg naar Wilt.
“Wilt?” zei het meisje van de administratie. “Meneer Wilt?”
“Ja,” zei Eva zacht.
“Ik ben bang dat hij er niet is,” zei het meisje.
“Is hij er niet? Maar hij moet er zijn.”
“Nou, hij is er niet.”
“Maar hij moet er zijn. Ik moet hem spreken! Het is van levensbelang!”
“Sorry, maar ik kan u niet helpen,” zei het meisje.
“Maar…” begon Eva en keek uit het raam. De dominee was terug en kwam aanlopen over het tuinpad. “O, god,” mompelde ze en legde haastig de hoorn op de haak. Ze draaide zich om en rende in paniek de kamer uit. Pas toen ze was teruggehold naar de keuken, besefte ze dat ze haar klimop in de studeerkamer had laten liggen. Er klonken voetstappen in de gang. Eva keek geagiteerd om zich heen en besloot niet naar de binnenplaats te gaan. Ze liep een stenen trap op naar de eerste verdieping en bleef daar staan luisteren. Haar hart bonkte. Ze bevond zich in een vreemd huis met een vrijgezelle geestelijke, ze was naakt, Henry was niet op school en het meisje van de administratie had heel vreemd geklonken, alsof het crimineel was dat ze Henry wilde spreken. Ze wist totaal niet wat ze moest doen.
In de keuken wist dominee St. John Froude maar al te goed wat hij wilde doen: het helse visioen uitwissen dat hij aanschouwd had toen die walgelijke dingen met hun zinloze boodschappen hem naar de overzijde van de rivier hadden gelokt. Hij pakte een nieuwe fles whisky uit de kast en nam hem mee naar zijn studeerkamer. Wat hij gezien had was zo grotesk geweest, zo door en door verdorven, zo’n regelrechte vooruitblik in de hel, dat hij nog niet kon besluiten of het echt was geweest of een gruwelijke dagdroom. Een man zonder gezicht wiens handen op zijn rug gebonden waren, een vrouw met een geverfd gezicht en een mes, hun taalgebruik…Dominee St. John Froude maakte de fles open en wilde net een fors glas inschenken toen hij de klimop zag die Eva op de stoel had laten liggen. Hij zette de fles haastig neer en staarde naar de bladeren. Alweer een mysterie. Hoe kwam die klimop in zijn studeerkamer? Hij had er beslist niet gelegen toen hij wegging. Hij raapte de stengels voorzichtig op, legde ze op zijn bureau, ging zitten en keek ernaar. Hij begon zich steeds ongeruster te voelen. Er gebeurden dingen die hij niet begreep. En hoe zat het met de naakte gedaante die hij tussen de grafstenen had zien zigzaggen? Die was hij helemaal vergeten. Dominee St. John Froude stond op en liep via het terras naar de kerk.
“Op zondag?” zei de directeur van Sweetbreads. “Op zondag? Maar op zondag wordt er niet gewerkt. Dan is er niemand. Alles is op slot.”
“Afgelopen zondag was niet alles op slot en is er hier iemand geweest, meneer Bacon,” zei de inspecteur.
“Badon, graag,” zei de directeur. “Badon met een d.”
De inspecteur knikte. “Goed dan, meneer Badon. Wilt is hier zondag geweest en hij…”
“Hoe is hij binnengekomen?”
“Over de achtermuur, via een ladder op de parkeerplaats.”
“Overdag? Dan zou hij gezien zijn.”
“Om twee uur ‘s-ochtends, meneer Bacon.”
“Badon, inspecteur, Badon.”
“Hoor eens, meneer Badon, als u met zo’n naam in een dergelijk bedrijf werkt, dan vraagt u erom.”
Meneer Badon keek hem strijdlustig aan. “En als u wilt zeggen dat een of andere maniak hier afgelopen zondag is binnengedrongen met drie lijken en onze machines heeft gebruikt om ze om te zetten in gekookt vlees dat geschikt is voor menselijke consumptie, volgens de richtlijnen van de warenwet, dan moet u uw hoofd eens…Hoofd? Wat heeft hij met de hoofden gedaan? Vertel me dat eens.”
“Wat doet u met de hoofden, meneer Badon?” vroeg de inspecteur.
“Hangt ervan af. Sommige gaan samen met het vleesafval in de bakken voor diervoedsel…”
“Juist. Wilt heeft toegegeven dat hij dat gedaan heeft. En u bewaart dat spul in koelkamer twee, nietwaar?”
Meneer Badon knikte vol ellende. “Ja,” zei hij. Hij zweeg en gaapte de inspecteur aan. “Maar er is wel een verschil tussen een varkenskop en…”
“Natuurlijk,” zei de inspecteur haastig. “U denkt waarschijnlijk dat iemand dat gezien zou hebben.”
“Uiteraard.”
“Ik heb van meneer Wilt begrepen dat u een bijzonder efficiënte gehaktmachine heeft…”
“Nee,” riep meneer Badon wanhopig. “Nee, dat geloof ik niet. Het is onmogelijk. Het is…”
“Bedoelt u met onmogelijk…”
“Ik zeg niet dat het niet kán, maar dat hij het niet had móéten doen. Het is monsterlijk. Gruwelijk.”
“Natuurlijk is het gruwelijk,” zei de inspecteur. “Maar het feit blijft dat hij die machine heeft gebruikt.”
“Onze machines zijn altijd brandschoon.”
“Dat zei Wilt. Dat heeft hij benadrukt. Na afloop heeft hij alles zorgvuldig schoongemaakt.”
“Dat moet wel,” zei meneer Badon. “Maandagochtend stond alles precies op zijn plaats. Dat heeft u de opzichter horen zeggen.”
“En ik heb die smeerlap van een Wilt horen zeggen dat hij precies opgeschreven had waar hij alles vandaan had, zodat hij het op exact dezelfde plaats kon terugzetten. Hij heeft overal aan gedacht.”
“Behalve aan onze reputatie op het gebied van hygiëne. We staan al vijfentwintig jaar lang bekend om de uitmuntende kwaliteit van onze producten en nu gebeurt dit. We maakten gehakt van onze concurrentie en nu…” Meneer Badon zweeg plotseling en ging zitten.
“Goed,” zei de inspecteur. “Ik wil weten aan wie u levert. We halen elk varkenspasteitje en elk Worstje terug…”
“Terughalen? Dat gaat niet,” schreeuwde meneer Badon. “Ze zijn weg.”
“Weg? Hoe bedoelt u?”
“Wat ik zeg. Ze zijn er niet meer. Ze zijn óf opgegeten óf weggegooid.”
“Weggegooid? U wilt toch niet zeggen dat er niet eentje over is? Ze zijn pas vijf dagen oud.”
Meneer Badon richtte zich op. “Inspecteur, dit is een ouderwetse firma en we gebruiken traditionele methodes. Een varkenspasteitje van Sweetbreads is een écht varkenspasteitje, niet zo’n inferieur ding vol conserveringsmiddelen dat…”
Inspecteur Flint plofte op een stoel neer. “Bedoelt u dat je die klotenpasteitjes niet kunt bewaren?” vroeg hij.
Meneer Badon knikte. “Ze zijn bedoeld om direct geconsumeerd te worden,” zei hij trots. “Vanuit de oven op uw bord. Dat is onze slagzin. U heeft vast onze advertenties gezien.”
Dat had inspecteur Flint niet.
“Het pasteitje van nu met de smaak van vroeger, traditioneel en rijk gevuld.”
“Zeg dat wel,” zei inspecteur Flint.
Meneer Gosdyke keek Wilt sceptisch aan en schudde zijn hoofd. “U had naar mij moeten luisteren,” zei hij. “Ik heb u geadviseerd om niets te zeggen.”
“Ik móést wel iets zeggen,” zei Wilt. “Ik mocht niet slapen en ze stelden me steeds dezelfde vragen. U heeft geen idee wat dat voor effect op je heeft. Je wordt er gek van.”
“In het licht van de bekentenis die u heeft afgelegd, kan ik moeilijk geloven dat u dáár gek van werd, meneer Wilt. Iemand die uit eigen vrije wil zo’n verklaring doet is duidelijk krankzinnig.”
“Maar het is niet waar,” zei Wilt. “Het is allemaal verzonnen.”
“Met zo’n overvloed aan weerzinwekkende details? Dat kan ik moeilijk geloven. Dat stukje dat u hen de ruggengraat stuk sloeg…mijn maag keerde zich om.”
“Maar dat is uit de bijbel,” zei Wilt, “en bovendien moest het een beetje bloederig zijn, anders hadden ze me niet geloofd. Neem dat gedeelte waarin ik met een zaag…”
“Meneer Wilt, alstublieft…”
“Nou, ik kan alleen maar zeggen dat u nooit les heeft gegeven aan Vlees 1. Daar heb ik het allemaal vandaan en als je die les hebt gegeven, zijn er nog maar weinig dingen die je kunnen verrassen.”
Meneer Gosdyke trok zijn wenkbrauwen op. “Werkelijk? Misschien kan ik het eens proberen,” zei hij. “Gezien uw bekentenis die u ondanks mijn dringende advies heeft afgelegd, en gezien mijn overtuiging dat elk woord ervan waar is, ben ik niet langer bereid voor u op te treden.” Hij raapte zijn papieren bij elkaar en stond op. “U zult iemand anders moeten zoeken.”
“Maar meneer Gosdyke, u gelooft die onzin toch niet echt? Dat ik van Eva varkenspasteitjes gemaakt zou hebben?”
“Of ik het geloof? Iemand die zoiets walgelijks kan verzinnen is tot alles in staat. Ja, ik geloof het en de politie ook. Ze zoeken op dit moment alle winkels, cafés, supermarkten en vuilnisbakken van het hele graafschap af naar varkenspasteitjes.”
“Maar zelfs als ze er een vinden, schieten ze daar niets mee op.”
“Misschien vindt u het ook interessant te weten dat ze tienduizend blikken honden- en kattenvoer in beslag genomen hebben en zijn begonnen met het onüeden van een kwart ton Sweetbreads Superieure Worstjes. Ergens in die lading zullen ze ongetwijfeld een spoor van mevrouw Wilt ontdekken, om nog maar te zwijgen over meneer en mevrouw Pringsheim.”
“Nou, ik wens ze veel geluk.”
“En ik ook,” zei meneer Gosdyke vol walging en hij verliet de kamer. Wilt zuchtte. Kwam Eva nou maar terug. Waar kon ze in godsnaam gebleven zijn?
In het politielaboratorium werd inspecteur Flint ongeduldig. “Kan het niet ietsje sneller?” vroeg hij.
Het hoofd van de forensische afdeling schudde zijn hoofd. “Het is zoeken naar een speld in een hooiberg,” zei hij, met een veelbetekenende blik op de nieuwe partij worstjes die net was binnengebracht. “Tot dusver hebben we niets gevonden. Dit kan wel eens weken gaan duren.”
“Ik heb geen weken de tijd,” zei de inspecteur. “Maandag moet hij voor de rechter komen.”
“Alleen om zijn voorlopige hechtenis te verlengen en bovendien heeft hij bekend.”
Maar inspecteur Flint had zijn twijfels. Hij had die bekentenis nog eens goed bestudeerd en een aantal tegenstrijdigheden ontdekt waar hij destijds, door vermoeidheid, walging en het overweldigende verlangen om de zaak af te sluiten voor hij moest kotsen, niet zo’n aandacht aan besteed had. Als je de slordige handtekening van Henry Wilt bijvoorbeeld goed bekeek, leek het verdacht veel of er Hebjebeet stond. Daarnaast had Wilt geschreven en inspecteur Flint had zo’n vermoeden dat dat Quod Non Erat Demonstrandum betekende. Bovendien vond hij, zelfs als politieman, dat er wel erg veel toespelingen werden gemaakt op varkens en zwijnen. Het feit dat Wilt voor de lunch om varkenspasteitjes had gevraagd, en meer in het bijzonder pasteitjes van Sweetbreads, wees op een krankzinnig kannibalisme dat misschien wel paste bij de dingen die hij gedaan zou hebben, maar toch een beetje al te gortig was. Het woord ‘provocatie’ kwam bij Flint op, en sinds het voorval met de pop was hij zich sterk bewust van ongunstige publiciteit. Hij las de verklaring opnieuw door, maar wist nog steeds niet wat hij ervan moest denken. Eén ding stond vast: Wilt wist precies hoe Sweetbreads werkte. Dat bewees de overvloed aan details. Aan de andere kant leek meneer Badons ongeloof over de hoofden en de gehaktmachine gerechtvaardigd te zijn. Flint had het gruwelijke apparaat schuchter bekeken en maar moeilijk kunnen geloven dat zelfs Wilt, in een vlaag van moordzucht…Flint zette die gedachte van zich af. Hij besloot nog een keer met Wilt te praten, ondanks het feit dat hij zich meer dood dan levend voelde. Hij ging naar de verhoorkamer en liet Wilt halen.
“En, hoe gaat het?” vroeg Wilt toen hij binnenkwam. “Heeft u al succes gehad met de knakworstjes? De bloedworst is natuurlijk ook altijd een optie…”
“Wilt,” viel de inspecteur hem in de rede, “waarom heb je je verklaring ondertekend met Hebjebeet?”
Wilt ging zitten. “Dus dat is u eindelijk opgevallen? Heel opmerkzaam, moet ik zeggen.”
“Ik vroeg je iets.”
“Inderdaad,” zei Wilt. “Laten we zeggen dat ik het toe passelijk vond.”
“Toepasselijk?”
“Ik viel om van de slaap en dacht…”
“Wil je zeggen dat je het allemaal verzonnen hebt?”
“Wat dacht u dan? Toch niet dat ik het nietsvermoedende publiek zou trakteren op Eva en de Pringsheims in de vorm van varkenspasteitjes? Ik dacht dat zelfs uw goedgelovigheid een grens had.”
Inspecteur Flint staarde hem woedend aan. “Mijn god, Wilt,” zei hij. “Als ik merk dat je opzettelijk een verhaal gefabriceerd hebt…”
“Wat kunt u doen?” zei Wilt. “U heeft me al beschuldigd van moord. Wat wilt u nog meer? U sleept me hierheen, vernedert me, schreeuwt tegen me, houdt me dagenlang wakker terwijl u me bombardeert met vragen over hondenvoer, schreeuwt van de daken dat ik u assisteer bij het onderzoek naar een meervoudige moord zodat iedereen denkt dat ik mijn vrouw en een halvegare biochemicus heb afgeslacht en…”
“Hou je kop!” schreeuwde Flint. “Het kan me niet schelen wat je vindt! Het gaat erom wat je gedaan en gezegd hebt! Je hebt de grootste moeite gedaan om mij te misleiden…”
“Niet waar,” zei Wilt. “Tot aan gisteravond toe heb ik u uitsluitend de waarheid verteld, maar daar wilde u niet aan. Gisteravond vertelde ik u een leugen die u wilde geloven, in de vorm van een varkenspasteitje. Als u slap gelul wilt horen en daarvoor onwettige methodes gebruikt, zoals het onthouden van slaap, is het allemaal uw eigen schuld. Kom mij dan niet uitfoeteren. Als u stom bent is dat uw probleem. Zoek liever m’n vrouw.”
“Laat iemand me tegenhouden of ik vermoord die smeerlap!” schreeuwde Flint terwijl hij de kamer uit stormde. Hij ging naar zijn kantoor en liet brigadier Yates komen. “Stop de jacht op die pasteitjes. Het is allemaal quatsch.”
“Kwats?” zei de brigadier onzeker.
“Gelul,” zei Flint. “Hij heeft het weer voor elkaar.”
“Bedoelt u…”
“Die kleine hufter heeft ons weer genaaid.”
“Maar hoe wist hij dat dan over die fabriek?”
Flint keek Yates met bloeddoorlopen ogen aan.
“Als je wilt weten waarom hij een wandelende encyclopedie is, vraag je hem dat zelf maar.”
Brigadier Yates ging naar buiten en kwam vijf minuten later terug. “Vlees 1,” verkondigde hij raadselachtig.
“Vleezeen?”
“Een klas met slagers die hij lesgaf. Ze hebben hem rondgeleid bij Sweetbreads.”
“Jezus,” zei Flint. “Zijn er ook nog mensen aan wie dat stuk ellende geen les heeft gegeven?”
“Hij zegt dat het bijzonder leerzaam was.”
“Yates, doe me een plezier. Zoek uit welke klassen hij allemaal heeft gehad. Dan weten we misschien een beetje wat we kunnen verwachten.”
“Ikhoorde hem al Stukadoors 2 en Gasfitters 1 noemen…”
“Allemaal, Yates, allemaal. Dadelijk vertelt hij ons dat hij mevrouw Wilt in de riolering heeft gemikt omdat hij ooit voor de klas heeft gestaan bij Stront 2.” Hij pakte de avondkrant op en keek naar de koppen, POLITIE ONDERZOEKT PASTEITJES NAAR VERMISTE VROUW.
“O, mijn god,” kreunde hij. “Dit is weer goed voor ons imago.”
Op school was de rector dezelfde mening toegedaan.
“We zijn in het openbaar belachelijk gemaakt,” zei hij tijdens een vergadering van de afdelingshoofden. “Ten eerste denkt iedereen dat we de gewoonte hebben docenten in dienst te nemen die hun vrouwen begraven in de fundering van het nieuwe gebouw. Ten tweede is er geen enkele kans meer dat we een technische hogeschool zullen worden, nu de nieuwe studie is afgekeurd omdat onze faciliteiten niet geschikt zijn voor een instelling van hoger onderwijs. Professor Baxendale liet zich daar krachtig over uit. Vooral over een opmerking van één van onze docenten over necrofilie…”
“Ik zei alleen…” begon dr. Board.
“We weten allemaal wat u gezegd heeft, dr. Board. En u vindt het misschien interessant om te weten dat dr. Cox tijdens zijn heldere momenten nog steeds koud vlees weigert. Dr. Mayfield heeft zijn ontslag al ingediend en als klap op de vuurpijl hebben we dit.”
Hij hield een krant omhoog. Boven aan de tweede pagina stond SEKSLESSEN VERBIJSTEREN STUDENTEN.
“Kijkt u vooral goed naar de foto,” zei de rector verbitterd en hij wees op een grote en uit een ongelukkige hoek genomen opname van Judy aan de kraan. “Verder staat in het artikel…Nou ja, doet er niet toe. U kunt het zelf lezen. Ik zou alleen graag antwoord willen hebben op de volgende vragen: wie heeft de aankoop goedgekeurd van dertig exemplaren van Last Exit front Brooklyn, te gebruiken bij draaiers en bankwerkers?”
Meneer Morris probeerde te bedenken wie de ‘s had lesgegeven. “Volgens mij was dat Watkins,” zei hij. “Hij is vorig kwartaal vertrokken. Een parttimer.”
“Godzijdank was hij niet fulltime,” zei de rector. “Ten tweede, welke docent raadt kinderverpleegsters aan altijd een…eh…pessarium te gebruiken?”
“Daar is Sedgwick erg op gebrand,” zei meneer Morris.
“Kinderverpleegsters of pessariums?” vroeg de rector.
“Misschien allebei?” opperde dr. Board zacht.
“Hij heeft iets tegen de pil,” zei meneer Morris.
“Nou, zou u tegen meneer Sedgwick willen zeggen dat hij maandag om tien uur op mijn kantoor moet zijn? Ik wil nog eens goed duidelijk maken onder welke voorwaarden hij hier in dienst is. En als laatste, welke docenten gebruiken de videoapparatuur om pornofilms te vertonen aan directiesecretaresses?”
Meneer Morris schudde nadrukkelijk zijn hoofd. “Niemand van mijn afdeling,” zei hij.
“Hier staat dat er pornofilms gedraaid zijn tijdens lesuren die eigenlijk bestemd waren voor maatschappijleer.”
“Wentworth heeft ze Women in Love laten zien,” zei het hoofd Engels.
“Nou ja, doet er ook niet toe. Ik wil nog één ding zeggen. Er komt geen avondklas eerste hulp met speciale nadruk op de behandeling van navelbreuk. Iemand had voorgesteld om daarvoor een opblaaspop te kopen. Voortaan moeten we de tering naar de nering zetten.”
“Vanwege inflatie?” vroeg dr. Board.
“Vanwege het feit dat de schoolraad al jaren loert op een kans om in ons budget te snoeien,” zei de rector. “Die kans hebben ze nu gekregen. Het feit dat we het publiek een dienst hebben bewezen door, om meneer Morris te citeren ‘een groot aantal geestelijk labiele en potentieel gevaarlijke psychopaten van de straat te houden’, schijnt hen ontgaan te zijn.”
“Ik neem aan dat hij leerplichtige werkende jongeren bedoelde,” zei dr. Board welwillend.
“Die bedoelde hij niet,” zei de rector. “Ik kan me vergissen, Morris, maar had je je collega’s van de afdeling kunst en literatuur niet in gedachten?”
De vergadering ging uit elkaar. Later die dag schreef meneer Morris zijn ontslagbrief.