TIEN

In Parkview Avenue zat Wilt met Clem in de keuken terwijl de rechercheurs het huis doorzochten. “Jullie zullen echt niets belastends vinden,” zei hij tegen inspecteur Flint.

“Bemoeit u zich daar nou maar niet mee. We nemen alleen een kijkje.”

Hij stuurde een rechercheur naar boven om de kleren van mevrouw Wilt te onderzoeken.

“Als ze zelf weg is gegaan, heeft ze haar halve garderobe meegenomen,” zei hij. “Ik weet hoe vrouwen zijn. Maar als ze bedolven is onder twintig ton beton, heeft ze niet meer nodig dan de kleren die ze aan heeft.”

Eva’s garderobe bleek goed gevuld te zijn. Zelfs Wilt moest toegeven dat ze niet veel had meegenomen.

“Wat droeg ze toen u haar voor het laatst zag?” vroeg de inspecteur.

“Een citroengeel strandgeval,” zei Wilt.

“Een citroengeel wat?”

“Een strandpyjama,” zei Wilt, die daardoor de lijst met belastend bewijsmateriaal nog langer maakte. De inspecteur maakte een aantekening in zijn notitieboekje.

“Lag ze in bed?”

“Nee,” zei Wilt. “Ze was bij de Pringsheims.”

“De Pringsheims? Wie zijn dat?”

“De Amerikanen over wie ik u verteld heb. Uit Rossiter Grove.”

“U heeft met geen woord over Amerikanen gerept,” zei de inspecteur.

“Sorry, ik dacht dat ik dat wel gedaan had. Ik begin een beetje in de war te raken. Ze is met hen weggegaan.”

“O ja? En zij zijn natuurlijk ook niet thuis?”

“Dat lijkt me logisch,” zei Wilt. “Ik bedoel, als Eva van plan was met hen weg te gaan, kunnen ze moeilijk nog thuis zijn. Als ze niet bij hen is, zou ik niet weten waar ze dan wel is.”

“Ik wel,” zei de inspecteur. Hij keek met een mengeling van belangstelling en afkeer naar een vlek op een laken dat een van de rechercheurs in de wasmand had gevonden. Toen ze het huis verlieten bestond het belastende bewijsmateriaal uit het laken, de ceintuur van een oude kamerjas die op mysterieuze wijze op de vliering was beland, een hakmes dat Wilt ooit had gebruikt om een blik menie open te maken en een injectiespuit die Eva van de dierenarts had gekregen om haar cactussen heel precies water te geven tijdens haar kamerplantperiode. Er was ook een flesje tabletten zonder etiket.

“Hoe moet ik in godsnaam weten wat het zijn?” vroeg Wilt toen hij met het flesje geconfronteerd werd. “Waarschijnlijk aspirientjes. Bovendien is het nog vol.”

“Doe het bij de andere bewijsstukken,” zei de inspecteur. Wilt keek in de doos.

“Godallemachtig, wat denken jullie dat ik met haar gedaan heb? Vergiftigd, gewurgd, in stukjes gehakt en opgelost in Pokon?”

“Wat is Pokon?” vroeg inspecteur Flint met plotselinge belangstelling.

“Plantenvoeding,” zei Wilt. “De fles staat op de vensterbank.”

De inspecteur voegde de fles Pokon toe aan de inhoud van de doos. “We weten wát u heeft gedaan, meneer Wilt,” zei hij. “Het gaat ons nu vooral om de manier waaróp.”

Ze liepen naar de politiewagen en reden naar het huis van de Pringsheims in Rossiter Grove. “U blijft in de auto zitten met deze rechercheurs, dan ga ik kijken of ze thuis zijn,” zei inspecteur Flint en hij liep naar de voordeur. Wilt keek hoe hij aanbelde. Diverse keren. Hij hamerde met de deurklopper en liep ten slotte door het hekje met Leveranciers erop naar de keukendeur. Een minuut later was hij terug en morrelde hij aan de mobilofoon.

“Je hebt de spijker op de kop geslagen, Wilt,” snauwde hij. “Ze zijn weg en het is binnen een onvoorstelbare rotzooi. Alsof er een orgie heeft plaatsgevonden. Naar buiten met hem.”

De twee rechercheurs duwden Wilt uit de auto. Plotseling was hij geen meneer Wilt meer, iets wat hij terdege besefte. Ondertussen maakte de inspecteur contact met het hoofdbureau en sprak met sinistere urgentie over huiszoeking en het sturen van iets wat als de D-brigade klonk. Wilt stond op de oprit van nummer twaalf en vroeg zich af wat hem in godsnaam overkwam. Zijn hele vertrouwde wereld stortte ineen.

“We gaan door de achterdeur naar binnen,” zei de inspecteur. “Dit ziet er niet zo mooi uit.”

Ze liepen over het pad naar de keukendeur en de achtertuin. Wilt zag wat de inspecteur bedoelde met rotzooi. De tuin was niet op zijn best. Het gras was bezaaid met papieren bordjes, die door de wind in de kamperfoelie en de klimrozen waren geblazen en her en der stonden papieren bekertjes, sommige platgetrapt en andere nog gevuld met Pringsheim Punch en regenwater. Maar vooral de hamburgers gaven de tuin een macaber aanzien. Ze lagen overal, bevlekt met koolsla, zodat Wilt aan Clem moest denken.

“Ik zie sporen van braak en braaksel,” zei inspecteur Flint, die blijkbaar zijn gedachten las. Ze liepen over het terras naar de ramen van de woonkamer en tuurden naar binnen.

Als de tuin al erg was, was het interieur helemaal vreselijk.

“Sla een ruitje van het keukenraam in,” zei de inspecteur tegen de langere van de twee rechercheurs. Een ogenblik later gleed het raam open en stapten ze naar binnen.

“Ik hoefde niets te breken,” zei de rechercheur. “De achterdeur was open en dit raam ook. Ze moeten met vliegende haast zijn vertrokken.”

De inspecteur keek door de kamer en trok zijn neus op. Er hing een zware walm van muffe hasj, zure punch en kaarsenrook.

“Als ze tenminste zijn vertrokken,” zei hij onheilspellend en hij keek naar Wilt.

“Dat moet wel,” zei Wilt, die zich geroepen voelde iets te zeggen. “Niemand zou een heel weekend in deze rotzooi kunnen leven zonder…”

“Leven? Je zei toch ‘leven’, hè?” zei Flint, die op een stuk aangebrande hamburger ging staan.

“Ik bedoelde…”

“Ik begrijp heel goed wat je bedoelde, Wilt. Laten we eens kijken wat hier gebeurd is.”

Ze gingen naar de keuken, waar dezelfde wanorde heerste, en daarna naar de andere kamers. Het was overal hetzelfde. Sigarettenpeuken dobberden in koppen koude koffie of waren uitgedrukt op het tapijt. Een kapotte grammofoonplaat achter de bank markeerde het einde van de Vijfde van Beethoven. Kussens lagen verfomfaaid tegen de muur. Uitgebrande kaarsen hingen slap uit flessen, alsof ze net waren klaargekomen. Om de troep te vervolmaken had iemand met rode viltstift een portret van prinses Anne op de muur getekend. Ze werd omringd door gehelmde politiemannen en eronder stond:

DE SMERUSSEN ROND ANNETJE ONS VORSTELIJKE SLETJE DE PIK IS DOOD LEVE DE KUT

Gevoelens die ongetwijfeld acceptabel waren in feministische kringen, maar waardoor de Pringsheims niet bepaald hoog stegen in de achting van inspecteur Flint.

“Je hebt een stel mooie vrienden, Wilt,” zei hij.

“Mijn vrienden zijn het niet,” zei Wilt gevoelvol. “Die eikels kunnen niet eens spellen.”

Ze gingen naar boven en keken in de grote slaapkamer. Het bed was niet opgemaakt, overal zwierden kleren rond, ondergoed lag op de grond of puilde uit laden en een omgevallen fles Joy lag op de toilettafel. De hele kamer stonk naar parfum.

“Om te huilen,” zei de inspecteur, die vol afkeer naar een paar suspensoirs keek. “Het enige wat ontbreekt is bloed.”

Dat vonden ze in de badkamer. De opengehaalde hand van dr. Scheimacher had rijkelijk gebloed in het bad en de tegels bespetterd met donkere klodders. De deur van de badkamer hing scheef aan het onderste scharnier en er zaten bloedvlekken op de verf.

“Ik wist het wel,” zei de inspecteur. Hij bestudeerde de vlekken en de boodschap die met lippenstift op de spiegel boven de wasbak was geschreven. Wilt keek ook en vond hem wat al te persoonlijk.

WAAR WILT WIPTE EN EVA DE BENEN NAM WIE WAS TOEN HET MANNELIJKE CHAUVINISTISCHE ZWIJN?

“Aardig,” zei inspecteur Flint. Hij draaide zich om en keek naar Wilt, wiens gezicht nu de kleur van de tegels had. “Ik neem aan dat jij daar niets van weet? Het is niet jouw werk?”

“Beslist niet,”zei Wilt.

“En dit ook niet?” zei de inspecteur, die op de bloedvlekken in het bad wees. Wilt schudde zijn hoofd. “En dit heeft zeker ook niets met jou te maken?” Hij gebaarde naar een pessarium dat boven de wc-bril aan de muur was gespijkerd.

WAAR DE BIJ ZUIGT IS WAAR IK OOK ZOOG EN EEN BAARMOEDERKAPJE HIELD ME DROOG

Wilt staarde vol walging naar het ding.

“Ik weet niet wat ik moet zeggen,” mompelde hij. “Het is allemaal zo vreselijk.”

“Zeg dat wel,” beaamde de inspecteur, voor hij zich weer op praktischer zaken richtte. “Nou, ze is hier niet vermoord.”

“Hoe weet u dat?” vroeg de jongste van de twee rechercheurs.

“Te weinig bloed.” De inspecteur keek om zich heen. “Aan de andere kant, één harde dreun…” Ze volgden de bloedvlekken door de gang naar de kamer waar Wilt in de pop was gestopt.

“Raak in godsnaam niets aan,” zei de inspecteur, die de deur voorzichtig opendeed met zijn mouw. “De technische recherche mag zich hier uitleven.” Hij keek naar het speelgoed.

“Hier heb je de kinderen zeker afgeslacht?” zei hij grimmig.

“Kinderen?” zei Wilt. “Ik wist niet dat ze die hadden.”

“Nou, als je dat niet hebt gedaan, hebben die arme kleine stakkers tenminste iets om dankbaar voor te zijn,” zei de inspecteur, die zelf vader was. “Niet veel, maar iets.”

Wilt stak zijn hoofd om de deur en keek naar de teddybeer en het hobbelpaard. “Die zijn van Gaskell,” zei hij. “Daar speelt hij graag mee.”

“Ik dacht dat ze geen kinderen hadden?”

“Die hebben ze ook niet. Gaskell is dr. Pringsheim. Hij is biochemicus en volgens zijn vrouw qua ontwikkeling een beetje in gebreke gebleven.” De inspecteur keek hem bedachtzaam aan. Misschien was hij ook in gebreke gebleven, door Wilt niet meteen te arresteren.

“Je bent zeker niet bereid een volledige bekentenis af te leggen?” vroeg hij zonder veel hoop.

“Nee,”zei Wilt.

“Dacht ik al,” zei de inspecteur. “Goed, neem hem mee naar het bureau. Ik kom later wel.”

De rechercheurs pakten Wilt bij zijn armen. Het was de laatste druppel.

“Laat me met rust,” gilde hij. “Jullie hebben het recht niet om dit te doen. Jullie hebben  – ”

“Wilt,” schreeuwde inspecteur Flint, “ik geef je nog één kans. Als je niet zonder tegenstribbelen meegaat, stel ik je nu meteen in staat van beschuldiging wegens moord op je vrouw.”

Wilt ging zonder tegenstribbelen mee. Er zat niets anders op.

“De schroef?” zei Sally. “Maar je zei dat het de drijfstang was.”

“Nee, dus,” zei Gaskell. “Ze slaat aan.”

“Hij, G. Hij slaat aan.”

“Ja, oké. Hij slaat aan, dus de drijfstang kan het niet zijn. Misschien is er iets verward geraakt in de schroef.”

“Zoals?”

“Waterplanten, bijvoorbeeld.”

“Waarom ga je niet even kijken onder water?”

“Met die bril van mij?” zei Gaskell. “Ik zou geen steek kunnen zien.”

“Je weet dat ik niet kan zwemmen,” zei Sally. “Ik heb last van mijn been.”

“Ik kan zwemmen,” zei Eva.

“We binden een touw om je heen. Op die manier kun je niet verdrinken,” zei Gaskell. “Je hoeft alleen onder water te voelen of er iets is.”

“We weten wat er is,” zei Sally. “Modder.”

“Rond de schroef,” zei Gaskell. “En als er iets is, moet je het weghalen.”

Eva ging naar de kajuit en trok haar bikini aan.

“Werkelijk, Gaskell, soms denk ik wel eens dat je dit met opzet doet. Eerst was het de drijfstang en nu weer de schroef.”

“Nou, we moeten alles proberen. We kunnen hier niet eeuwig blijven,” zei Gaskell. “Morgen moet ik weer op het lab zijn.”

“Dat had je eerder moeten bedenken,” zei Sally. “Het enige wat nu nog ontbreekt is een walvis.”

“Als je het mij vraagt komt er daar een,” zei Gaskell, toen Eva uit de kajuit kwam en een badmuts opzette.

“En, waar is het touw?” vroeg ze. Gaskell zocht in een kastje, vond een stuk en bond het om haar middel. Eva klauterde overboord en liet zich in het water zakken.

“Het is ontzettend koud,” giechelde ze.

“Dat komt door de Golfstroom,” zei Gaskell. “Die reikt niet tot hier.”

Eva zwom een stukje en ging toen staan.

“Het is vreselijk ondiep en één en al modder.”

Ze waadde rond terwijl ze zich aan het touw vasthield en tastte onder de achtersteven.

“Ik voel niets,” zei ze.

“Verder naar beneden,” zei Gaskell, die omlaag tuurde. Eva stak haar hoofd onder water en voelde aan het roer.

“Dat is het roer,” zei Gaskell.

“Natuurlijk,” zei Eva. “Dat weet ik ook wel, dommerd. Ik ben niet stom.”

Ze verdween onder de boot. Deze keer vond ze de schroef, maar er zat niets omheen gedraaid.

“Het is alleen maar modderig, meer niet,” zei ze toen ze weer boven water kwam. “Overal zit slijk.”

“Dat kan ook niet anders, hè,” zei Gaskell. Eva waadde naar de zijkant. “We zitten vast op een slijkplaat.”

Eva dook weer onder, maar rond de schroefas zat ook niets. “Ik zei het toch?” zei Sally toen ze Eva weer aan boord hesen. “Je deed het alleen maar om haar in haar modderige plastic bikini te kunnen zien. Kom, kleine Botticelli, laat Sally je afspoelen.”

“O, jezus,” zei Gaskell. “Penis rijst op uit de golven.” Hij ging weer naar de motor en bekeek hem onzeker. Misschien zat de brandstofleiding verstopt. Het leek onwaarschijnlijk, maar hij moest iets proberen. Ze konden niet de rest van hun leven op die modderplaat blijven zitten.

Op het voordek werd Eva afgesponsd door Sally.

“Nu de onderste helft, liefje,” zei ze terwijl ze het bandje losmaakte.

“O, Sally. Nee, Sally.”

“Schaamschatje.”

“O, Sally, wat ben je een ondeugd.”

Gaskell worstelde met de moersleutel. Al die tasttherapie begon hem op zijn zenuwen te werken. Net als al dat plastic.

Ondertussen deed de rector zijn best om de schoolraad tot bedaren te brengen nadat er een diepgaand onderzoek naar het personeelsbeleid van de afdeling kunst en literatuur was geëist.

“Laat ik het uitleggen,” zei hij geduldig terwijl hij naar de raad keek, die een mooie balans vormde tussen zakelijke belangen en maatschappelijk engagement. “De wet op het onderwijs bepaalt dat, als bedrijven leerplichtige jongeren in dienst hebben, ze op bepaalde dagen vrij moeten krijgen om onderwijs te volgen aan technische scholen…”

“Dat weten we allemaal wel,” zei een aannemer. “En we weten ook dat het een verspilling van tijd en belastinggeld is. Dit land zou er veel beter aan toe zijn als ze gewoon rustig doorwerkten.”

“De studies die ze volgen,” vervolgde de rector voor een sociaal geëngageerd iemand tussenbeide kon komen, “zijn afgestemd op hun vakgebied, met uitzondering van één verplicht uur kunst en literatuur. Nu is het probleem met kunst en literatuur dat niemand weet wat het betekent.”

“Kunst en literatuur,” zei mevrouw Chatterway, een trots voorvechtster van progressief onderwijs die in die hoedanigheid een aanzienlijke bijdrage had geleverd aan het voortschrijdende analfabetisme op verscheidene voorheen goede basisscholen, “betekent dat sociaal beknelde adolescenten voorzien worden van een stevige ondergrond qua ruimdenkende opvattingen en culturele vorming…”

“Het betekent dat ze leren lezen en schrijven,” zei een directeur. “Je hebt niks aan mensen die geen instructies kunnen lezen.”

“Het betekent wat iemand wil dat het betekent,” zei de rector haastig. “Als je docenten moet zien te vinden die bereid zijn hun leven te spenderen aan het onderwijzen van gasfitters, stukadoors of drukkers die eigenlijk helemaal geen zin hebben om te leren, en dan ook nog eens in een vak dat strikt genomen niet bestaat, kun je het je niet veroorloven kieskeurig te zijn qua personeelsbeleid. Dat is de kern van het probleem.”

De leden van de raad keken hem twijfelachtig aan.

“Moet ik hieruit opmaken dat docenten kunst en literatuur volgens u geen toegewijde en creatieve individuen met een sterk gevoel van roeping zijn?” vroeg mevrouw Chatterway strijdlustig.

“Nee,” zei de rector, “dat zeg ik niet. Ik probeer alleen duidelijk te maken dat docenten kunst en literatuur anders zijn dan anderen. Of ze zijn vanaf het begin al vreemd, of ze worden het uiteindelijk. Beroepsdeformatie, zou je kunnen zeggen.”

“Maar ze zijn allemaal hooggekwalificeerd,” zei mevrouw Chatterway. “Universitair geschoold.”

“Inderdaad. Zoals u zegt, zijn ze universitair geschoold. Het zijn stuk voor stuk hooggekwalificeerde docenten, maar de spanningen waaraan ze onderworpen zijn laten hun sporen na. Laat ik het zo stellen: als u een hartchirurg zou vragen de rest van zijn leven hondenstaarten te couperen, zou u moeilijk kunnen verwachten dat hij na tien jaar nog ongeschonden is. De analogie is exact, geloof me.”

“Nou, ik kan alleen maar zeggen dat niet alle docenten kunst en literatuur de aandrang voelen hun vrouw te vermoorden en te begraven in een funderingsput,” protesteerde de aannemer.

“En ik kan alleen maar zeggen dat het me verbaast dat het er niet meer zijn,” zei de rector.

De vergadering eindigde onbeslist.