ZEVEN
“De natuur is zo wellustig,” zei Sally, die met een zaklantaarn door de patrijspoort op het riet scheen. “Neem lisdodden. Echt archetypisch fallisch, vind je ook niet, G?”
“Lisdodden?” zei Gaskell, die hulpeloos naar de kaart staarde. “Lisdodden zeggen me niets.”
“Plattegronden ook niet, zo te zien.”
“Kaarten, schatje, kaarten.”
“Wat zegt een naam?”
“Op het moment verdomd veel. We zitten óf in de Kikkersloot óf in de Grietpias, maar wie het weet mag het zeggen.”
“Geef mij de Grietpias maar. Ik ben dol op grieten. Eva, zou je nog wat koffie willen zetten? Ik wil de hele nacht opblijven en de zon zien opkomen boven de lisdodden.”
“Ik niet,” zei Gaskell. “Gisteravond was genoeg sensatie. Die idioot met die pop in bad en Schei die zich openhaalde. Meer dan voldoende voor één dag. Ik ga naar bed.”
“Aan dek,” zei Sally. “Je gaat aan dek. Eva en ik slapen beneden. Drie is te veel.”
“Drie? Met boezembaby erbij is het minstens vijf. Goed, dan slaap ik wel aan dek. We moeten vroeg opstaan als we van deze kloterige zandbank af willen komen.”
“Heeft kapitein Pringsheim ons aan de grond laten lopen?”
“Het komt door die kaarten. Stond de diepte nou maar exact aangegeven.”
“Als je wist waar we zaten, zou je waarschijnlijk merken dat het er ook exact staat. Het heeft geen zin als je weet dat het drie meter – ”
“Vadem, liefje, vadem.”
“ – drie vadem diep is in de Kikkersloot als we eigenlijk in de Grietpias zitten.”
“Nou, waar we ook zijn, ik zou maar hopen dat er hier een getij is waardoor we weer vlot komen,” zei Gaskell.
“En anders?”
“Dan wordt het plan B. Misschien komt er iemand langs die ons kan trekken,” zei Gaskell.
“O, god, G, je bent een wonder van bekwaamheid,” zei Sally. “Ik bedoel, waarom konden we niet gewoon in het midden van de rivier blijven? Nee, jij moest zo nodig op volle snelheid deze kreek in stomen, à la Titanic, en waarom? Om een stel eenden te bekijken, een stel duffe eenden.”
“Waadvogels, schatje, waadvogels. Niet zomaar eenden.”
“Goed, waadvogels. Jij je zin. Wat wilde je doen? Ze fotograferen? En nu zitten we ergens waar alleen een volslagen onbenul ooit met een boot zou komen. Wie denk je dat er hier langskomt? Kapitein Rob?”
In de kombuis zette Eva koffie. Ze droeg de knalrode plastic bikini die Sally haar geleend had. Hij was te klein voor haar, zodat ze er aan alle kanten uitpuilde, en bovendien onthullend strak, maar in elk geval beter dan naakt rondlopen, zelfs al was naaktheid volgens Sally geëmancipeerd, kijk maar naar de Indianen in de Amazone. Ze had haar eigen spullen moeten meenemen, maar Sally had haast gehad en nu had ze alleen haar citroengele strandpyjama en die bikini. Sally was soms heel erg auto…auto…iets met een auto erin.
“Plastic is veelzijdig, schatje. Flexibel,” had ze gezegd, “G heeft iets met plastic, hè G?”
“Als het biologisch afbreekbaar is.”
“Biologisch afbreekbaar?” vroeg Eva, die hoopte te worden ingewijd in een nieuw aspect van de emancipatie.
“Plastic flessen die vergaan in plaats van te blijven liggen en een ecologische tijdbom te vormen,” zei Sally, die de patrijspoort opendeed en een leeg sigarettenpakje naar buiten gooide. “Dat is G’s levenswerk. En recycling. Dingen die tot in het oneindige gerecycled kunnen worden.”
“Precies,” zei Gaskell. “In de auto-industrie kennen ze ingebouwde veroudering, maar daar is het juist uit de tijd. Waar nu behoefte aan bestaat is automatische, biologische afbraak van wegwerpa rtikelen.”
Eva luisterde zonder het te begrijpen, maar met het gevoel dat ze zich in het middelpunt van een intellectuele wereld bevond die ver uitsteeg boven het suffe geklets van Henry en zijn vrienden over nieuwe studierichtingen en leerlingen.
“We hebben een composthoop in de tuin,” zei ze toen ze eindelijk begreep waar ze het over hadden. “Ik gooi er de aardappelschillen en andere rotzooi op.”
Gaskell hief zijn ogen op naar het dak van de kajuit. Correctie. Dek.
“Over rotzooien gesproken,” zei Sally, die een liefkozende hand over Eva’s achterwerk liet glijden, “ik vraag me af hoe Henry het maakt met Judy.”
Eva huiverde. De gedachte aan Henry en de pop bleef haar achtervolgen.
“Ik kan me niet voorstellen wat er in hem is gevaren,” zei ze en ze keek afkeurend naar Gaskell toen hij grinnikte. “Ik bedoel, hij is nooit ontrouw geweest of zo. En dat zijn een heleboel mannen wel. Patrick Mottram heeft vaak verhoudingen met andere vrouwen, maar in dat opzicht heeft Henry zich altijd keurig gedragen. Hij is dan misschien stil en niet erg ambitieus, maar niemand kan hem een rokkenjager noemen.”
“Met andere woorden, hij zit seksueel in de knoop,” zei Gaskell. “Arme stakker.”
“Omdat hij toevallig trouw is, hoeft er toch niet iets aan hem te mankeren?” zei Eva.
“Dat bedoelde G niet, hè G?” zei Sally. “Hij bedoelde dat binnen een relatie ware vrijheid moet heersen. Geen jaloezie, geen bezitsdrang, geen overheersing. Nietwaar, G?”
“Juist,” zei Gaskell.
“Je houdt pas écht van iemand als je kunt kijken hoe je vrouw een nummertje maakt met een ander en je toch van haar blijft houden,” vervolgde Sally.
“Ik zou nooit kunnen kijken hoe Henry…” zei Eva. “Nooit.”
“Dan hou je niet echt van hem. Je bent onzeker. Je vertrouwt hem niet.”
“Vertrouwen?” zei Eva. “Hoe zou ik Henry kunnen vertrouwen als hij naar bed gaat met andere vrouwen? Ik bedoel, als hij dat wil, waarom is hij dan met me getrouwd?”
“Dat,” zei Gaskell, “is de hamvraag.” Hij pakte zijn slaapzak en ging aan dek. Achter hem was Eva in tranen uitgebarsten.
“Kom, kom,” zei Sally en ze legde een arm om haar heen. “G maakte maar een grapje. Hij bedoelde er niets mee.”
“Dat is het niet,” zei Eva. “Het is gewoon dat ik nergens meer iets van begrijp. Het is allemaal zo ingewikkeld.”
“Jezus, je ziet er verschrikkelijk uit,” zei Peter Braintree toen hij opendeed.
“Ik voel me ook verschrikkelijk,” zei Wilt. “Dat komt door de gin.”
“Bedoel je dat Eva nog niet terug is?” zei Braintree, die hem voorging naar de keuken.
“Toen ik thuiskwam was ze er niet. Alleen een briefje waarin stond dat ze wegging met de Pringsheims om over de dingen na te denken.”
“Over de dingen na te denken? Eva? Wat voor dingen?”
“Nou…” begon Wilt, maar hij bedacht zich. “Dat gedoe met Sally, neem ik aan. Ze zegt dat ze me nooit zal vergeven.”
“Maar je hebt niets met Sally gedaan. Dat zei je zelf.”
“Ik weet dat ik niets gedaan heb. Daar gaat het nou net om. Als ik gedaan had wat dat nymfomane kreng wilde, zouden al die problemen niet ontstaan zijn.”
“Dat begrijp ik niet. Als je gedaan had wat ze wilde, zou Eva reden hebben gehad om boos te zijn. Waarom is ze in alle staten omdat je niets gedaan hebt?”
“Sally heeft vast gezegd dat ik wel iets gedaan heb,” zei Wilt, die vastbesloten was te zwijgen over het incident met de pop.
“Bedoel je dat nummertje pijpen?”
“Ik weet niet wat ik bedoel. Wat is pijpen trouwens?”
Peter Braintree keek twijfelachtig.
“Ik weet het niet zeker,” zei hij, “maar het is duidelijk iets waarvan je niet wilt dat je man het doet. Als ik thuiskwam en tegen Betty zei dat ik gepijpt had, zou ze denken dat ik weer met roken was begonnen.”
“Ik moest het trouwens niet doen,” zei Wilt. “Zij wilde het met mij doen.”
“Misschien betekent het afzuigen,” zei Braintree, die de ketel op zette. “Zo vind ik het klinken.”
“Nou, ik niet,” zei Wilt huiverend. “Als je haar hoorde praten, was het meer alsof ze mijn lul in de fik wilde steken. Je had haar gezicht moeten zien.”
Hij ging mistroostig aan de keukentafel zitten.
Braintree keek hem nieuwsgierig aan. “Je bent flink gehavend,” zei hij.
Wilt keek naar zijn broek. Die was vuil en er kleefden ronde modderplekken aan zijn knieën. “Ja…eh…ja, ikkreeg onderweg een lekke band,” legde hij uit, maar erg overtuigend klonk het niet. “Die moest ik verwisselen en toen ben ik op mijn knieën gaan zitten. Ik was een beetje zat.”
Peter Braintree gromde. Een slappe smoes. Die arme ouwe Henry zat duidelijk in de put. “Je kunt je opknappen bij de gootsteen,” zei hij.
Even later kwam Betty Braintree naar beneden. “Ik hoorde wat je zei over Eva,” zei ze. “Het spijt me voor je, Henry. Ik zou me maar geen zorgen maken. Ze komt wel terug.”
“Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn,” zei Wilt somber. “En wil ik haar trouwens wel terug?”
“O, Eva is een beste meid,” zei Betty. “Ze heeft van die plotselinge grillen en bevliegingen, maar die duren nooit lang. Zo zit ze in elkaar. Met Eva is het de ene dag dit en de andere dag weer wat anders.”
“Daar maakt Henry zich nou juist zorgen over,” zei Braintree. “Maar dan de ene dag die, de andere dag iemand anders.”
“Ach welnee. Zo’n type is Eva helemaal niet.”
Wilt zat aan de keukentafel en dronk zijn koffie. “Gezien de mensen met wie ze nu omgaat, acht ik haar tot alles in staat,” mompelde hij somber. “Herinner je je haar macrobiotische periode? Volgens dr. Mannix was dat het eerste geval van scheurbuik dat hij ooit was tegengekomen sinds zijn terugkeer uit dat jappenkamp. En dan die toestand met die trampoline. Ze ging naar een gymnastiekklasje in het wijkgebouw en kocht godbetert meteen een trampoline. Je weet toch dat ze daarmee die oude mevrouw Portway het ziekenhuis in heeft geholpen?”
“Ik weet dat er een of ander ongeluk is gebeurd, maar Eva heeft me er nooit het fijne van verteld,” zei Betty.
“Begrijpelijk. Er was ook weinig fijns aan. Het is een wonder dat we niet voor het gerecht zijn gesleept,” zei Wilt. “Eva’s trampoline lanceerde mevrouw Portway door het dak van onze serre. Het hele gazon was bezaaid met glas en mevrouw Portway was sowieso al niet bijster gezond.”
“Had ze geen reumatische artritis?”
Wilt knikte. “En grote littekens dwars over haar gezicht,” zei hij. “Van onze serre.”
“Ik moet zeggen dat ik betere plaatsen kan bedenken voor een trampoline dan een serre,” zei Braintree. “Het was geen erg grote serre, hè?”
“Godzijdank was het ook geen erg grote trampoline,” zei Wilt. “Anders had ze zich nu in een baan om de aarde bevonden.”
“Nou, het bewijst allemaal één ding,” zei Betty, die het van de vrolijke kant bekeek. “Eva doet misschien gekke dingen, maar ze is ook weer gauw genezen.”
“Mevrouw Portway niet,” zei Wilt, die niet op te beuren was. “Ze heeft zes weken in het ziekenhuis gelegen en de huidtransplantaties mislukten. Sindsdien is ze niet meer in de buurt van ons huis geweest.”
“Je zult zien. Over een paar weken krijgt Eva genoeg van die Pringsheims. Ze zijn gewoon een bevlieging.”
“Een bevlieging met een hoop voordelen, als je het mij vraagt,” zei Wilt. “Geld, status en vrije seks. Alles wat ik haar niet kon geven en allemaal omkleed met een hoop intellectuele prietpraat over emancipatie en geweld en de onverdraagzaamheid van verdraagzaamheid en de seksuele revolutie en dat je pas echt volgroeid bent als mens als je biseksueel bent. Om van te kotsen en precies het soort gelul waar Eva steevast in trapt. Ik bedoel, ze zou rotte haring kopen als een of andere spraakmakende malloot zei dat dat de nieuwste trend was. Over goedgelovig gesproken!”
“Eva heeft te veel energie,” zei Betty. “Ze zou een fulltime baan moeten nemen.”
“Een fulltime baan?” zei Wilt. “Ze heeft meer fulltime banen gehad dan ik warme maaltijden, al wil dat tegenwoordig trouwens niet zoveel zeggen. Het enige dat er ‘s-avonds op me wacht is een kouwe hap en een briefje dat ze naar transcendente meditatie is, of pottenbakken of een andere aberratie. Eva’s idee van een baan is trouwens om de hele fabriek over te nemen. Herinner je je Potters, die machinefabriek die een paar jaar geleden na een staking op de fles ging? Nou, als je het mij vraagt was dat de schuld van Eva. Ze had toen een baan bij een adviesbureau dat effïciencystudies deed. Ze stuurden haar naar die fabriek en voor ze het wisten werd er gestaakt…”
Ze praatten nog een uur door, tot de Braintrees hem vroegen te blijven slapen. Maar dat wilde Wilt niet. “Ik moet morgen wat dingen doen.”
“Zoals?”
“De hond eten geven, om maar iets te noemen.”
“Je kunt altijd even naar huis rijden. Clem zal niet in één nacht verhongeren.”
Maar Wilt was te zeer verzonken in zelfmedelijden en bovendien maakte hij zich nog steeds zorgen om die pop. Misschien kon hij opnieuw een poging doen dat ding uit die put te krijgen. Hij reed naar huis en ging slapen tussen een wirwar van lakens en dekens. Hij had ‘s-ochtends het bed niet opgemaakt.
“Arme ouwe Henry,” zei Betty terwijl zij en Peter naar boven gingen. “Hij zag er inderdaad vreselijk uit.”
“Hij zei dat hij een lekke band moest verwisselen.”
“Ik bedoelde niet zijn kleren, maar de uitdrukking op zijn gezicht. Je denkt toch niet dat hij op het punt staat in te storten?”
Peter Braintree schudde zijn hoofd. “Zo zou jij er ook uitzien als je tien jaar lang elke dag les moest geven aan Gasfitters 3 en Stukadoors 2 en je vrouw er dan vandoor ging,” zei hij.
“Waarom geven ze hem niet iets beters te doen?”
“Waarom? Omdat de school een hogeschool wil worden en ze steeds met nieuwe studierichtingen komen en mensen met doctorstitels in dienst nemen om les te geven. Alleen schrijven de studenten zich niet in en zitten ze opgescheept met specialisten zoals dr. Fitzpatrick, die alles weet wat er te weten valt over kinderarbeid in vier katoenfabrieken in Manchester in 1837, maar verder geen moer. Als je hem voor een klas met leerplichtige werkende jongeren zou zetten, zou de hel losbreken. Ik moet nu al regelmatig zijn lokaal binnenstappen om tegen zijn studenten te zeggen dat ze hun kop moeten houden. Henry lijkt zachtmoedig, maar hij weet hoe hij orde moet houden. Hij is te goed in zijn werk. Dat is zijn probleem en bovendien is hij geen bruinwerker. Dan kan je het wel vergeten bij ons op school. Als je niet kontlikt ben je nergens.”
“Lesgeven aan die school heeft wel een vreselijke invloed gehad op je taalgebruik,” zei Betty.
“Het heeft een vreselijke invloed gehad op mijn kijk op het leven. Daar is mijn taalgebruik niks bij,” zei Braintree. “Je zou er van aan de drank raken.”
“Zoals Henry. Hij stonk naar gin.”
“Hij komt er wel overheen.”
Maar Wilt kwam er niet overheen. Hij werd ‘s-ochtends wakker met het gevoel dat hij iets miste, afgezien van Eva. Die stomme pop. Terwijl hij in bed lag probeerde hij een manier te bedenken om het ding weer te pakken te krijgen voor maandagochtend de werklui arriveerden. Eerst overwoog hij benzine in de put te gieten en er een lucifer achteraan te gooien, maar bij nader inzien leek dat de beste manier om de aandacht te vestigen op het feit dat hij een als zijn vrouw verklede plastic pop in het gat had gemikt. Verder kwam er geen enkel uitvoerbaar idee bij hem op. Hij zou gewoon op zijn geluk moeten vertrouwen.
Toen de zondagskranten kwamen stond hij op, ging naar beneden en las ze bij zijn zemelen met yoghurt. Hij voerde de hond, lummelde in zijn pyjama rond, liep naar de Ferry Path Inn om te lunchen, deed ‘s middags een dutje en keek de hele avond naar de buis. Toen maakte hij het bed op, kroop erin en bracht een rusteloze nacht door met zich afvragen waar Eva was, wat ze deed en waarom hij zo bezorgd was nu ze de benen had genomen, nadat hij zoveel uren gefantaseerd had over gewelddadige manieren om haar uit de weg te ruimen.
Als ik niet wilde dat dit zou gebeuren, waarom beraamde ik dan steeds plannen om haar te liquideren? dacht hij om twee uur ‘s nachts. Normale mensen smeden geen moordplannen terwijl ze de hond uitlaten als ze net zo gemakkelijk van hun vrouw kunnen scheiden.
Waarschijnlijk was er een of andere weerzinwekkende psychologische reden voor. Wilt kon er zelf verscheidene bedenken, te veel zelfs om te kunnen besluiten welke de meest waarschijnlijke was. Hoe dan ook, een psychologische verklaring vereiste een mate van zelfkennis die Wilt te hoog gegrepen vond. Hij was er niet eens zeker van of hij wel een zelf had om te kennen. Na tien jaar blootstelling aan Stukadoors 2 en hun barbarisme was hij er wel van overtuigd dat op iedere vraag een antwoord bestond en dat het niet veel uitmaakte welk antwoord je gaf, als je maar overtuigend klonk. In de veertiende eeuw zouden ze gezegd hebben dat zulke gedachten rechtstreeks van de duivel kwamen, maar in dit post-freudiaanse tijdperk moest het een complex zijn of, om helemaal modern te zijn, een chemische onbalans in de hersenen. Over honderd jaar was er waarschijnlijk weer een andere verklaring. Met de geruststellende gedachte dat de waarheden van het ene tijdperk de absurditeiten waren van het andere en dat het niet veel uitmaakte wat je dacht als je maar juist handelde – wat hij naar zijn mening deed – viel Wilt ten slotte in slaap.
Om zeven uur ging de wekker en om halfhegen parkeerde hij zijn auto achter de school. Hij liep langs het bouwterrein, waar al druk gewerkt werd, ging naar de docentenkamer en keek uit het raam. Het vierkante stuk multiplex lag nog steeds over het gat, maar de boorkraan was achteruit gereden. Ze waren er blijkbaar klaar mee.
Om vijf voor negen pakte hij vijfentwintig exemplaren van Shane uit de kast voor Automonteurs 3. Sfuwewashet ideale slaapmiddel dat die woestelingen rustig zou houden, terwijl hij keek wat er beneden gebeurde. Vanuit lokaal 593 in het technische gebouw had hij een eersteklas uitzicht. Wilt vulde het klassenboek in, deelde exemplaren van Shane uit en droeg de leerlingen op te gaan lezen. Hij zei het heel wat strenger dan gewoonlijk, zelfs voor een maandagochtend, en de klas wijdde zich aan het lot van de kolonisten terwijl Wilt uit het raam staarde, in beslag genomen door een veel prangender drama.
Een vrachtwagen met een draaiende trommel vol vloeibaar beton was op het bouwterrein gearriveerd en reed langzaam achteruit naar de plaat multiplex. Hij stopte en er volgde een zenuwslopend oponthoud terwijl de chauffeur uit zijn cabine klom en een sigaret opstak. Een andere man, blijkbaar de opzichter, kwam uit een houten keet en slenterde naar de wagen en korte tijd later stond er een klein groepje mensen rond de put. Wilt stond op van achter zijn bureau en liep naar het raam. Waarom treuzelden ze verdomme zo? Uiteindelijk stapte de chauffeur weer in zijn cabine en haalden twee mannen het multiplex weg. De opzichter gaf een teken en de cementhopper werd in positie gebracht. Nog een teken. De trommel kwam omhoog en het beton gleed omlaag. Wilt zag hoe het in de hopper stroomde en op dat moment keken de opzichter en een van de werklui in de put. Een tel later brak de hel los. De opzichter gebaarde en schreeuwde als een dolle. Wilt keek naar de schreeuwende mond en de gesticulaties terwijl het beton nog steeds stroomde, sloot toen zijn ogen en huiverde. Ze hadden die kutpop gevonden.
Buiten op het bouwterrein wemelde het van de misverstanden.
“Wat zeg je? Ik stort zo snel ik kan,” riep de chauffeur, die de geagiteerde tekens van de opzichter verkeerd interpreteerde. Hij trok de hendel nog verder naar achteren en de betonvloed nam toe. Het volgende moment besefte hij dat hij een fout had gemaakt. De opzichter rukte aan de deur van de cabine en schreeuwde moord en brand.
“Stop, stop! In godsnaam!” riep hij. “Er ligt een vrouw in die put!”
“Een wat?” zei de chauffeur en hij zette de motor uit.
“Een vrouw, godverdomme! Kijk eens wat je godverdomme gedaan hebt! Ik zei toch dat je op moest houden? Ik zei dat je moest ophouden met storten, maar je ging maar door. Je hebt twintig ton vloeibaar beton boven op haar gepleurd.”
De chauffeur klom uit zijn cabine en liep naar de hopper, waar de laatste straaltjes beton langzaam in het gat gleden.
“Een vrouw?” zei hij. “In die put? Wat doet ze daar?”
De opzichter keek hem furieus aan. “Wat ze daar doet?” bulderde hij. “Wat denk jij dat ze doet? Wat zou jij doen als je onder twintig ton vers beton lag? Je zou verdrinken, dat zou je.”
De chauffeur krabde op zijn hoofd. “Wist ik veel? Hoe had ik dat moeten weten? Je had het moeten zeggen.”
“Zeggen?” krijste de opzichter. “Ik zei het ook! Ik zei dat je moest stoppen, maar je luisterde niet.”
“Ik dacht dat ik sneller moest storten. Ik kon je niet verstaan.”
“Nou, verder kon iedere stomme hufter me prima verstaan!” schreeuwde de opzichter. In lokaal 593 behoorde Wilt zeker tot die groep stomme hufters. Hij staarde verwilderd uit het raam terwijl de paniek om zich heen greep. Achter hem had Automonteurs 3 geen enkele belangstelling meer voor Shane. Ook de leerlingen verdrongen zich voor de ramen.
“Weet je het wel zeker?” vroeg de chauffeur.
“Zeker? Natuurlijk weet ik het zeker!” schreeuwde de opzichter. “Vraag maar aan Barney.”
De andere arbeider knikte. “Ja, ze lag in het gat, helemaal verfrommeld. Daar durf ik op te zweren. Ze had één hand in de lucht en haar benen waren…”
“Jezus,” zei de chauffeur geschokt. “Wat nu?”
Het was een vraag die Wilt ook bezighield. Waarschijnlijk zouden ze de politie bellen. Dat werd bevestigd door de opzichter. “Bel de smerissen. Bel een ambulance. Bel de brandweer en haal een pomp. Haal in godsnaam een pomp.”
“Aan een pomp heb je niets,” zei de chauffeur. “Je krijgt dat beton er nooit uitgepompt. Het zou trouwens toch niet helpen. Ze is nu wel dood. Vermorzeld. Ze zou niet gewoon verdrinken onder twintig ton beton. Waarom heeft ze niks gezegd?”
“Zou het iets hebben uitgemaakt?” vroeg de opzichter schor. “Je zou toch zijn blijven storten.”
“Hoe is ze in dat gat gekomen?” zei de chauffeur, om van onderwerp te veranderen.
“Hoe moet ik dat in jezusnaam weten? Ze moet gevallen zijn…”
“En dat multiplex over zich heen hebben getrokken zeker,” zei Barney, die duidelijk goed bij de tijd was. “Ze is vermoord.”
“Ja, dat weten we nu wel,” schreeuwde de opzichter. “Ze is vermoord door Chris hier. Ik zei dat hij moest stoppen met storten. Je hebt me gehoord. Iedereen binnen een kilometer omtrek heeft me gehoord, maar Chris niet. Nee, hij moest zo nodig – ”
“Ze is vermoord vóór ze in de put is gemikt,” zei Barney.
“Die plaat zou daar niet gelegen hebben als ze er zelf in was gevallen.”
De opzichter veegde zijn gezicht af met zijn zakdoek en keek naar de plaat multiplex. “Daar zit iets in,” mompelde hij. “Niemand kan zeggen dat we geen goede veiligheidsmaatregelen getroffen hebben. Je hebt gelijk. Ze moet vermoord zijn. O, mijn god!”
“Crime passionnel, denk ik,” zei Barney. “Verkracht en gewurgd. Of iemand had genoeg van zijn vrouw. Ze was helemaal verfrommeld en die hand…Ik zal die hand nooit vergeten.”
De opzichter staarde hem woedend aan en had blijkbaar moeite zijn gevoelens tot uitdrukking te brengen. Dat gold ook voor Wilt. Hij liep terug naar zijn bureau en bleef met zijn hoofd in zijn handen zitten, terwijl de klas uit het raam staarde en probeerde te verstaan wat er gezegd werd. Even later klonken in de verte sirenes, die snel naderden. Eerst arriveerde een politieauto, toen raceten vier brandweerwagens de parkeerplaats op en als laatste volgde een ambulance. Terwijl steeds meer mensen in uniform zich verzamelden rond wat ooit een gat in de grond was geweest, werd duidelijk dat de pop erin krijgen heel wat gemakkelijker was geweest dan haar eruit halen.
“Dat beton wordt binnen twintig minuten hard,” zei de chauffeur toen voor de zoveelste keer om een pomp werd geroepen. Een politie-inspecteur en de brandweercommandant staarden naar de put.
“Heeft u werkelijk het lichaam van een vrouw gezien?” vroeg de inspecteur. “Bent u daar absoluut zeker van?”
“Zeker?” piepte de opzichter. “Honderd procent zeker! U denkt toch niet…Zeg het, Barney. Hij heeft haar ook gezien.”
Barneys relaas tegen de inspecteur was zelfs nog plastischer dan eerst. “Ze had van dat haar, hè, en haar hand stak omhoog alsof ze om hulp vroeg en haar vingers…afschuwelijk, echt. Het zag er niet natuurlijk uit.”
“Dat kan ook moeilijk anders,” zei de inspecteur medelevend. “En er lag een plank op het gat toen u vanochtend arriveerde?”
De sprakeloze voorman gebaarde en Barney liet de plank zien. “Ik heb er nog op gestaan,” zei hij. “Hij lag er, ik zweer het.”
“Het punt is, hoe krijgen we haar eruit?” zei de brandweercommandant. Dat punt werd ook aan de directeur van het bouwbedrijf voorgelegd toen hij op de plaats van het ongeval arriveerde. “Geen idee,” zei hij. “Er bestaat geen gemakkelijke manier om dat beton te verwijderen. Om tien meter diep te komen, zullen we moeten boren.”
Een uur later waren ze nog niet dichter bij een oplossing. Terwijl de automonteurs zich met tegenzin losrukten van het fascinerende tafereel en schoorvoetend naar technisch tekenen gingen, haalde Wilt de ongelezen exemplaren van Shane op en liep in shocktoestand naar de docentenkamer. De enige geruststelling die hij kon bedenken was dat ze er minstens twee of drie dagen over zouden doen om het beton uit te boren en te ontdekken dat wat eerst het lichaam van een vermoorde vrouw had geleken, in werkelijkheid een opblaaspop was. Of was geweest. Wilt betwijfelde of ze nu nog opgeblazen zou zijn. Dat beton had iets verpletterends gehad.