ACHT

De situatie op de boot was ook behoorlijk verpletterend. Ze zaten nog steeds vast op de modderplaat en als klap op de vuurpijl was er iets mis met de motor. Volgens Gaskell was de drijfstang kapot. “Is dat erg?” vroeg Sally.

“Het betekent dat we naar een scheepswerf gesleept zullen moeten worden.”

“Door?”

“Een passerende boot, denk ik,” zei Gaskell. Sally keek naar de lisdodden.

“Een passerende boot?” zei ze. “We zitten hier al een hele nacht en een halve ochtend en tot dusver is er helemaal niets gepasseerd. Zelfs als er wel een boot voorbijkwam, zouden we hem niet kunnen zien door al die kloterige lisdodden.”

“Ik dacht dat je van lisdodden hield.”

“Gisteren,” beet Sally hem toe. “Vandaag betekenen ze alleen dat we onzichtbaar zijn op meer dan vijftien meter afstand. En nu ligt de motor ook nog aan gort! Ik zei toch dat je niet zoveel gas moest geven?”

“Hoe moest ik weten dat de drijfstang daardoor kaduuk zou gaan?” zei Gaskell. “Ik probeerde ons van die modderplaat af te krijgen. Vertel jij maar hoe ik dat moet doen zonder die klotemotor te laten draaien.”

“Je zou overboord kunnen stappen en duwen.” Gaskell keek naar het water. “Ik zou overboord kunnen stappen en verdrinken,” zei hij.

“Dan zouden we lichter zijn,” zei Sally. “We moeten allemaal offers brengen en jij zei dat we door het getij weer vlot zouden komen.”

“Ik heb me vergist. Dat daar is zoet water en dat betekent dat het getij niet tot hier reikt.”

“En daar kom je nu mee. Eerst zaten we in de Kikkergracht…”

“Sloot,” zei Gaskell.

“…Kikkerweetikveel, toen zaten we in de Grietpias en waar zitten we nu in godsnaam?”

“In de puree,” zei Gaskell.

In de kajuit was Eva druk bezig. Er was niet veel ruimte om druk bezig te zijn, maar de ruimte die er was, benutte ze optimaal. Ze maakte de kooien op, borg het beddengoed op in de kastjes, schudde de kussens op en leegde de asbakken. Ze veegde de vloer, poetste de tafel, zeemde de ramen, stofte de planken af en maakte alles zo netjes mogelijk, terwijl haar gedachten juist steeds rommeliger en verwarder werden. Tegen de tijd dat ze klaar was, ieder voorwerp op zijn plaats stond en de hele kajuit was opgeruimd, was ze totaal confuus en wist ze niet meer wat ze waarvan dan ook moest denken.

De Pringsheims waren vreselijk gesofisticeerd en rijk en intellectueel en zeiden de hele tijd gevatte dingen, maar ze maakten constant ruzie, zaten steeds op elkaar te katten, waren eerlijk gezegd totaal onpraktisch en hadden geen flauw benul van hygiëne. Gaskell waste niet eens zijn handen als hij naar het toilet was geweest en Joost mocht weten wanneer hij zich voor het laatst geschoren had. En dan de manier waarop ze uit Rossiter Grove waren vertrokken zonder op te ruimen, terwijl de woonkamer na het feestje vol stond met kopjes en zo. Dat had Eva echt geschokt. Ze zou haar huis nooit in zo’n toestand hebben achtergelaten. Dat had ze ook tegen Sally gezegd, maar volgens Sally was dat het toppunt van burgerlijkheid, hadden ze het huis toch alleen maar voor de zomer gehuurd en was het typerend voor een mannelijk georiënteerde maatschappij om van een vrouw huishoudelijke dienstbaarheid te verwachten zodra je een relatie met haar aanging. Eva probeerde haar te volgen, maar voelde zich na afloop schuldig omdat ze dat niet kon en het blijkbaar beneden je waardigheid was om je huis aan kant te willen houden.

En dan had je Henry en wat hij met die pop had gedaan. Het was helemaal niets voor Henry en hoe meer ze erover nadacht, hoe minder het iets voor Henry werd. Hij moest dronken zijn geweest, maar zelfs dan…zonder kleren aan? En hoe was hij aan die pop gekomen? Ze had het aan Sally gevraagd en tot haar ontzetting gehoord dat Gaskell kickte op plastic en het heerlijk vond om spelletjes te spelen met Judy. Zo waren mannen nu eenmaal, vandaar dat de enige betekenisvolle relaties die tussen vrouwen onderling waren, omdat vrouwen hun viriliteit niet hoefden te bewijzen door openlijke daden van seksueel geweld. Tegen de tijd dat Sally was uitgepraat, zat Eva verstrikt in een doolhof van woorden die ze niet begreep maar die heel gewichtig klonken en hadden ze nog een sessie tast-therapie gedaan.

Dat was ook zoiets. Tasttherapie. Ze wist nog steeds niet wat ze ervan moest denken. Volgens Sally was ze nog altijd geremd en had ze geen emotionele en sensuele volwassenheid bereikt. Eva worstelde met haar gemengde gevoelens. Aan de ene kant wilde ze niet emotioneel en sensueel onvolwassen zijn. Eva ging ervan uit dat een medicijn effectiever was naarmate het viezer smaakte, en gemeten naar de afkeer die ze voelde als ze naakt in de armen van een andere vrouw lag, ging haar psychoseksuele gedragspatroon met sprongen vooruit. Aan de andere kant was ze er niet van overtuigd dat tasttherapie wel echt netjes was. Alleen door een aanzienlijke hoeveelheid wilskracht wist ze haar bezwaren te overwinnen, maar desondanks bleef de twijfel knagen. Was het wel fatsoenlijk om zo sensueel betast te worden? Het was allemaal erg verwarrend en als klap op de vuurpijl gebruikte ze nu de pil. Daar had Eva grote bezwaren tegen gehad. Ze had erop gewezen dat Henry en zij altijd kinderen hadden gewild, maar Sally had erop gestaan.

“Eva, schatje,” had ze gezegd, “met Gaskell weet je het nooit. Soms doet hij maanden niks en dan, boem, spuit hij links en rechts. Hij kan totaal niet onderscheiden.”

“Maar ik dacht dat jullie samen zoiets moois hadden,” zei Eva.

“O, zeker. Een doodenkel keertje. Geleerden sublimeren en G leeft gewoon voor plastic. En we willen je toch niet terug laten gaan naar Henry met G’s genen in jouw eicel?”

“Alsjeblieft niet,” zei Eva ontsteld. Na het ontbijt had ze de pil ingenomen, voor ze naar de minuscule kombuis ging om af te wassen. Het was allemaal zo anders dan transcendente meditatie en pottenbakken.

Aan dek ruzieden Sally en Gaskell nog steeds.

“Wat schotel je dat rondborstige rund allemaal voor?” vroeg Gaskell.

“Tasttherapie. Lichaamscontact. Sensuele emancipatie,” zei Sally. “Ze is seksueel misdeeld.”

“Geestelijk ook. Ik heb al heel wat stomkoppen ontmoet, maar zij slaat alles. Maar ik bedoelde trouwens die pillen bij het ontbijt.”

Sally glimlachte. “O, die,” zei ze.

“Ja, die. Verdoof je het weinige verstand dat ze nog heeft?” zei Gaskell. “We hebben al genoeg problemen zonder dat Moby Dick gaat trippen.”

“Orale anticonceptie, schat. Gewoon de pil, meer niet.”

“De pil? Waarom in godsnaam? Ik raak haar nog niet met een gesteriliseerde roei spaan aan.”

“Gaskell, liefje, wat ben je naïef. Voor de authenticiteit, de pure authenticiteit. Mijn relatie met haar wordt er zoveel echter door. Alsof je een condoom om een dildo doet.”

Gaskell staarde haar aan. “Jezus. Je wilt toch niet zeggendat je…”

“Nog niet. Alexander de Grote zit nog in zijn tasje, maar binnenkort, als ze wat meer geëmancipeerd is…” Ze glimlachte weemoedig verlangend naar de lisdodden. “Misschien is het niet zo erg dat we hier vastzitten. Nu hebben we zoveel tijd, zoveel heerlijke tijd, en jij kunt naar je eendjes kijken…”

“Waadvogels,” zei Gaskell. “En we krijgen een joekel van een boete als we dit ding niet op tijd terugbrengen bij de jachthaven.”

“Boete?” zei Sally. “Je bent niet goed snik. Je denkt toch niet dat we voor deze roestbak betalen?”

“Maar je hebt hem gehuurd in de jachthaven. Je wilt toch niet zeggen dat je die boot zomaar hebt meegenomen?” zei Gaskell. “Jezus, dat is diefstal!”

Sally lachte. “O, G, doe niet opeens zo moreel. Je jat wel boeken uit de bibliotheek en chemicaliën uit het lab, maar als het op boten aankomt sta je op je achterste benen.”

“Boeken zijn anders,” zei Gaskell fel.

“Ja,” zei Sally, “voor boeken draai je de bak niet in. Dat is er anders aan. Maar als je wilt geloven dat ik die boot gestolen heb, ga je je gang maar.”

Gaskell pakte een zakdoek en veegde zijn bril schoon. “Heb je hem niet gestolen?” zei hij uiteindelijk.

“Ik heb hem geleend.”

“Geleend? Van wie?”

“Schei.”

“Scheimacher?”

“Ja. Hij zei dat we hem altijd mochten lenen, dus dat hebben we nu gedaan.”

“Weet hij ervan?”

Sally zuchtte. “Hoor eens, hij is in India bezig sperma met kerrie te maken. Wat doet het ertoe of hij het weet of niet? Tegen de tijd dat hij terugkomt, zitten wij weer in de States.”

“Christus,” verzuchtte Gaskell. “Vandaag of morgen belanden we door jou nog eens tot over onze oren in de stront.”

“Gaskell, schatje, soms wordt je overbezorgdheid een beetje vermoeiend.”

“O ja? Nou, ik maak me vooral bezorgd over jouw houding ten opzichte van andermans bezit.”

“Bezit is diefstal.”

“Ja ja. Probeer dat de smerissen maar wijs te maken als ze je te pakken krijgen. Ik heb gehoord dat de politie hier werk maakt van diefstal.”

De politie maakte ook werk van het lichaam van een volslanke vrouw die blijkbaar vermoord was en begraven onder twintig ton snel uithardend beton. Dat ze volslank was, hadden ze van Barney gehoord. “Ze had grote borsten,” legde hij uit toen hij voor de zevende keer zijn relaas deed. “En haar hand stak omhoog  – ”

“Ja, dat van die hand weten we nu wel,” zei inspecteur Flint. “Daar hebben we het eerder over gehad, maar dit is de eerste keer dat u iets over borsten zegt.”

“Ik werd vooral getroffen door die hand,” zei Barney. “Ik bedoel, in zo’n situatie denk je niet meteen aan borsten.”

De inspecteur wendde zich tot de opzichter. “Had u ook oog voor de borsten van het slachtoffer?” vroeg hij. De opzichter schudde zijn hoofd. Hij was niet meer tot spreken in staat.

“Dus het betreft hier een welgeschapen vrouw…Hoe oud, zou u zeggen?”

Barney krabde peinzend aan zijn kin. “Niet oud,” zei hij is ten slotte. “Beslist niet oud.”

“In de twintig?”

“Zou kunnen.”

“In de dertig?”

Barney haalde zijn schouders op. Hij probeerde zich iets te herinneren. Iets wat hij vreemd had gevonden.

“Maar beslist niet in de veertig?”

“Nee,”zei Barney. “Jonger dan dat.” Hij zei het nogal aarzelend.

“U bent niet erg nauwkeurig,” zei inspecteur Flint.

“Dat kan ik ook niet helpen,” zei Barney klaaglijk. “Als je opeens een vrouw ziet in een joekel van een gat terwijl er beton over haar heen gutst, vraag je niet hoe oud ze is.”

“Natuurlijk. Dat besefik, maar denk toch nog even na. Was er iets bijzonders aan haar?”

“Iets bijzonders? Nou, die hand, hè…”

Inspecteur Flint zuchtte. “Ik bedoel iets ongewoons aan haar verschijning. Haar haar, bijvoorbeeld. Wat had dat voor kleur?”

Plotseling schoot het Barney weer te binnen. “Ja, dat was het,” zei hij triomfantelijk. “Haar haar zat scheef.”

“Nou, dat kan ook haast niet anders, hè? Als je een vrouw in een tien meter diepe funderingsput gooit, raakt haar haar wel een beetje in de war.”

“Nee, dat niet. Het zat schuin op haar hoofd en het was helemaal plat. Alsof ze een klap had gekregen.”

“Waarschijnlijk heeft ze inderdaad een klap gehad. Als het waar is wat u zegt over die houten plaat die nog op zijn plaats lag, is ze niet zelf in het gat gesprongen. Maar kunt u geen preciezere aanduiding geven over haar leeftijd?”

“Tja,” zei Barney, “sommige stukjes leken jong en andere stukjes niet. Meer kan ik er niet over zeggen.”

“Welke stukjes?” vroeg de inspecteur, vurig hopend dat Barney niet wéér over die hand zou beginnen.

“Nou, haar benen pasten niet bij haar tieten, als u begrijpt wat ik bedoel.” Dat deed inspecteur Flint niet. “Ze waren dun en frommelig.”

“Wat? Haar benen of haar tieten?”

“Haar benen, natuurlijk,” zei Barney. “Ik zei toch dat ze van die prachtige grote…”

“We behandelen dit als een geval van moord,” zei inspecteur Flint tien minuten later tegen de rector. Die zat achter zijn bureau en dacht vertwijfeld aan de ongunstige publiciteit.

“Bent u ervan overtuigd dat het geen ongeluk kan zijn geweest?”

“Tot dusver wijst ons onderzoek niet op een dodelijk ongeval,” zei de inspecteur. “Maar daar kunnen we pas uitsluitsel over geven als we het lichaam bereikt hebben en dat kan nog wel een tijdje duren.”

“Een tijdje?” zei de rector. “Dus u krijgt haar er vanochtend niet uit?”

Inspecteur Flint schudde zijn hoofd. “Geen sprake van,” zei hij. “We overwegen twee methodes om bij het lichaam te komen en die zullen allebei verscheidene dagen in beslag nemen. De ene is om door het beton heen te boren en de andere om naast de oorspronkelijke put nog een schacht te graven en te proberen haar zijdelings te bereiken.”

“Goeie god,” zei de rector, die op de kalender keek. “Dat houdt in dat u verscheidene dagen aan het graven zult zijn.”

“Onvermijdelijk, ben ik bang. De dader is grondig te werk gegaan. Maar we zullen proberen zo onopvallend mogelijk te doen.”

De rector zag vanuit zijn raam vier politiewagens, een brandweerauto en een blauw busje. “Werkelijk bijzonder onfortuinlijk,” prevelde hij.

“Dat is moord altijd,” zei de inspecteur en hij stond op. “Vooral voor het slachtoffer. We sluiten het bouwterrein voorlopig af en hopen op uw medewerking.”

“Wat u maar wilt,” zei de rector met een zucht.

In de docentenkamer riep de aanwezigheid van zoveel mannen in uniform die in een funderingsput tuurden gemengde reacties op, evenals het tiental agenten dat het bouwterrein uitkamde en nu en dan iets in een envelop stopte, maar de komst van een donkerblauwe bus gaf de doorslag.

“Dat is een mobiel hoofdkwartier moordzaken,” legde Peter Fenwick uit. “Naar het schijnt heeft een of andere maniak een vrouw begraven in zo’n funderingsput.”

Nieuw links, dat in een achterdochtig groepje bijeen stond en zich nu al vervolgd begon te voelen door al die paramilitaire fascistische zwijnen, slaakte een spijtige zucht omdat hen een martelaarsrol was ontnomen, maar hun twijfels bleven.

“Nee, serieus,” zei Fenwick. “Ik heb gevraagd wat ze aan het doen waren. Ik dacht dat het om een bommelding ging…”

Dr. Cox, hoofd wetenschappen, bevestigde dat. Zijn kantoor keek precies uit op de put. “Het is vreselijk om aan te denken,” zei hij. “Iedere keer als ik uit het raam kijk, besef ik hoe ze geleden moet hebben.”

“Wat zouden ze in die enveloppen doen?” vroeg dr. Mayfield.

“Aanwijzingen,” zei dr. Board vergenoegd. “Haren. Stukjes huid. Bloedsporen. De gebruikelijke kruimels die achterblijven na een gewelddadig misdrijf.”

Dr. Cox verliet haastig de kamer en dr. Mayfield snoof afkeurend. “Weerzinwekkend,” zei hij. “Zou er geen vergissing in het spel kunnen zijn? Ik bedoel, waarom zou iemand hier een vrouw vermoorden?”

Dr. Board nam een slokje koffie en keek hem weemoedig verlangend aan. “Ik kan zo twintig redenen bedenken,” zei hij. “Er zitten minstens tien vrouwen in mijn avondklas die ik met liefde dood zou willen slaan en in een put gooien. Sylvia Swansbeck, bijvoorbeeld.”

“De dader moet geweten hebben dat ze vandaag beton gingen storten,” zei Fenwick. “Volgens mij heeft iemand van school het gedaan.”

“Een van onze minder gemotiveerde studenten, misschien,” opperde dr. Board. “Ze hebben zeker nog geen tijd gehad om na te gaan of er een docent vermist wordt?”

“Waarschijnlijk heeft het niets met de school te maken,” zei dr. Mayfield. “Een maniak…”

“Kom, kom. Ere wie ere toekomt,” viel dr. Board hem in de rede. “Er is duidelijk een zekere mate van planning aan te pas gekomen. Wie de moordenaar ook was – of is – hij heeft zijn daad zorgvuldig beraamd. Wat mij verbaast, is dat hij geen modder over die arme vrouw heeft geschept. Dan zou ze nooit gezien zijn. Waarschijnlijk was hij het wel van plan, maar werd hij gestoord voor hij het kon doen. Een van die kleine spelingen van het noodlot.”

In de hoek van de docentenkamer dronk Wilt zijn koffie, in het besef dat hij de enige was die niet uit het raam staarde. Wat moest hij doen? Het verstandigste zou zijn om naar de politie te gaan en uit te leggen dat hij getracht had zich van een opblaaspop te ontdoen. Maar zouden ze hem geloven? Waarom had hij haar dan aangekleed en een pruik opgezet? En waarom had hij haar opgeblazen?

Waarom had hij haar niet gewoon weggegooid? Hij zat net de voors en tegens van dat argument af te wegen toen het hoofd techniek binnenkwam en verkondigde dat de politie van plan was naast de oorspronkelijke put nog een gat te graven in plaats van door het beton omlaag te boren.

“Waarschijnlijk zullen ze stukjes van haar uit de zijkant zien steken,” legde hij uit. “Ze hield blijkbaar één arm omhoog en je hebt kans dat die tegen de zijwand van de put is gedrukt toen al dat beton op haar neerkwam. Zo gaat het sneller.”

“Ik zie eerlijk gezegd niet in waarom haast geboden is,” zei dr. Board. “Het lijkt me dat ze behoorlijk goed bewaard moet zijn onder al dat beton. Gemummificeerd, zou ik denken.”

Dat betwijfelde Wilt in zijn hoekje. Zelfs Judy, die toch een bijzonder veerkrachtige pop was geweest, zou nauwelijks weerstand hebben kunnen bieden aan de druk van al dat beton. Ze was ongetwijfeld uit elkaar geklapt en in dat geval zou de politie alleen een lege plastic arm vinden. Het was onwaarschijnlijk dat ze de moeite zouden nemen een gebarsten opblaaspop uit te graven.

“En nog iets,” vervolgde het hoofd techniek. “Als die arm uitsteekt, kunnen ze meteen vingerafdrukken nemen.”

Wilt glimlachte. Eén ding dat ze bij Judy niet zouden aantreffen waren vingerafdrukken. Hij dronk de rest van zijn koffie wat opgewekter op en ging naar een klas Directiesecretaresses. Ze waren helemaal vol van de moord.

“Zou het een lustmoord zijn geweest?” vroeg een kleine blondine op de voorste rij toen Wilt exemplaren van This Island Now uitdeelde. Hij had gemerkt dat het hoofdstuk over de Wisselvalligheden van de Adolescentie directiesecretaresses aansprak. Het ging over seks en geweld en was uit de tijd, maar dat waren directiesecretaresses ook. Vandaag was het boek niet nodig.

“Volgens mij is het helemaal geen moord geweest,” zei Wilt, die aan zijn bureau ging zitten.

“Jawel. Ze hebben het lichaam van een vrouw gezien,” hield de kleine blondine vol.

“Ze dachten dat ze iets zagen wat op het lichaam van een vrouw leek,” zei Wilt. “Dat betekent niet dat er ook een vrouw wás. De verbeelding speelt ons vaak parten.”

“De politie denkt er anders over,” zei de fors uit de kluiten gewassen dochter van een zakenman. “Anders hadden ze al die moeite niet gedaan. Er is ooit een moord gepleegd bij ons op de golfbaan, en het enige dat ze terugvonden waren in stukken gesneden lichaamsdelen die in de waterhindernis bij de vijftiende hole waren gegooid. Ze lagen er al een halfjaar. Iemand gaf een bal verkeerd effect bij de twaalfde hole en hij viel in de vijver. Ze visten eerst een voet op, groen en gezwollen…” Een bleek meisje uit Wilstanton viel flauw op de derde rij. Tegen de tijd dat Wilt haar had bijgebracht en met haar naar de ziekenkamer was gegaan, had de klas het over beroemde moordenaars en zuurbaden.

“…en het enige dat ze terugvonden waren haar kunstgebit en haar nierstenen.”

“Je schijnt een hoop over moord te weten,” zei Wilt tegen het forse meisje.

“Papa speelt bridge met de hoofdcommissaris,” legde ze uit. “Hij komt bij ons eten en kan prachtig vertellen. Hij vindt dat ze de strop weer moeten invoeren.”

“Dat geloof ik graag,” zei Wilt grimmig. Het was typerend voor directiesecretaresses dat ze hoofdcommissarissen kenden die de strop weer wilden invoeren. Bij directiesecretaresses ging het altijd over mammie en pappie of over paarden.

“En van ophangen voel je trouwens niets,” zei het meisje. “Volgens sir Frank kan een goede beul een man binnen twintig seconden uit de dodencel halen, op het luik zetten met de strop om zijn nek en de hendel overhalen.”

“Waarom het voorrecht beperken tot mannen?” vroeg Wilt bitter. De klas keek hem verwijtend aan.

“De laatste vrouw die is opgehangen was Ruth Ellis,” zei de blondine op de voorste rij.

“En met vrouwen gaat het trouwens anders,” zei het forse meisje.

“Hoezo?” vroeg Wilt onverstandig genoeg.

“Langzamer.”

“Langzamer?”

“Ze moesten mevrouw Thomson vastbinden aan een stoel,” deed de blondine een duit in het zakje. “Ze gedroeg zich schandelijk.”

“Ik moet zeggen dat jullie er vreemde opinies op nahouden,” zei Wilt. “Het is natuurlijk schandelijk dat een vrouw haar man vermoordt, maar het feit dat ze zich verzet als ze haar terecht willen stellen, vind ik helemaal niet schandelijk. Naar mijn idee…”

“Het is niet alleen dat,” viel het forse meisje hem onverbiddelijk in de rede.

“Wat niet?”

“Dat het langzamer gaat met vrouwen. Ze moeten een waterdichte broek dragen.”

Wilt keek haar vol afkeer aan. “Een waterdichte wat?” vroeg hij zonder erbij na te denken.

“Een waterdichte broek,” zei het meisje.

“Lieve god,” zei Wilt.

“Als ze aan het eind van het touw komen, valt hun binnenste eruit,” zei het forse meisje, dat daarmee de genadeklap toediende. Wilt staarde haar verwilderd aan en strompelde het lokaal uit.

“Wat heeft hij?” zei het meisje. “Je zou denken dat ik iets smerigs had gezegd.”

In de gang leunde Wilt tegen de muur. Hij voelde zich misselijk. Die klotenmeisjes waren nog erger dan gasfitters. Gasfitters strooiden tenminste niet met walgelijke anatomische details, en dat terwijl directiesecretaresses allemaal uit zogenaamde keurige families kwamen. Tegen de tijd dat hij zich weer sterk genoeg voelde om hen het hoofd te bieden, was het uur afgelopen. Wilt ging schaapachtig het lokaal bi nnen en haalde de boeken op.

“Zegt de naam Wilt u iets? Henry Wilt?” vroeg de inspecteur.

“Wilt?” zei de conrector, die opdracht had gekregen zich met de politie bezig te houden terwijl de rector wanhopig probeerde de ongunstige publiciteit die door het verschrikkelijke voorval was veroorzaakt ongedaan te maken. “Ja, natuurlijk. Hij doceert kunst en literatuur. Hoezo? Is er…”

“Als u het niet erg vindt zou ik hem even willen spreken. Onder vier ogen.”

“Maar Wilt zou geen vlieg kwaad doen,” zei de conrector. “Ik weet zeker dat hij u niet kan helpen.”

“Misschien niet, maar toch…”

“Wilt u suggereren dat Henry Wilt iets te maken heeft gehad met…” De conrector zweeg en bestudeerde de uitdrukking van de inspecteur. Die was onheilspellend nietszeggend.

“Ik treed liever niet in details,” zei inspecteur Flint. “En het lijkt me beter geen voorbarige conclusies te trekken.”

De conrector pakte de telefoon. “Wilt u dat hij naar dat…eh…busje komt?” vroeg hij.

Inspecteur Flint schudde zijn hoofd. “We doen liever zo onopvallend mogelijk. Als u een leeg kantoor heeft…”

“Hiernaast is een kantoor dat u kunt gebruiken.”

Wilt zat in de kantine met Peter Braintree toen de secretaresse van de conrector binnenkwam met een boodschap.

“Kan het niet wachten?” vroeg Wilt.

“Het was bijzonder dringend.”

“Waarschijnlijk is je vaste aanstelling er eindelijk door,” zei Peter Braintree opgewekt. Wilt slikte zijn laatste stukje gehaktbal door en stond op.

“Dat betwijfel ik,” zei hij. Bleekjes verliet hij de kantine en liep de trap op. Hij vermoedde dat promotie wel het laatste was waarover de conrector hem wilde spreken.

“Zo, meneer,” zei de inspecteur toen ze in het kantoor zaten, “mijn naam is Flint. Inspecteur Flint van de recherche. U bent de heer Wilt? Henry Wilt?”

“Ja,”zei Wilt.

“Wel, meneer Wilt, zoals u misschien begrepen heeft stellen we een onderzoek in naar de vermeende moord op een vrouw wier lichaam mogelijk op de bodem van een van de funderingsputten voor het nieuwe administratiegebouw ligt. Waarschijnlijk heeft u daar wel iets over gehoord.” Wilt knikte. “Uiteraard zijn we geïnteresseerd in alles wat ons daarbij zou kunnen helpen. Zoudt u even naar deze aantekeningen willen kijken?”

Hij gaf Wilt een stuk papier. Bovenaan stond ‘Aantekeningen over Geweld en het Uiteenvallen van het Gezin,’ gevolgd door een aantal onderkoppen.

1. Toenemende mate van geweld in het openbare leven om politieke doeleinden te verwezenlijken:

a) Bomaanslagen

b) Kapingen

c) Ontvoeringen

d) Moord

2. Onvermogen van politie bij bestrijden van geweld.

a) Negatieve aanpak. Politie kan pas reageren nadat misdaad heeft plaatsgevonden.

(b) Gebruik van geweld door politie zelf.

c) Laag intelligentiepeil gemiddelde politieman.

d) Gebruik van steeds verfijndere methodes door criminelen, zoals afleidingsmanoeuvres e.d.

3. Invloed van de media. Tv leert iedereen hoe misdaad te begaan.

Er was nog meer. Veel meer. Met een onheilspellend gevoel bekeek Wilt de lijst.

“Herkent u het handschrift?” vroeg de inspecteur.

“Inderdaad,” zei Wilt, die nogal voorbarig de formele taal van de rechtbank gebruikte.

“Geeft u toe dat u dit heeft geschreven?” De inspecteur pakte de aantekeningen weer terug.

“Ja.”

“Zijn ze representatief voor uw opvattingen over de politie?”

Wilt vermande zich. “Het zijn notities voor een cursus die ik aan brandweermannen in opleiding moest geven,” legde hij uit. “Gewoon ruwe ideeën, die natuurlijk nog uitgewerkt moesten worden…”

“Maar u ontkent niet dat u dit heeft geschreven?”

“Natuurlijk niet. Dat zei ik toch?”

De inspecteur knikte en pakte een boek. “Is dit ook van u?”

Wilt keek naar Bleak House. “Dat staat erin.”

Inspecteur Flint sloeg de omslag open. “Inderdaad,” zei hij quasi-verbaasd, “inderdaad.”

Wilt staarde hem aan. Het had geen zin nog langer te doen alsof. Hij kon het maar beter zo gauw mogelijk achter de rug hebben. Ze hadden dat stomme boek in het fietsmandje gevonden en die aantekeningen moesten op het bouwterrein uit zijn zak gevallen zijn.

“Hoor eens, inspecteur,” zei hij. “Ik kan alles uitleggen. Eigenlijk is het heel simpel. Ik ben inderdaad op dat bouwterrein geweest…”

De inspecteur stond op. “Meneer Wilt, als u bereid bent een verklaring af te leggen moet ik u waarschuwen…”

Wilt ging naar het mobiele hoofdkwartier moordzaken en legde een verklaring af in aanwezigheid van een politie-stenograaf. Zijn gang naar het blauwe busje en het feit dat hij niet meer naar buiten kwam bleef niet onopgemerkt door de stafleden die lesgaven in het wetenschapsgebouw, de studenten in de kantine en de vijfentwintig collega’s die in de docentenkamer voor het raam stonden.