VEERTIEN
Op school was er geen sprake van het slachten van het vetgemeste kalf, in ieder geval niet voor Henry Wilt. Het op handen zijnde bezoek van de Nationale Academische Raad, dat waarschijnlijk zou samenvallen met de wederopstanding van wijlen mevrouw Wilt, leidde bijna tot paniek. Het studiecomité vergaderde vrijwel aan één stuk door en er circuleerden zoveel memo’s dat je het ene nog niet uitgelezen had voor het andere arriveerde.
“Kunnen we het bezoek niet uitstellen?” vroeg dr. Cox. “Ik kan moeilijk op mijn kantoor over bibliografieën spreken als buiten stukjes van mevrouw Wilt worden opgegraven.”
“Ik heb de politie gevraagd zo onopvallend mogelijk te doen,” zei dr. Mayfield.
“Met opvallend weinig succes,” zei dr. Board. “Ze zouden moeilijk nóg nadrukkelijker aanwezig kunnen zijn. Op dit moment staan er tien tegelijk in dat gat te turen.”
De conrector sneed een vrolijker onderwerp aan. “Gelukkig zijn we erin geslaagd de elektriciteit van de kantine weer aan te sluiten,” zei hij. “We zouden onze bezoekers dus een goede lunch moeten kunnen bieden.”
“Ik hoop dat ik iets naar binnen krijg,” zei dr. Cox. “Alle ophef van de laatste dagen heeft mijn eetlust geen goed gedaan en als ik aan die arme mevrouw Wilt denk…”
“Probeer niet aan haar te denken,” zei de conrector, maar dr. Cox schudde zijn hoofd.
“Probeert u maar eens niet aan haar te denken terwijl er de hele dag een enorme boorkraan voor uw raam op los draait.”
“Dat is nog zoiets,” zei dr. Board. “Ik snap niet hoe de bestuurder van die mechanische kurkentrekker aan elektrocutie is ontsnapt toen ze die kabel doorsneden.”
“Gezien de problemen waarmee we geconfronteerd worden, geloof ik niet dat dat momenteel relevant is,” zei dr. Mavfield. “Wat we tegenover de…moeten benadrukken, is dat deze studierichting een geïntegreerde aanpak combineert met een fundamentele substructuur die thematisch gebaseerd is op een versmelting van culturele en sociologische factoren die alleen in de optiek van oppervlakkige geesten ongelijksoortig zijn, en tegelijkertijd voorzien van een academische inhoud die bij onze studenten zal leiden tot een intellectuele en cerebrale…”
“Coma?” opperde dr. Board.
Dr. Mavfield keek hem venijnig aan. “Dit is niet het moment om grappig te doen,” zei hij boos. “Of we staan achter die nieuwe studie óf niet. We hebben nog maar tot morgen de tijd om onze tactische benadering van de te structureren. Wat zal het zijn?”
“Wat zal wat zijn?” vroeg dr. Board. “Wat heeft het feit of wij al dan niet achter die nieuwe studie staan te maken met het structureren, bij gebrek aan veel betere woorden, van onze zogenaamde tactische benadering van een stel mensen dat óns benadert, aangezien ze helemaal vanuit Londen hierheen komen en niet andersom.”
“Meneer de conrector,” zei dr. Mavfield, “ik moet toch echt protesteren. De houding van dr. Board is in dit late stadium volkomen onbegrijpelijk. Als dr. Board…”
“Als dr. Mayfield het jargon dat hij voor zijn moedertaal houdt ook maar enigszins zou kunnen doorgronden, zou hij misschien in een betere positie verkeren om zijn mening te geven,” viel dr. Board hem in de rede. “Nu slaat ‘volkomen onbegrijpelijk’ hoogstens op de zinsbouw van dr. Mavfield en niet op mijn houding. Ik heb altijd beweerd…”
“Heren,” zei de conrector, “het lijkt me verstandig het gekissebis tussen de afdelingen onderling voorlopig te laten voor wat het is en terzake te komen.”
Er volgde een stilte, die uiteindelijk verbroken werd door dr. Cox. “Zou de politie geen scherm rond die put kunnen plaatsen?” vroeg hij.
“Die suggestie zal ik hen zeker aan de hand doen,” zei dr. Mayfield. Ze gingen over op het vraagstuk van eten en drinken.
“Er zal ruim voldoende te drinken zijn voor de lunch,” zei de conrector. “Bovendien wordt het eten expres later geserveerd, zodat onze gasten in de juiste stemming kunnen komen. Hopelijk kan het middagprogramma dan bekort worden en zal alles soepel verlopen.”
“Als de afdeling horeca maar geen bloedworst serveert,” zei dr. Board.
De vergadering eindigde in een grimmige sfeer.
Dat gebeurde ook met het onderhoud tussen meneer Morris en de misdaadverslaggever van de Sunday Post.
“Natuurlijk heb ik niet tegen de politie gezegd dat het mijn beleid is om psychopatische moordenaars in dienst te nemen,” schreeuwde hij. “En bovendien dacht ik dat alles wat ik zei strikt vertrouwelijk zou zijn.”
“Maar u heeft wel gezegd dat Wilt volgens u krankzinnig was en dat heel wat docenten kunst en literatuur niet goed snik waren?”
Meneer Morris keek de man vol afkeer aan. “Om misverstanden uit de weg te ruimen: ik heb gezegd dat sommigen…”
“Ze niet allemaal op een rijtje hadden?” suggereerde de journalist.
“Nee!” schreeuwde meneer Morris. “Alleen dat ze, laten we zeggen, een tikje labiel waren.”
“Volgens de politie niet. Zij zeggen, en ik citeer…”
“Het kan me niet schelen wat ik volgens de politie gezegd heb. Ik wéét wat ik wel en niet gezegd heb en als u insinueert…”
“Ik insinueer niets. U heeft verklaard dat de helft van uw docenten stapelgek is en dat probeer ik te verifiëren.”
“Verifiëren?” snauwde meneer Morris. “U legt me woorden in de mond en dat noemt u verifiëren?”
“Heeft u het gezegd of niet? Dat is mijn enige vraag. Ik bedoel, als u een mening geeft over uw docenten…”
“Meneer MacArthur, wat ik van mijn docenten denk is mijn zaak. Het heeft helemaal niets met u of uw schandaalblaadje te maken.”
“Drie miljoen mensen zullen het interessant vinden om zondagochtend uw mening te lezen,” zei meneer MacArthur. “En het zou me niets verbazen als Wilt u een proces aandoet als hij ooit weer wordt vrijgelaten.”
“Een proces? Waarom in godsnaam?”
“Om te beginnen omdat u hem een psychopathische moordenaar hebt genoemd. Vette koppen met HOOFD KUNST EN LITERATUUR NOEMT DOCENT PSYCHOPATHISCHE MOORDENAAR zouden minstens vijftigduizend moeten opleveren. Het zou me verbazen als het minder was.”
Meneer Morris zag zich tot de bedelstaf gebracht. “Zelfs uw krant zou zoiets nooit publiceren,” mompelde hij. “Ik bedoel, Wilt zou u ook een proces aandoen.”
“O, we zijn gewend aan processen wegens smaad. Routine. We betalen ze uit de kleine kas. Als u nou een beetje mee zou werken…” Hij liet de suggestie zweven, zodat meneer Morris hem kon verwerken.
“Wat wilt u weten?” vroeg hij ongelukkig.
“Heeft u geen sappig verhaal voor ons?” vroeg MacArthur. “U weet wel wat ik bedoel, SEKSORGIEËN TIJDENS DE LES. Dat slaat altijd aan. Tieners die liggen te wippen en zo. Als u iets goeds voor ons heeft, vallen wij u niet meer lastig over Wilt.”
“M’n kantoor uit!” schreeuwde meneer Morris.
MacArthur stond op. “Daar zult u spijt van krijgen,” zei hij en hij ging naar de studentenkantine om lasterpraatjes over meneer Morris te verzamelen.
“Geen tests,” zei Wilt onverbiddelijk. “Die zijn onbetrouwbaar.”
“Vindt u?” zei dr. Pittman, psychiater in het ziekenhuis van Fenland en professor in de criminologie.
Dat hij een opvallende schedelafwijking had hielp ook niet.
“Dat lijkt me vanzelfsprekend,” zei Wilt. “Als u me een inktvlek laat zien die me doet denken aan mijn grootmoeder in een plas bloed, zou ik dan echt zo stom zijn dat te zeggen? Mooi niet. Nee, ik zeg dat het een vlinder is die op een geranium zit. En zo gaat het steeds. Als ik besef wat voor associatie iets oproept, zeg ik iets totaal anders. Wat heeft dat voor zin?”
“Je kunt er nog steeds dingen uit afleiden,” zei dr. Pittman.
“Maar dan hoefje toch geen bloed en tranen te zweten over zo’n stomme inktvlek?” zei Wilt. Dr. Pittman maakte een aantekening over Wilts voorliefde voor bloed. “Je kunt ook al veel dingen afleiden uit de vorm van iemands schedel.”
Dr. Pittman poetste grimmig zijn bril op. Hij liet niet graag iets afleiden uit schedelvormen. “Meneer Wilt,” zei hij, “ik ben hier om vast te stellen of u geestelijk normaal bent en of u naar mijn mening in staat bent uw vrouw te vermoorden en zich op een weerzinwekkende en gevoelloze manier van haar lijk te ontdoen. Niets wat u zegt zal mijn objectieve bevindingen beïnvloeden.”
Wilt keek hem perplex aan. “U geeft zichzelf niet veel speelruimte. Nu we afzien van onbetrouwbare hulpmiddelen zoals tests, kunt u zich uitsluitend nog baseren op wat ik zeg. Tenzij u uit wilde gaan van mijn schedelindex. Is dat niet een beetje ouderwets?”
“Meneer Wilt,” zei dr. Pittman, “het feit dat u sadistische trekjes heeft en er genoegen in schept om te spotten met andermans lichamelijke gebreken, brengt me niet automatisch tot de conclusie dat u in staat bent tot moord…”
“Aardig van u,” zei Wilt, “hoewel ik eerlijk gezegd zou denken dat iedereen onder de juiste, of liever gezegd de verkeerde omstandigheden tot moord in staat is.”
Dr. Pittman onderdrukte de aandrang om te zeggen dat hij groot gelijk had. In plaats daarvan glimlachte hij met zijn vooruitstekende kaken. “Zou je zeggen dat je een rationeel mens bent, Henry?” vroeg hij.
Wilt fronste zijn voorhoofd. “Meneer Wilt, als u het niet erg vindt. Dit is misschien geen betaald consult, maar ik geef de voorkeur aan enige formaliteit.”
Dr. Pittmans glimlach verdween. “U heeft mijn vraag niet beantwoord.”
“Nee, ik zou niet zeggen dat ik een rationeel mens ben,” zei Wilt.
“Een irrationeel mens, dan?”
“Noch het een noch het ander. Gewoon een mens.”
“En een mens is het een noch het ander?”
“Dr. Pittman, ik wil me niet op uw vakgebied begeven, maar naar mijn mening is de mens in staat rationeel te denken, maar niet te handelen. De mens is een dier, een ontwikkeld dier, hoewel alle dieren ontwikkeld zijn als we Darwin mogen geloven. Laten we zeggen dat de mens een getemd dier is met wilde elementen…”
“En wat voor dier bent u, meneer Wilt?” zei dr. Pittman. “Een tam of een wild dier?”
“Daar gaan we weer. Die heerlijke, simpele labeltjes waardoor de moderne geest geobsedeerd wordt. Je kunt kiezen uit goed of slecht en goed bestaat niet, zoals die trut van een Sally Pringsheim zou zeggen. Nee, ik ben niet helemaal tam. Vraagt u maar aan mijn vrouw. Zij heeft vast wel een mening over dat onderwerp.”
“In welk opzicht bent u ongetemd?”
“Ik laat scheten in bed, dr. Pittman. Ik laat graag scheten in bed. Noem het de klaroenstoot van de mensaap in me, die op de enig mogelijke manier zijn territorium verdedigt.”
“De enig mogelijke manier?”
“U heeft Eva niet ontmoet,” zei Wilt. “Als dat gebeurt, zult u zien dat je je tegen haar moeilijk verdedigen kunt.”
“Voelt u zich gedomineerd door mevrouw Wilt?”
“Ik word gedomineerd door mevrouw Wilt.”
“Speelt ze de baas over u? Neemt ze de dominante rol aan?”
“Eva is, dr. Pittman. Ze hoeft niets aan te nemen. Ze is gewoon.”
“Wat is ze?”
“Daar zit hem de knoop,” zei Wilt. “Welke dag is het vandaag? Je raakt hier je besef van tijd kwijt.”
“Donderdag.”
“Nou, als het donderdag is, is Eva Bernard Leach.”
“Bernard Leach?”
“De pottenbakker, dr. Pittman, de beroemde pottenbakker,” zei Wilt. “Morgen is ze Margot Fonteyn en ‘s zaterdags gaan we bridgen bij de Mottrams, dus is ze Omar Sharif, ‘s-Zondags is ze Elizabeth Taylor of Edna O’Brien, afhankelijk van wat de zondagskranten in petto hebben en als we ‘s middags een eindje gaan rijden is ze Eva Wilt. Het is zo ongeveer de enige keer in de week dat ik haar ontmoet en dat komt omdat ik rij en zij niets te doen heeft, behalve stilzitten en mij aan mijn kop zeuren.”
“Ik begin het patroon te zien,” zei dr. Pittman. “Mevrouw Wilt speelde…speelt graag een rollenspel. Dat leidde tot een instabiele relatie waarbinnen u geen duidelijke en assertieve rol als echtgenoot kon vervullen…”
“Dr. Pittman,” zei Wilt, “een gyroscoop kan en moet zelfs tollen, maar bereikt daardoor een ongeëvenaarde stabiliteit. Als u het principe van de gyroscoop begrijpt, snapt u misschien ook dat het binnen ons huwelijk niet aan stabiliteit ontbreekt. Het is misschien verdomd ongemakkelijk als er thuis een middelpuntvliedende kracht op je wacht, maar onstabiel is het niet.”
“Eerst beweerde u dat mevrouw Wilt geen dominante rol aannam, en nu zegt u dat ze een krachtige persoonlijkheid is.”
“Eva is niet krachtig, maar een kracht. Dat is een verschil. En wat haar persoonlijkheid betreft: ze heeft er zoveel en ze zijn zo gevarieerd dat het moeilijk is om het bij te houden. Laten we het erop houden dat ze zich op haar tijdelijke persoonlijkheden stort met een gedrevenheid die niet altijd toepasselijk is. Herinnert u zich die films met Greta Garbo die een paar jaar geleden op tv waren? Nou, Eva was daarna drie dagen lang La Dame Aux Camélias en maakte van sterven aan tbc zoiets als de Sint-Vitusdans. Over vliegende tering gesproken.”
“Ik begin het te begrijpen,” zei dr. Pittman en hij noteerde dat Wilt een pathologische leugenaar was met sadomasochistische trekjes.
“Ik ben blij dat iemand het begrijpt,” zei Wilt. “Inspecteur Flint denkt dat ik haar en de Pringsheims in een vlaag van moordzucht heb omgebracht en me op een bizarre manier van de lijken heb ontdaan. Hij zei iets over zuur. Ik bedoel, dat is toch idioot? Waar moet je in vredesnaam zoveel salpeterzuur vandaan halen dat je er drie lijken in kunt oplossen, waarvan er een nog te dik is ook? Je moet er niet aan denken.”
“Nee, liever niet,” zei dr. Pittman.
“En zie ik er trouwens uit als een moordenaar?” vervolgde Wilt opgewekt.
“Natuurlijk niet. Als Flint nou had gezegd dat Eva de Pringsheims had afgeslacht, en naar mijn mening had dat al jaren geleden moeten gebeuren, dan had ik hem serieus genomen. God sta de arme hufter bij die toevallig in de buurt is als Eva het in haar hoofd haalt dat ze een befaamde bijlmoordenaar is.”
Dr. Pittman bestudeerde hem roofdierachtig.
“Bedoelt u dat meneer en mevrouw Pringsheim vermoord zijn door uw vrouw?” vroeg hij. “Wilt u dat zeggen?”
“Nee,” zei Wilt. “Ik wil alleen zeggen dat als Eva iets doet, ze het met volle overgave doet. Als ze het huis opruimt, dan wordt er ook echt opgeruimd. Ze is panisch voor bacteriën. Ik zou u verhalen over bleekmiddel kunnen vertellen…”
“Meneer Wilt,” zei dr. Pittman haastig, “het interesseert me niet wat mevrouw Wilt met bleekmiddel doet. Ik ben hier om ü te begrijpen. U copuleert blijkbaar met een plastic pop. Is dat iets gebruikelijks?”
“Iets gebruikelijks?” vroeg Wilt. “Bedoelt u een normale of telkens weerkerende gebeurtenis? Uw opvatting van wat normaal is verschilt misschien van de mijne.”
“Ik bedoel, doet u het vaak?” viel dr. Pittman hem in de rede.
“Vaak?” zei Wilt. “Ik doe het helemaal niet.”
“Maar volgens de politie legde u keer op keer de nadruk op het feit dat deze pop een vagina had.”
“Nadruk? Daar hoefde ik de nadruk niet op te leggen. Het smerige ding was duidelijk zichtbaar.”
“Vindt u vagina’s smerig?” zei dr. Pittman, die zijn prooi volgde naar het vertrouwdere terrein van de seksuele afwijkingen.
“Buiten hun context, ja,” zei Wilt ontwijkend. “En als ze van plastic zijn kun je ze in hun context laten en word ik er nog steeds misselijk van.”
Tegen de tijd dat dr. Pittman klaar was met het gesprek, wist hij niet wat hij moest denken. Hij stond vermoeid op en liep naar de deur.
“U vergeet uw hoed, dokter,” zei Wilt en hij reikte hem aan. “Neemt u me niet kwalijk dat ik het vraag, maar laat u ze speciaal maken?”
“En?” zei inspecteur Flint toen dr. Pittman zijn kantoor binnenkwam. “Wat vindt u?”
“Wat ik vind? Dat die man nooit meer vrij zou moeten komen.”
“Ik bedoel, is hij een psychopathische moordenaar?”
“En ik bedoel dat, hoe hij haar ook vermoord heeft, mevrouw Wilt dankbaar moet zijn geweest dat ze eraan ging. Om twaalf jaar met die man getrouwd te zijn…Goeie god, je moet er niet aan denken.”
“Nou, daar schieten we ook niet veel mee op,” zei de inspecteur toen de psychiater vertrokken was, na de mening te hebben geventileerd dat, hoewel Wilt de geest van een intellectuele sprinkhaan had, hij niet in alle eerlijkheid kon zeggen dat hij een ontoerekeningsvatbare moordenaar was. “We moeten maar afwachten wat er morgen gebeurt.”