TWAALF

In de Palingbocht – Gaskell had zich vergist met kaartlezen en ze zaten helemaal niet in de Kikkersloot of de Grietpias – begon de situatie ook iedereen op de zenuwen te werken. Gaskells pogingen om de motor te repareren hadden het tegenovergestelde effect gehad. De kuip stond vol met olie en zodra je voet aan dek zette, gleed je uit.

“Jezus, G! Je zou nog denken dat we op een booreiland zaten.”

“Die kloterige brandstofleiding!” zei Gaskell. “Ik kreeg hem niet meer vast.”

“Waarom probeerde je dan te starten terwijl hij los zat?”

“Om te kijken of hij verstopt zat.”

“Nou, dat weten we nu dus. En wat wilde je eraan doen? Hier blijven zitten tot het eten opraakt? Je moet iets bedenken.”

“Waarom ik? Kom jij maar eens met een idee.”

“Als je een béétje een kerel was…”

“Godver,” zei Gaskell. “De stem van de geëmancipeerde vrouw. Als het erop aankomt, moet ik plotseling een kerel zijn. Wat heb je, man-vrouw? Als je ons hier weg wilt hebben, zorg jij er maar voor. Vraag mij niet om in een noodgeval een kerel met een grote K te zijn. Ik ben vergeten hoe dat moet.”

“We moeten toch op de een of andere manier hulp kunnen krijgen?” zei Sally.

“Ja, natuurlijk. Klim maar eens in de mast en kijk om je heen. Het enige dat je ziet is een orgie van lisdodden.” Sally klom op het dak van de kajuit en keek naar de horizon.

Die bevond zich tien meter verder en bestond uit een langgerekte rietkraag.

“Ik zie iets wat op een kerktoren lijkt,” zei ze. Gaskell klom ook omhoog en ging naast haar staan.

“Inderdaad, een kerktoren. En wat dan nog?”

“Als we met een lamp flitsen, zien ze ons misschien.”

“Briljant idee. Op een dichtbevolkte plek zoals de top van een kerktoren staan vast hordes mensen te wachten tot wij met een lamp flitsen.”

“Of we kunnen iets in brand steken,” zei Sally. “Dan zien ze de rook en…”

“Ben je gek geworden? Als je iets in brand steekt terwijl hier al die stookolie ronddrijft, zullen ze inderdaad iets zien. Een exploderende motorboot en lijken, bijvoorbeeld.”

“We kunnen een blik met olie vullen, het overboord gooien en weg laten drijven voor we het aansteken.”

“En het riet in de fik steken? Wat ben je in godsnaam van plan? Wil je ons levend verbranden?”

“G, schatje, je werkt niet mee.”

“Ik gebruik mijn hersens, dat is alles,” zei Gaskell. “Als je met zulke slimme ideeën blijft komen, zitten we dadelijk nog erger in de puree dan nu.”

“Ik zou niet weten waarom,” zei Sally.

“Ik zal je zeggen waarom,” zei Gaskell. “Omdat je die kloterige Hesperus hebt gestolen, daarom.”

“Ik heb hem niet gestolen. Ik…”

“Maak dat de smerissen maar wijs. Als je rietvelden in de fik steekt, komen ze ons een heleboel vragen stellen. Zoals wiens boot dit is en hoe het komt dat we met het schip van een ander de hort op zijn…Nee, we moeten hier ongemerkt weg zien te komen.”

Het begon te regenen.

“Daar hadden we nou net behoefte aan. Regen,” zei Gaskell. Sally ging naar de kajuit, waar Eva de boel opruimde na het eten. “G is echt hopeloos. Eerst stranden we door zijn toedoen midden in de rimboe op een modderplaat, dan verneukt hij de motor en nu zegt hij dat hij niet weet wat hij moet doen.”

“Waarom gaat hij geen hulp halen?” vroeg Eva.

“Hoe? Zwemmend? G zou nooit zo ver kunnen zwemmen, al hing zijn leven ervan af.”

“Hij kan het luchtbed nemen en naar open water peddelen,” zei Eva. “Hij hoeft niet te zwemmen.”

“Luchtbed? Zei je luchtbed? Wat voor luchtbed?”

“In het kastje bij de reddingsvesten. Je hoeft het alleen maar op te blazen en…”

“Schatje, wat ben je toch geweldig praktisch,” zei Sally en ze rende naar buiten. “G, Eva heeft een manier gevonden om hulp te halen. Er ligt een luchtbed in het kastje met de reddingsvesten.” Ze rommelde in het kastje en pakte het luchtbed.

“Als je denkt dat ik op dat ding ga liggen, heb je het toch mooi mis,” zei Gaskell.

“Waarom niet?”

“Met dit weer? Heb je wel eens geprobeerd zo’n ding te sturen? Op een zonnige, windstille dag is het al moeilijk genoeg. Nu zou ik meteen het riet in waaien en bovendien kan ik niets zien door de regen op mijn bril.”

“Goed, dan wachten we tot de storm is overgedreven. We weten nu tenminste hoe we hier weg kunnen komen.”

Ze ging weer naar de kajuit en deed de deur dicht. Buiten hurkte Gaskell naast de motor en speelde met de sleutel. Kon hij dat ding nou maar weer aan de praat krijgen.

“Mannen!” zei Sally vol verachting. “Ze beweren dat ze het sterkere geslacht zijn, maar als puntje bij paaltje komt moeten wij vrouwen ze uit de problemen helpen.”

“Henry is ook onpraktisch,” zei Eva. “Hij kan nauwelijks een nieuwe stop inzetten. Ik hoop dat hij zich geen zorgen om me maakt.”

“Hij is de bloemetjes buiten aan het zetten,” zei Sally.

“Henry niet. Hij zou niet weten hoe.”

“Waarschijnlijk maakt hij een nummertje met Judy.”

Eva schudde haar hoofd. “Hij was toen gewoon dronken. Hij heeft zoiets nooit eerder gedaan.”

“Hoe moet jij dat weten?”

“Het is toch mijn man?”

“Je man! Ja ja. Hij gebruikt je alleen om af te wassen en te koken en de boel op te ruimen. Wat geeft hij jou? Vertel me dat eens.”

Eva worstelde woordeloos met haar gedachten. Henry gaf haar niet zoveel. In elk geval niet iets wat ze onder woorden kon brengen. “Hij heeft me nodig,” zei ze uiteindelijk.

“Heeft hij je nodig? Wie heeft dat nodig? Dat is de retoriek van het vrouwelijke feodalisme. Als je iemand het leven redt, moet je die persoon dan dankbaar zijn omdat hij je die kans heeft gegeven? Vergeet Henry. Hij is een zak.”

Eva werd boos. Henry was misschien niet veel, maar ze vond het niet leuk als hij beledigd werd.

“Gaskell is ook niet om over naar huis te schrijven,” zei ze en ging naar de kombuis. Achter haar strekte Sally zich uit in haar kooi en sloeg de uitklapplaat van de Playboy open. “Gaskell heeft pingping,” zei ze.

“Pingping?”

“Geld, schatje. Duiten. De wortel van alle kwaad, bijbels gezegd. Denk je dat ik om zijn knappe uiterlijk met hem getrouwd ben? Welnee. Ik weet wanneer er een miljoen pond voor het oprapen ligt.”

“Ik zou nooit met iemand kunnen trouwen om zijn geld,” zei Eva preuts. “Ik zou van hem moeten houden, echt.”

“Dus je hebt te veel slechte films gezien. Denk je dat Gaskell van mij hield?”

“Ik weet niet. Het zal wel.”

Sally lachte. “Eva, liefje, wat ben je naïef. Laat ik je eens iets vertellen over Gaskell. G is een plasticfreak. Hij zou nog een chimpansee neuken als je het beest in plastic stak.”

“O, kom nou. Nee, dat geloof ik niet,” zei Eva.

“Denk je dat ik je zomaar de pil liet slikken? Terwijl jij rondhupste in bikini, stond Gaskell de hele tijd te kwijlen. Als ik er niet geweest was, zou hij je verkracht hebben.”

“Daar zou hij een hele kluif aan hebben gehad,” zei Eva. “Ik heb judo gedaan.”

“Nou, hij zou het geprobeerd hebben. Van plastic wordt hij wild. Waarom denk je dat hij die pop had?”

“Dat heb ik me vaak afgevraagd.”

“Dat hoefje je nu niet meer af te vragen,” zei Sally.

“Ik snap nog steeds niet wat dat te maken heeft met het feit dat je met hem getrouwd bent,” zei Eva.

“Laat ik je een geheim verklappen. Gaskell is naar mij doorverwezen.”

“Doorverwezen?”

“Door dr. Freeborn. Gaskell had een probleempje en ging naar dr. Freeborn en dr. Freeborn stuurde hem naar mij.”

Eva keek haar niet-begrijpend aan. “Wat moest jij dan doen?”

“Ik was een surrogaat,” zei Sally.

“Een surrogaat?”

“Een soort sekstherapeute,” zei Sally. “Dr. Freeborn stuurde me vaak cliënten en die hielp ik dan.”

“Zo’n baantje zou niets voor mij zijn,” zei Eva. “Ik zou niet met mannen over seks kunnen praten. Geneerde je je niet?”

“Je raakt eraan gewend en er zijn wel slechtere manieren om je geld te verdienen. Nou, op een keer kwam G met zijn probleempje. Dat heb ik voor hem opgelost en toen zijn we getrouwd. Een zakelijke regeling. Boter bij de vis.”

“Bedoel je dat je…”

“Ik bedoel dat ik Gaskell heb en dat Gaskell plastic heeft. Een elastische relatie. Een rekbaar huwelijk, zou je kunnen zeggen.”

Eva verwerkte die informatie moeizaam. Ze vond het maar vreemd klinken. “Maakten zijn ouders geen bezwaar?” vroeg ze. “Ik bedoel, heeft hij verteld dat jij hem geholpen had?”

“Bezwaar? Wat konden ze voor bezwaar maken? G zei dat hij me tijdens een vakantiecursus had ontmoet en pa Pringsy’s geile oogjes rolden bijna uit zijn vettige hoofd. Wat had dat dikke mannetje een penisprojectie! Verkopen? Hij kon alles verkopen. Ijskasten aan eskimo’s. Pa accepteerde me, maar ma Pringsheim niet. Ze raasde en tierde, maar dit meisje bleef waar het grote geld was. G en ik gingen terug naar Californië, G studeerde af in plastic en sindsdien zijn we samen biologisch afbreekbaar geweest.”

“Ik ben blij dat Henry niet zo is,” zei Eva. “Ik zou niet kunnen leven met een man die perverse trekjes heeft.”

“G heeft geen perverse trekjes, schatje. Hij is alleen een plasticfreak.”

“Als dat niet pervers is weet ik het niet meer,” zei Eva.

Sally stak een cigarillo op.

“Alle mannen raken ergens opgewonden door,” zei ze. “Ze zijn manipuleerbaar. Je moet alleen hun kleine afwijking vinden. Ik kan het weten.”

“Zo is Henry niet. Anders zou ik het gemerkt hebben.”

“Maar hij naait wel die pop. Zoveel weet je nou van Henry. Je wilt toch niet zeggen dat hij de grote minnaar is?”

“We zijn twaalf jaar getrouwd. Het is heel gewoon dat we het niet meer zo vaak doen als vroeger. We hebben het zo druk.”

“Ons bezige bijtje. En wat doet Henry terwijl jij aan het huissloven bent?”

“Hij geeft les aan de technische school en als hij thuiskomt is hij vaak moe.”

“Moe? Nogal wiedes. Dat krijg je als je buiten de pot piest.”

“Ik begrijp niet wat je bedoelt.”

“Dat hij overspeelt. Zijn secretaresse plat op het bureau.”

“Hij heeft geen secretaresse.”

“Dan is het studentenhaver. Hij krikt hun cijfers omhoog. Ik weet het, ik heb het gezien. Ik heb zo lang aan universiteiten rondgelopen dat ze mij niet meer voor de gek houden.”

“Ik weet zeker dat Henry nooit…”

“Dat zeggen ze allemaal en dan, pats, is het scheiden en tienerseks en kan jij alleen nog uitkijken naar de overgang, door de luxaflex naar de buurman gluren en wachten tot er een vertegenwoordiger aanbelt.”

“Zoals jij het vertelt klinkt het allemaal zo vreselijk,” zei Eva.

“Dat is het ook, boezembaby, dat is het ook. Je moet er iets aan doen voor het te laat is. Je moet jezelf bevrijden van Henry. Een schop voor zijn hol en maak eens wat lol! Anders zit je tot het bittere einde onder de plak bij die zak.”

Eva ging op haar kooi zitten en dacht na over de toekomst. Henry scheen haar niet veel te bieden te hebben. Ze zouden waarschijnlijk geen kinderen krijgen en zouden nooit veel geld hebben. Ze zouden in Parkview Avenue blijven wonen en de hypotheek afbetalen en misschien zou Henry iemand anders vinden en wat moest zij dan? En zelfs al vond hij niemand, dan nog ging het leven aan haar voorbij.

“Ik wou dat ik wist wat ik moest doen,” zei ze even later. Sally ging overeind zitten en legde haar arm om haar heen.

“Waarom ga je in november niet met ons mee naar de States?” zei ze. “We zouden zoveel plezier kunnen hebben.”

“Nee, dat kan niet,” zei Eva. “Dat zou niet eerlijk zijn tegenover Henry.”

Inspecteur Flint had geen last van zulke scrupules. Het feit dat Wilt ondanks intensieve ondervraging geen centimeter toegaf, wees erop dat hij taaier was dan hij eruitzag.

“Hij wordt nu al zesendertig uur verhoord en we hebben nog niets uit hem losgekregen,” zei hij toen de rechercheurs van Moordzaken bijeen waren op het bureau. “Dit wordt een lang en moeilijk karwei en eerlijk gezegd betwijfel ik of we hem klein zullen krijgen.”

“Ik zei toch dat hij een harde noot zou zijn om te kraken?” zei brigadier Yates.

“Zeg maar gerust een kokosnoot,” zei Flint. “We moeten naar harde bewijzen graven.”

Er klonk een gegrinnik, dat snel wegstierf. Inspecteur Flint was niet in een humoristische bui.

“Bewijzen, harde bewijzen, dat is het enige waardoor we hem kunnen breken. Zonder bewijs komt het nooit tot een rechtszaak.”

“Maar we hébben bewijs,” zei Yates. “Onder in…”

“Ik weet precies waar het zich bevindt, brigadier. Nee, ik bedoel bewijzen voor een meervoudige moord. Wat er met mevrouw Wilt gebeurd is weten we, maar niet wat hij met de Pringsheims heeft gedaan. Ik denk dat hij ze alle drie vermoord heeft en dat de andere twee lijken…” Hij zweeg, deed het dossier dat voor hem lag open en zocht naar de aantekeningen over Geweld en het Uiteenvallen van het Gezin. Hij bestudeerde ze even en schudde toen zijn hoofd. “Nee,” mompelde hij, “het kan niet waar zijn.”

“Wat, inspecteur?” vroeg brigadier Yates. “Alles is mogelijk bij deze rotzak.”

Maar inspecteur Flint liet zich niet uit zijn tent lokken. Het idee was té vreselijk.

“Zoals ik al zei hebben we nu harde bewijzen nodig,” vervolgde hij. “Tot dusver hebben we alleen maar aanwijzingen. Ik wil meer weten over de Pringsheims. Ik wil weten wat er op dat feestje gebeurd is, waarom het gebeurd is en wie er allemaal waren. Gezien de vorderingen die we dus niet maken met Wilt, hoeven we op hem niet te rekenen. Snell, jij gaat naar de afdeling biochemie van de universiteit en verzamelt zo veel mogelijk informatie over dr. Pringsheim. Kijk of er collega’s van hem op dat feestje waren. Praat met ze. Maak een lijst van zijn vrienden, zijn hobby’s, zijn vriendinnetjes, als hij die had. Kijk of tussen hem en mevrouw Wilt enig verband bestaat dat op een motief zou kunnen duiden. Jackson, jij gaat naar Rossiter Grove en probeert zo veel mogelijk te weten te komen over mevrouw Pringsheim…”

Toen de vergadering uit elkaar ging, vertrokken de rechercheurs naar alle hoeken van de stad om een dossier aan te leggen over de Pringsheims. Ze namen zelfs contact op met de Amerikaanse ambassade, om erachter te komen wat er in de States bekend was over het echtpaar. Het onderzoek naar de moord was nu echt begonnen.

Inspecteur Flint ging naar zijn kantoor met brigadier Yates en deed de deur dicht. “Yates,” zei hij, “dit is vertrouwelijk. Ik wilde het daar niet zeggen, maar ik heb het nare gevoel dat ik weet waarom die klootzak zo verdomd brutaal is. Heb jij wel eens eerder meegemaakt dat een moordenaar ijskoud blijft tijdens een verhoor van zesendertig uur, terwijl hij beseft dat we tot op de centimeter nauwkeurig weten waar het lijk van zijn slachtoffer zich bevindt?”

Brigadier Yates schudde zijn hoofd. “Ik heb tijdens mijn loopbaan behoorlijk kalme figuren gezien, vooral sinds ze de doodstraf hebben afgeschaft, maar deze slaat alles. Volgens mij is hij een volslagen psychopaat.”

Daar wilde Flint niet aan. “Psychopaten krijg je gemakkelijk klein,” zei hij. “Ze bekennen moorden die ze niet hebben gepleegd of moorden die ze juist wel hebben gepleegd, maar ze bekennen. Wilt niet. Hij zit mij een beetje te vertellen hoe ik het onderzoek moet leiden. Kijk hier eens naar.” Hij sloeg het dossier open en pakte de aantekeningen van Wilt. “Valt je iets op?”

Brigadier Yates las de aantekeningen twee keer door.

“Nou, hij heeft geen hoge pet op van onze methodes,” zei hij uiteindelijk. “En dat stukje over het lage intelligentiepeil van de gemiddelde politieman staat me niet aan.”

“Wat dacht je van punt 2 d?” zei de inspecteur. “Toenemend gebruik van verfijnde methodes door criminelen, zoals afleidingsmanoeuvres. Afleidingsmanoeuvres. Zegt je dat niets?”

“Bedoelt u dat hij probeert onze aandacht af te leiden van de echte misdaad?”

Inspecteur Flint knikte. “Ik bedoel dit: ik durf te wedden dat, als we onder in die klotenput zijn, we een opblaaspop zullen vinden met een vagina, gekleed in de kleren van mevrouw Wilt. Dat denk ik.”

“Maar dat is krankzinnig.”

“Krankzinnig? Het is duivels,” zei de inspecteur. “Hij zit daar stemmetje te spelen en ons af te katten omdat hij weet dat we een vals spoor volgen.”

Brigadier Yates ging verbijsterd zitten. “Maar waarom? Waarom überhaupt die moord onder de aandacht brengen? Waarom heeft hij zich niet gewoon gedeisd gehouden? Dat zou normaal zijn.”

“En mevrouw Wilt als vermist opgeven? Je vergeet de Pringsheims. Er wordt een vrouw vermist. Nou en? Twee van haar vrienden worden ook vermist en laten een enorme troep en een huis vol bloedvlekken achter. Dat vraagt om uitleg. Dus zorgt hij voor een vals spoor…”

“Maar daar heeft hij niets aan,” maakte de brigadier bezwaar. “Als we een plastic pop opgraven, wil dat niet zeggen dat we stoppen met het onderzoek.”

“Misschien niet, maar hij heeft wel een week extra de tijd terwijl de lichamen oplossen.”

“Denkt u dat hij een zuurbad gebruikt, net als Haigh?” vroeg de brigadier. “Dat is afschuwelijk.”

“Natuurlijk is het afschuwelijk. Denk je soms dat moord leuk is? Trouwens, de enige reden waarom ze Haigh te pakken kregen is omdat die stomme hufter vertelde waar ze de prut moesten zoeken. Als hij nog een week zijn kiezen op elkaar had gehouden, zouden ze helemaal niets hebben gevonden. Dan was alles weggespoeld. Bovendien weet ik niet wat Wilt heeft gebruikt. Ik weet alleen dat het een intellectueel is, een slimme klootzak die denkt dat hij de zaak voor elkaar heeft. We pikken hem op om te ondervragen, laten hem misschien zelfs in voorlopige hechtenis nemen, en graven dan een plastic opblaaspop op. We zouden mooi voor lul staan als we naar de rechter stapten met een plastic pop als bewijs voor moord. Iedereen zou ons uitlachen. Dus wordt de zaak niet ontvankelijk verklaard en wat gebeurt er als we hem voor de tweede keer oppakken, om hem te ondervragen over de echte moorden? Voor je het weet hebben we de Vereniging voor Bescherming van Burgerrechten op onze nek.”

“Dus daarom wilde hij geen advocaat!” zei Yates.

“Natuurlijk. Wat moet hij nu met een advocaat? Maar als we hem voor de tweede keer arresteren, staan de advocaten zich te verdringen. Dan beginnen ze te schreeuwen over bruut politieoptreden en dat wij een slachtoffer zoeken. Ze tetteren je de oren van je kop. Ja, die pokkenadvocaten zouden de dag van hun leven hebben. Eerst plastic poppen en dan geen lijken. We zouden hem niets kunnen maken.”

“Iemand die dat allemaal kan bedenken moet een krankzinnige zijn,” zei de brigadier.

“Of een genie,” zei Flint bitter. “Jezus, wat een zaak.” Hij drukte nors zijn sigaret uit.

“Wat moet ik doen? Hem nog een keer onder handen nemen?”

“Nee, dat doe ik wel. Ga jij naar die technische school en bewerk zijn baas tot hij zegt wat hij werkelijk denkt van Wilt. Probeer zo veel mogelijk ongunstige feiten over die rotzak te verzamelen. Er moet iets zijn in zijn verleden dat we kunnen gebruiken.”

Hij liep de gang uit en ging de verhoorkamer binnen. Wilt zat aan tafel en maakte aantekeningen op de achterkant van een arrestatieformulier. Hij begon meer op zijn gemak te raken in deze omgeving, al voelde hij zich nog niet echt thuis op het politiebureau, en zijn gedachten richtten zich op het probleem van Eva’s verdwijning. Hij moest toegeven dat hij zich zorgen had gemaakt over de bloedvlekken in de badkamer van de Pringsheims. Om de tijd te doden had hij geprobeerd zijn gedachten op papier te zetten en daar was hij nog steeds mee bezig toen inspecteur Flint de kamer binnenkwam en de deur dichtsloeg.

“Ja, je bent een sluw mannetje, Wilt,” zei hij terwijl hij ging zitten en het papier naar zich toe trok. “Je kunt lezen en schrijven en je hebt een logische en inventieve geest. Laten we eens kijken wat je allemaal hebt opgeschreven. Wie is Ethel?”

“De zus van Eva,” zei Wilt. “Ze is getrouwd met een groentekweker in Luton. Eva gaat daar soms een weekje logeren.”

“En ‘Bloed in het bad’?”

“Ik vroeg me af hoe het daar gekomen was.”

“‘Blijk van haastig vertrek’?”

“Ik noteerde simpelweg mijn gedachten over de toestand in het huis van de Pringsheims.”

“Probeer je ons te helpen?”

“Ik assisteer jullie bij het onderzoek. Dat is toch de officiële term?”

“Misschien is het de officiële term, Wilt, maar in dit geval komt hij niet overeen met de feiten.”

“Dat zal wel vaker het geval zijn,” zei Wilt. “Zo’n uitdrukking is van toepassing op een heleboel situaties.”

“En misdaden.”

“En hij ruïneert toevallig je reputatie,” zei Wilt. “Ik hoop dat u beseft wat u de mijne aandoet door me hier vast te houden. Het is al erg genoeg dat ik de rest van mijn leven nagewezen zal worden als de man die een plastic pop met een kut verkleed heeft als zijn vrouw en in een funderingsput heeft gegooid, zonder dat iedereen ook nog eens denkt dat ik een moordenaar ben.”

“Waar jij de rest van je leven doorbrengt, kan het niemand iets schelen wat je met die pop hebt gedaan,” zei de inspecteur.

Wilt zag zijn kans schoon.

“Aha, dus u heeft hem eindelijk gevonden,” zei hij gretig. “Geweldig. Dan kan ik nu gaan.”

“Ga zitten en hou je kop,” snauwde de inspecteur. “Je gaat helemaal nergens heen en als je wel ergens heen gaat, is het in een politiebusje. Ik ben nog niet met je klaar. Ik begin eerlijk gezegd pas.”

“Daar gaan we weer,” zei Wilt. “Ik wist wel dat we weer bij het begin zouden beginnen. Jullie hebben een manie voor oorzaken. Oorzaak en gevolg, oorzaak en gevolg. Wat was er eerder, de kip of het ei, het protoplasma of de schepper? Ik neem aan dat ik deze keer moet vertellen wat Eva zei toen we ons verkleedden voor het feestje?”

“Deze keer,” zei de inspecteur, “wil ik dat je me precies vertelt waarom je die rotpop in dat gat hebt gemikt.”

“Een interessante vraag,” zei Wilt en hij zweeg. Het scheen onder de huidige omstandigheden geen goed idee om aan inspecteur Flint uit te leggen wat hem precies voor ogen stond toen hij de pop in die put gooide. De inspecteur leek niet het type dat gemakkelijk zou geloven dat een man kon fantaseren over het vermoorden van zijn vrouw zonder die fantasieën in de praktijk te brengen. Het zou beter zijn te wachten tot Eva levend en wel terug was voor hij inspecteur Flint meevoerde naar de onbekende verten van het volslagen irrationele. Als de inspecteur Eva zag, zou hij misschien met hem meevoelen, maar anders beslist niet.

“Laten we het erop houden dat ik me van dat afschuwelijke ding wilde ontdoen,” zei hij.

“Laten we het daar helemaal niet op houden,” zei Flint. “Laten we het erop houden dat je een andere reden had om die pop weg te gooien.”

Wilt knikte. “Dat kan ik niet ontkennen,” zei hij.

Inspecteur Flint glimlachte bemoedigend. “Dat dacht ik al. En wat was dat voor reden?”

Wilt woog zijn woorden zorgvuldig af. Hij kwam op gevaarlijk terrein.

“Laten we zeggen dat het een soort repetitie was.”

“Een repetitie? Wat voor repetitie?”

Wilt dacht een ogenblik na.

“Interessant woord, repetitie,” zei hij. “Het komt van het Franse repeteren dat betekent…”

“Het kan me niet verdommen waar het vandaan komt,” zei de inspecteur. “Ik wil weten waar het eindigt.”

“Op het kerkhof,” zei Wilt, die zijn semantische uitputtingscampagne voortzette.

Inspecteur Flint trapte in de val. “Op het kerkhof? Wie ligt er op het kerkhof?”

“Iedereen,” zei Wilt opgewekt. “Iedereen eindigt op het kerkhof Als je een lijk weer opgraaft zou je kunnen zeggen dat je ook iets repeteert, maar dan in omgekeerde volgorde. Hoewel je het natuurlijk niet instudeert.”

“Godallemachtig,” schreeuwde de inspecteur. “Moet je nou altijd afdwalen? Je zei dat je iets repeteerde en ik wil weten wat!”

“Een idee, niet meer dan een idee,” zei Wilt. “Een van die vluchtige flarden van de verbeelding die als vlinders door het zomerlandschap van onze geest fladderen, voortgedreven door de windvlagen van de associatie…Dat klinkt wel goed.”

“Vind je?” zei de inspecteur, die hem verbitterd aankeek. “Wat ik wil weten is wat je aan het repeteren was. Dat zou ik graag willen weten.”

“Dat heb ik al gezegd. Een idee.”

“Wat voor idee?”

“Gewoon een idee,” zei Wilt. “Niet meer…”

“God sta me bij, Wilt,” schreeuwde de inspecteur, “als je weer over die kutvlinders begint, breek ik een levenslange gewoonte om geen geweld te gebruiken en draai ik je smerige kleine nek om.”

“Ik wilde niets zeggen over vlinders,” zei Wilt verwijtend. “Ik wilde zeggen dat ik een idee had voor een boek…”

“Een boek?” snauwde inspecteur Flint. “Wat voor boek? Een dichtbundel of een misdaadroman?”

“Een misdaadroman,” zei Wilt, blij met die suggestie.

“Juist,” zei de inspecteur. “Dus je wilde een thriller schrijven. Laat ik dan even in grove lijnen de plot reconstrueren. Een docent aan de technische school heeft een vrouw die hij haat. Hij besluit haar te vermoorden…”

“Ga door,” zei Wilt. “U doet het uitstekend.”

“Dat dacht ik al,” zei Flint vergenoegd. “Nou, die docent denkt dat hij een gissé jongen is en dat hij de politie om de tuin kan leiden. Hij heeft geen hoge dunk van de politie. Dus mikt hij een plastic pop in een put die volgestort zal worden met beton, in de hoop dat die domme smerissen hun tijd zullen verspillen aan het opgraven van die pop terwijl zijn vrouw ergens anders begraven ligt. Tussen haakjes, waar heb je mevrouw Wilt begraven, Henry? Kom, gooi het eruit. Waar heb je haar verstopt? Vertel het me. Je voelt je vast beter als je het gezegd hebt.”

“Ik heb haar nergens verstopt. Dat heb ik al duizend keer verteld. Hoe vaak moet ik nog zeggen dat ik niet weet waar ze is?”

“Ik heb heel wat koele kikkers ontmoet tijdens mijn loopbaan, Wilt,” zei de inspecteur toen hij weer tot spreken in staat was. “Maar voor jou neem ik mijn pet af. Je bent het grootste ijskonijn dat ik tot mijn verdriet ooit ben tegengekomen.”

Wilt schudde zijn hoofd. “Ik heb medelijden met u, inspecteur, echt,” zei hij. “Zelfs als de waarheid zo klaar is als een klontje, ziet u hem nog niet.”

Inspecteur Flint stond op en verliet de kamer. “Jij daar,” zei hij tegen de eerste de beste rechercheur die hij kon vinden. “Ga naar de verhoorkamer, stel die rotzak vragen en hou daar pas mee op als ik het zeg.”

“Wat voor vragen?”

“Doet er niet toe. Blijf vragen waarom hij een plastic pop in een put heeft gemieterd. Meer niet. Blijf het hem vragen. Ik zal die smeerlap klein krijgen.”

Hij ging naar zijn kantoor, plofte op zijn stoel en probeerde na te denken.