28. De dood van de kolonel

Terwijl zij hotsend door de donkere nacht reden, zat dokter Endicott te mopperen. De jongens hadden hem uit bed gehaald en door gebrek aan slaap voelde hij zich suf.
,,Die verdraaide oude kalebas!” klaagde hij geeuwend. „Ik wou maar dat Billie en ik het ding verbrand hadden in plaats van het te verven. Dan zou ik nu niet meegesleept worden naar een Indiaanse begraafplaats om het slachtoffer van een hartaanval bijstand te verlenen.”
„U moet er de rode kalebas niet de schuld van geven, dokter Endicott,” bracht Kent hem in herinnering. „De kalebas, die u en Billie geverfd hebben, is immers in die keet bij de rivier, nadat Spikes hem op het hoofd van kolonel Pepperton had, stukgeslagen. Vannacht is het een bruine kalebas, die u last veroorzaakt. De met notesap geverfde rammelaar, die uit Georgia afkomstig is. Maar ook nog iets anders. En wel smaragden ter waarde van zestigduizend dollar!”
Zij deelden de dokter alle bijzonderheden mee van de gebeurtenissen, die hadden plaatsgevonden.
Zij vonden McShane in het gras zitten in gesprek met Todd Harper,. De sheriff had een petroleumlamp uit zijn auto meegebracht, die zij tussen zich in op de grond hadden gezet. Hij verspreidde een sterk en gelijkmatig licht, dat donkere, groteske schaduwen van de twee mannen op het gras wierp.
Toen McShane hen hoorde naderen, wendde hij zich om. „Ik geloof dat u te laat komt, dokter,” zei hij eenvoudig en hij stond op. Hij lichtte de zakdoek op, die over het gezicht van de dode man was gelegd. Kent zag, dat het touw om de voeten was verwijderd.
Kolonel Pepperton lag op zijn rug, zijn rechterarm uitgestrekt. Bij zijn hand lag de sjaal, die McShane van het witte hoofd gehaald en op de grond uitgespreid had. Op de sjaal lag een hoopje aarde en rommel.
„Hij smeekte mij om te kijken.” De stem van McShane trilde, terwijl hij verder ging met het verhaal dat hij de sheriff aan het vertellen was. „Hoewel hij stervende was, smeekte hij me erom. Daarom heb ik de opgraving, die hij begonnen was, afgemaakt en dit te voorschijn gebracht.”
Zij hadden het voorwerp niet eerder opgemerkt, omdat er zóveel aarde aan gekoekt zat, dat het een deel van de aarde zelf leek. Maar naast de kuil, tussen de twee oude graven in, lag een hoge, slanke stenen kruik. De kruik was gebarsten en aan één kant open.
„Ik zou zeggen, dat het een antieke melkkan is,” merkte Todd Harper op, de kruik met zijn hand aanrakend.
„Ja,” beaamde McShane, „en er zat een metalen deksel op, dat doorgeroest was. De kruik lag op zijn kant en was half gevuld met aarde. Die aarde heb ik eruit gehaald en. . .” Met zijn hand maakte hij een beweging naar de sjaal op de grond.
„De.... de...smaragden?” fluisterde Kent zacht.
„De bruine kalebas?” Ook Jeffs stem was nauwelijks hoorbaar. „Het muziekinstrument van mijn volk?”
„Kijk,’’ zei hij, „harde, schaalvormige stukjes. De kalebas!" Uit het hoopje aarde op zijn handpalm haalde hij een stukje. Hij hield het bij het licht.
„Rood,” zei hij eenvoudig. „Vuil en verbleekt, maar rood.”
Het duizelde Kent. De begraven kalebas was rood! Maar dat kon toch niet! Het moest een bruine kalebas zijn, bruingekleurd door notensap? De rode kalebas was bij de rivier immers gebroken op het hoofd van kolonel Pepperton! Toch was deze rood!
Iemand stootte met zijn voet per ongeluk tegen de lantaarn, zodat die bijna omviel. Daardoor begon het licht te flikkeren en heen en weer te zwaaien. Kent maakte een heftige beweging van schrik, toen hij de stille, uitgestrekte arm van kolonel Pepperton tot leven en in beweging zag komen. Toen. echter schaamde hij zich over zijn zenuwachtigheid. Toen de lantaarn weer stilstond scheen het licht even rustig als daarvoor. De uitgestrekte arm lag roerloos.
Maar Digby McShane had ook het door het zwaaiende lichtschijnsel teweeggebrachte effect gezien. Hij grinnikte flauwtjes naar de toeschouwers en wees op de dode man.
„Zo is hij gestorven,” zei hij. „Het is geen toeval, dat zijn arm zo uitgestrekt ligt. Hij reikte naar.... ”
Hij maakte zijn zin niet af, maar boog zich weer over de sjaal. Met duim en wijsvinger nam hij een klein voorwerp op en hield het bij het licht. Iets heldergroens schitterde tussen zijn vingers.
„Deze heb ik schoongemaakt,” legde McShane even later uit, terwijl hij opstond. „Alleen maar om er zeker van te zijn. De andere zien er uit als kluitjes aarde, maar ik veronderstel, dat ze er allemaal nog zijn. Die arme Billie Groene
Boom heeft de kalebas begraven zonder ooit geweten te hebben, dat hij gevuld was met smaragden in plaats van met kiezelstenen. De kalebas zelf is weggerot. Sheriff, ik wilde u en dokter Endicott voor zover mogelijk laten zien hoe ik alles heb aangetroffen. Ik weet niet aan wie die kleine onrustzaaiers uiteindelijk behoren, maar dat is uw zaak.”
Hij liet het groene juweel in de hand van Todd Harper vallen en veegde zijn eigen hand stevig aan een zakdoek af. Zijn gebaar scheen erop te wijzen, dat hij hoopte nooit meer in aanraking te komen met de smaragden.
„Boze geest!” hoorde Kent hem mompelen. „Een besmetting hiérmee kan dodelijker zijn dan een besmetting met pokken!”

Kent, weliswaar met kringen onder zijn ogen, maar keurig gekleed in een schoon groen uniform, zat aan het hoektafeltje in de dinette. Tegenover hem zat Sherry Collier? Sherry’s bruine ogen sperden zich van bewondering wijd open, toen zij luisterde naar het relaas van haar tafelgenoot.
„Jij bent absoluut de heldhaftigste piccolo, die ik ooit gekend heb!” riep zij uit, toen de jongen eindelijk zweeg en aan zijn ontbijt begon. „Stel je voor, zoveel opwindende gebeurtenissen! Ga eens even na. Je neemt twee bankrovers gevangen, spoort een lang verloren schat op, vindt een oude kalebas, waarnaar iedereen op zoek is, en lost een geheim op, dat volslagen onoplosbaar leek!"
„En als vervolg daarop,” grinnikte Kent over zijn bord heen, „ga ik een begin maken met mijn loopbaan als journalist.”
„O ja?” grinnikte Sherry. „Nu meteen? Ga je niet eerst journalistiek studeren?”
„Natuurlijk wel, maar ik ga een artikel schrijven, een soort oefening, weet je. Mijn vriend Digby McShane zegt dat hij, als ik een goed artikel schrijf en het opstuur naar de Saint Louis Gazette, zijn uiterste best zal doen om het in zijn krant te laten publiceren. Vind je dat niet leuk?”
„Nou en of! Maar waarover precies gaat je verhaal? Doe nu eens even of ik er niets van weet!”
„Nou, ik zal het ongeveer zo schrijven: Op een avond in juni in het jaar 1838 hotste een postkoets voort over een bergweg en . ...”
„.... en plotseling sprongen twee gemaskerde mannen te voorschijn uit het donkere bos,” vervolgde Sherry vrolijk. „En je laat het verhaal honderd jaar later eindigen door een dappere jongeman uit Chicago te laten ontdekken, dat de twee gemaskerde mannen Jake en Lew Cassidy heetten en dat de smaragden, die zij een van de reizigers, genaamd Jerome Whipple, ontroofd hadden, verborgen werden in een kalebas. Dat ding hadden zij van een Cherokees, die bezweken was aan de pokken. Lew Cassidy ontkwam, maar Jake niet, want die kreeg ook de pokken en stierf in een grot naast een Cherokees, genaamd AdelaarsvleugeL Die was de grootvader van Billie Groene Boom, die een paar weken geleden gestorven is en met wiens dood al die geheimzinnige moeilijkheden pas goed zijn begonnen.”
Kent lachte hartelijk.
„Zeg eens, meisje, jij kunt er ook wat van, hoor! Misschien kun jij me wel helpen met de fijne nuances van het verhaal. Het feit bijvoorbeeld, dat de kalabas, toen we hem eindelijk vonden, rood bleek te zijn. Dat heeft ons allemaal even verbluft. Zie je, we hadden de gedachte aan een rode kalebas laten schieten. Dokter Endicott had er geen twijfel aan laten bestaan, dat hij en Billie rode verf hadden gebruikt voor de originele rammelaar, die door de vrouw van Adelaarsvleugel uit de grot was meegenomen. Billie was er bang voor vanwege de boze geest: de pokken. Dat was toen zijn vrouw was gestorven; hij dacht dat de boze geest haar dood had veroorzaakt. Maar door het verloop van de gebeurtenissen leek het alsof dat niet de echte kalebas was. Hij was het wél.”
„Nee,” zei Sherry. „Er waren andere rode kalebassen, die Billie zelf gemaakt had. Spikes vond er een en nam hem mee naar de kamer van kolonel Pepperton, hier in het hoteL Mevrouw Addison kreeg er een in handen, waarvan een rammelaar was gemaakt, maar uiteindelijk is die gebroken en verbrand in de keet bij de rivier. Daarom nam jij toen aan, dat het namaaksels waren en dat, als ooit de echte kalebas met de smaragden erin gevonden zou worden, hij de kleur moest vertonen van notesap, waarmee de Indianen hem oorspronkelijk behandeld hadden. Maar dat was niet zo. En ik ben er zeker van dat ik je met dit fijne puntje niet kan helpen. Waarom was hij niet bruin?”
„Nou, om te beginnen heeft niet die dappere jongeman uit Chicago het ontraadseld. Dat hebben meneer McShane en dokter Endicott gedaan. Dokter Endicott bleef erbij, dat hij de kalebas roodgeverfd had omdat Billie er bang voor was. Toen hij geverfd was, scheen Billie voldaan te zijn. Hij was er niet bang meer voor. Daarom geloofde iedereen dat dat dé kalebas was, totdat Spikes de kalebas uit het bankgebouw ontvreemdde en er, in plaats van smaragden, kiezelstenen in aantrof. Toen moest die mening gewijzigd worden en werd aangenomen, dat Billie dokter Endicott een andere kalebas in handen had gegeven om rood te verven. En dat de originele — bruin, en gevuld met smaragden verdwenen was.”
„Dus toen jullie de overblijfselen van de originele kalebas en de smaragden daar op de begraafplaats vonden, moesten jullie je zienswijze weer herzien?”
„Ja, en meneer McShane en dokter Endicott zijn samen tot de conclusie gekomen, dat er slechts sprake kon zijn van één mogelijkheid. En wel, dat Billie nog steeds bang was voor de kalebas, ook nadat hij geverfd was. Hoewel de kalebas hem dierbaar was, omdat hij had toebehoord aan zijn volk, was hij er toch bang voor vanwege de slechte uitwerking op zijn familie. Hij zei er geen woord over tegen dokter Endicott of wie dan ook, maar hij pakte de kalebas zo goed mogelijk in en begroef hem toen, zoals we nu ontdekt hebben, tussen de blanke man en Adelaarsvleugel in. Dat deed hij, omdat de kalebas al eerder tussen hen in had gelegen en daar in bezit was genomen door de boze geest van de pokken. En dat hij naderhand voldaan leek te zijn en onbevreesd, kwam doordat hij zich werkelijk zo voelde. De boze geest had zijn huis verlaten! Maar nog steeds had hij grote eerbied voor de muzikanten van zijn volk en hij verlangde terug naar de kalebas. Zozeer verlangde hij ernaar, dat hij een nabootsing vervaardigde. Die nabootsing was zo volmaakt dat niemand ooit enig verschil heeft gemerkt.”
„Dat is dus het verhaal, dat jij voor meneer McShane gaat schrijven?” zei Sherry peinzend. „Ik denk, dat het erg opwindend zal zijn.”
„Volgens mij is het dat gewéést,” antwoordde Kent.

EINDE