2. Wie was Billie Groene Boom?

De volgende morgen begonnen Kents werkzaamheden als duvelstoejager. De hem verstrekte uitrusting — een groen uniform net als dat van het overige personeel — bestond uit een kort jasje en een keurig geperste lange broek en toen hij een blik in de spiegel wierp, was hij heel tevreden met zijn gedaanteverwisseling.
„De kleur past precies bij een nieuweling,” grinnikte hij, terwijl hij zijn jasje rechttrok. „Maar per slot van rekening is iedereen hier in het groen gekleed. Wel toepasselijk, zo midden tussen al die groene pijnbomen.”
Het was nog vroeg, toen hij ging ontbijten. In de dinette trof hij Sherry Collier niet aan, maar wel mevrouw O’Toole, die hem uitnodigde aan haar tafeltje te komen zitten. Terwijl zij aten, vertelde mevrouw O’Toole aan Kent het een en ander over zijn werk.
„Zorg ervoor, dat je steeds bij de hand bent om te doen wat er van je gevraagd wordt,” lichtte zij hem in. „Elk seizoen nemen we een jongeman zoals jij in dienst. De meeste bedienden, kamermeisjes en serveersters wonen in Riverboro en gaan na beëindiging van hun dagtaak naar huis. Maar op jou moet men steeds een beroep kunnen doen. In je kamer bevindt zich een zoemer en zodra die overgaat, meld je je bij de receptie. Zo meteen ga je naar de golfbaan om het gras te maaien. Dat is een opdracht van meneer Dexter, de bedrijfsleider. Het moet nodig gebeuren en de tuinman heeft zijn vrije dag vandaag.”
Op de golfbaan was het erg warm. Kent reed de machine heen en weer, maar hij had de indruk dat er nooit een eind zou komen aan het gedeelte dat hij nog moest maaien. Het hotel was omgeven door een breed, door bomen beschaduwd gazon, dat uitliep op de golfbaan. Zacht glooiend daalde het terrein af naar de oever van het Indianenspoormeer en de weg erlangs.
Bij een groepje jonge wilgebomen zette Kent de machine een ogenblik stil. Terwijl hij daarna het gras onder de bomen onder handen nam, hoorde hij plotseling rechts van zich de schrille roep van een boomkwartel opklinken. De jongen keek op, maar hij slaagde er niet in de vogel te ontdekken. Hij rustte even uit en genoot van het prachtige vergezicht. Een zweetdruppel biggelde langs zijn neus. Met de rug van zijn hand veegde hij hem weg.
„Wat een mooie omgeving!” mompelde hij. „Het Pijn-Punt-schiereiland lijkt op een langgerekte groene vinger, die vanuit de heuvels het water in wijst.”
Zijn gedachtengang werd echter plotseling onderbroken. Boven een stenen muurtje, dat zich rechts van hem op enige afstand verhief, kwam langzaam een bruine pet omhoog. Kent verwachtte elk ogenblik een gezicht onder die pet te zien en hij wilde al zijn hand opsteken voor een vriendschappelijke groet, toen de pet weer snel achter het muurtje verdween.
„Wat raar,” mompelde hij verbluft. „Waarom speelt die man verstoppertje? Ik dacht vast, dat het iemand van het hotel was, die hier ook aan het werk was. En ik wou nog wel vriendelijk zijn, maar daar stelde die snoeshaan kennelijk geen prijs op. Het leek wel alsof hij me wilde bespieden. In ieder geval wilde hijzelf niet gezien worden.”
Wzzz! Door snel te bukken kon Kent nog juist de witte bal die rakelings langs zijn hoofd suisde, ontwijken. Achter zich hoorde hij het geluid van stemmen. Hij keek om en zag over het pad twee mannen aankomen. De jongste van de twee was dik en Kent vond, dat de man dringend behoefte had aan een vermageringskuur. De ander, die de bal zo juist langs. Kents hoofd had doen suizen, was een lange, wat oudere heer met een breedgerande strohoed op zijn hoofd. Kent liet zijn maaimachine in de steek en ging op zoek naar de bal. Daarbij viel zijn oog weer op het stenen muurtje. Waarschijnlijk heeft die knaap niet mij willen bespieden, overwoog hij, maar die lui daar. Toch voldeed die conclusie hem niet, want ze leken hem aardige mensen, die kennelijk een vroeg partijtje golf kwamen spelen.
De bal was terechtgekomen tussen de klaver en Kent bracht hem terug naar de speler. De man nam de hoed van zijn witte haar en wuifde zichzelf koelte toe. Hij was een en al vriendelijkheid.
„Dank je, jongen, dank je!” zei hij verheugd „Dat was niet zo’n beste slag, geloof ik.”
De dikke speler richtte zich tot Kent en zei: „Jij bent Kent Standish, is het niet? Een van onze nieuwe bedienden. Mevrouw O’Toole heeft me verteld, dat ze je hier naar toe gestuurd heeft. Ik ben Dexter, de bedrijfsleider van het hotel.”
„Ja, meneer,” antwoordde Kent. „Mevrouw O’Toole zei, dat u de golfbaan gemaaid wilde hebben.”
Meneer Dexter knikte.
„Je hebt je flink geweerd, Kent. En bedankt voor het terugbrengen van kolonel Peppertons bal.”
Dat is dus meneer Dexter, dacht Kent, terwijl hij terugkeerde naar de maaimachine. En die andere is kolonel Pepperton; volgens Sherry Collier een aardige, oude, gepensioneerde officier. Nou, het is mogelijk, dat hij aardig en oud en gepensioneerd is, maar ik ben ervan overtuigd, dat hij van golf niet veel verstand heeft.
Hij draaide zich om en keek nog eens naar de elegante kolonel Pepperton. Elegant, dat was hij inderdaad, de oude, in een grijs linnen kostuum geklede heer, met een witte, krijgshaftige snor en dik wit haar.
De zon zond haar stralen zó onbarmhartig neer, dat Kent er al vrij gauw toe overging zijn groene jasje uit te trekken. Spoedig echter voelde hij, dat hij behoorlijk aan het verbranden was. Terwijl hij vol af keer de steeds roder wordende huid van zijn blote armen bekeek, hoorde hij iemand hallo roepen.
Kent had over de weg, die de oever van het schiereiland volgde, een vrachtauto zien aankomen, maar hij had er verder geen aandacht aan besteed. Intussen was hij met zijn maaimachine bij de weg gekomen en daar werd de wagen rammelend tot stilstand gebracht. Een jongeman stak zijn hoofd uit het raampje en. herhaalde zijn groet. Hij had een aantrekkelijk gezicht met een breed voorhoofd, waarboven een dikke bos donker haar prijkte.
„Hallo!” brulde Kent terug, want het kostte hem moeite boven het lawaai van de maaimachine uit te komen.
„Zeg,” schreeuwde de jongen in de vrachtauto, „kom ik langs deze weg weer in de heuvels terecht? Ik geloof dat ik me in de zijweg heb vergist.”
Kent knikte bevestigend.
,,Ik denk het wel. Maar ik ben hier niet bekend.”
„Bedankt, hoor! Vroeger was ik hier wél bekend, maar alles is nu zo veranderd. Sinds het hotel gebouwd is, ziet het er hier heel anders uit. Mijn naam is Groeneboom. Ik zal deze weg maar proberen.”
Er ging Kent een licht op. Hij herinnerde zich de onbegrijpelijke krabbels op de envelop van Digby McShane en hoorde tegelijkertijd de heldere stem van Sherry Collier zeggen: „Billie Groene Boom, die naam heb ik nooit gehoord.” „Ik heet Standish!” schreeuwde Kent. „Kent Standish! Ben jij Billie Groene Boom?”
Een brede glimlach verspreidde zich over het gezicht van de jongen en hij zei iets, dat Kent niet kon verstaan. Het was dan ook volslagen onmogelijk iets te horen boven het oorverdovend lawaai, dat de motor van de vrachtauto en die van de maaimachine produceerden.
De auto trilde en schudde en reed weg. Een bruine hand groette wuivend.
„Zo!” constateerde Kent bij zichzelf, terwijl hij verder werkte. „Billie Groene Boom is dus een Indiaanse jongen en
hij lijkt me wel aardig. Zou die knaap ?”
Hij was zo in gedachten verdiept, dat hij pas op het laatste nippertje ontdekte, dat hij met zijn machine bijna over een hoopje keien reed. Zou die knaap er wel van op de hoogte zijn, dat er iemand is, die erg veel belang in hem stelt? Voldoende althans om aantekeningen over hem te maken?
„Wat heb jij de hele dag uitgevoerd?” vroeg Sherry Collier tijdens het avondeten. „Ik heb je nergens gezien.”
„Dan had je naar de golfbaan moeten gaan,” antwoordde Kent. „Die heb ik namelijk gemaaid. Het was er ontzettend warm en het gras was geweldig hoog! Je kon het bijna zién groeien. Maar toch” — en hij slaakte een zucht van voldoening — „is de dag achteraf beschouwd niet zó slecht geweest. Ten eerste ben ik nog springlevend. Je vriend, kolonel Pepperton, heeft me namelijk door een verkeerd geslagen bal bijna naar de andere wereld laten verhuizen. En bovendien heb ik ontdekt wie Billie Groene Boom is.”
„Ja maar, Kent, daarvoor hoef je heus niet zo erg knap te zijn.”
„Misschien niet, maar toch ben ik blij. dat ik erachter ben gekomen. Het kan ons te pas komen bij het ontcijferen van de notities van Digby McShane. Het is een jongen, Sherry! Geen man en ook geen boom, maar een jongen! Een Indiaanse jongen van mijn leeftijd ongeveer, denk ik.”
Sherry liet Kent rustig uitspreken, toen hij haar vertelde van de vrachtwagen, die een verkeerde weg was opgereden. Nadat hij zijn verhaal beëindigd had zei ze slechts: „Nou, je hebt het volkomen mis!”
„Hoezo?” Vroeg Kent verontwaardigd. „Die knaap zei zelf, dat hij Billie Groene Boom heette. Wie kan dat beter weten dan hij?”
„Toch is het niet zo, want Billie Groene Boom is al vier dagen dood!”
Naast haar bord lag .een opgevouwen krant. Sherry gaf die aan Kent en wees een artikel aan op de eerste pagina. „Lees dit eens,” commandeerde zij.
Hardop las Kent:

Heden is bekend geworden dat Billie Groene Boom is overleden. Volgens een verklaring van zijn huisarts, dokter Robert Endicott, was de oude Cherokee-Indiaan al enige tijd ziek en waarschijnlijk is hij in zijn slaap gestorven. Dokter Endicott bezocht hem dagelijks en toen hij heden naar de kleine, in het rotsachtige heuvelland gelegen farm van Billie ging, trof hij hem dood in bed aan.
Wij besteden enige aandacht aan het overlijden van de oude man, omdat hij op een bijzondere manier een schakel met het verleden vormde. Billie Groene Boom was immers een rechtstreekse afstammeling van een van de zeventienduizend Cherokezen, die destijds de noodlottige reis moesten maken vanuit hun geboortegrond in de staten Georgia, Tennessee en Carolina, naar het hun toegewezen nieuwe reservaat in de huidige staat Oklahoma. Billies grootvader was een van de duizenden, die tijdens die lange voettocht zijn omgekomen. Onderweg brak onder de Indianen een pokkenepidemie uit en van Billies familie zijn alleen zijn grootmoeder en zijn eigen vader niet aan de ziekte gestorven. Billies vader was toen nog een jongen. Zijn grootmoeder en zijn vader zijn echter zo lang ziek geweest, dat de karavaan niet op hen heeft gewacht, maar verder is getrokken. Een goedhartig boerengezin trok zich het lot van de twee achtergeblevenen aan en de boer stelde hun een hut op zijn land ter beschikking. Irt die hut sleet de grootmoeder de rest van haar leven en daar groeide Billies vader ook op tot man. Later is hij getrouwd met een Cherokeevrouw uit het reservaat in Oklahoma, en met haar is hij teruggekeerd naar de streek waar hij zo lang gewoond had. Van de boer kocht hij een stukje land. Hij werkte hard en bouwde een kleine farm op. Daar werd Billie Groene Boom geboren en daar is hij nu ook gestorven. Evenals zijn vader was hij getrouwd met een Indiaanse vrouw uit het reservaat; zij is echter reeds jaren geleden overleden. Omdat zij geen kinderen hadden, is nu de schakel, die het verre verleden van die tak van de Cherokee indianen met het heden verbond, verbroken.
Tussen de schamele bezittingen, die de oude man heeft nagelaten, bevindt zich een voor geschiedkundigen belangwekkend voorwerp. Het is een oud Indiaans muziekinstrument, vervaardigd uit een kalebas. Het is door de stam vanuit het oosten meegebracht en Billie Groene Boom heeft het al die jaren als een kostbare schat bewaard.

Toen Kent het artikel gelezen had, leunde hij achterover in zijn stoel en staarde zwijgend naar de krant.
„Zie je wel dat hij dood is?” zei Sherry triomfantelijk.
„Tja” gaf Kent toe, „hij is dood. Het zal wel waar zijn, anders stond het niet in de krant. Maar toch is de knaap in die vrachtwagen Billie Groene Boom. Anders zou hij dat immers niet gezegd hebben?”
„Maar Billie was een oude man,” gaf Sherry ten antwoord; „en jij beweert, dat de bestuurder van de auto een jongen is.”
Kent bestudeerde nog eens het krantebericht.
„Het artikel is afkomstig uit Riverboro,” merkte hij op, „maar het is een New-Yorkse krant. Hoe kom je daaraan?” „Kolonel Pepperton liet hem op de grond vallen en toen heb ik hem opgeraapt. Dat was gisteravond. Ik heb je immers verteld, dat ik een brief voor hem moest tikken. Nou, hij liet de krant vallen, toen hij de brief van me aannam. Natuurlijk had hij hem al gelezen; het was geen nieuwe krant.”
Kent stak zijn hand in zijn zak en haalde de witte envelop te voorschijn. Sherry begon te lachen.
„Ha, daar hebben we de envelop weer! Heb je die steeds bij je? Nog altijd nieuwsgierig?”
„Natuurlijk,” grinnikte Kent, „hoewel niet meer zo erg als eerst. Dat verhaal in de krant lost alles op, Sherry. Zal ik dat geheimschrift nu nog eens voorlezen?”
„Mij best,” stemde Sherry toe. „Maar ik weet zeker, dat het ook nu niet erg opwindend zal klinken.”
„Riverboro. Pijn-Punthotel. Billie Groene Boom. Cher. Hee, Sherry, dat cher is natuurlijk helemaal geen Frans woord, maar dat betekent vast Cherokee. Billie Groene Boom was immers een Cherokee. En 8 juni is de datum waarop hij gestorven is. Het woord grootvader slaat natuurlijk op Billies gfootvader. Dan zal G wel betekenen gestorven, want in het artikel wordt de dood van de grootvader vermeld. Het getal 38 betekent waarschijnlijk 1938, het jaar waarin hij gestorven is.”
„En de dokter,” voegde Sherry eraan toe, „is natuurlijk dokter Robert Endicott. Zeg, Kent, als je zoveel belang stelt in die oude Indiaan en meer over hem te weten wilt komen ”
„Wie zegt, dat ik zo bijzonder veel belang in hem stel? In die Indiaan, bedoel ik,” gaf Kent ten antwoord. „De aantekeningen, ja, daar was ik nieuwsgierig naar, omdat ik niet wist wat ze betekenden. Verder, wie heeft ze gemaakt en waarom? Is het door Digby McShane gedaan en wie is dan Digby McShane? Of heeft iemand anders die regels geschreven? Kortom, ik vind het nogal geheimzinnig en door geheimzinnigheden word ik aangetrokken als een vlieg door een strooppot.”
„Dat heb ik in de gaten,” lachte Sherry. „Maar hoe dan ook, als ik zoveel belang stelde in die zaak als jij, zou ik een bezoek gaan brengen aan de enige persoon wiens naam, afgezien van die van Billie Groene Boom, in het verhaal genoemd wordt.”
„Dokter Endicott?”
„Juist. Hij kan je allicht meer vertellen over Billie Groene Boom. Denk je ook niet, dat hij de oude man goed gekend heeft? Volgens de krant bracht hij hem dagelijks een bezoek. Billie moet dus een patiënt van dokter Endicott geweest zijn.”
„Je hebt gelijk,” riep Kent uit. „Ik ga vanavond nog. Trouwens, voor een toekomstig journalist zal het een prima oefening zijn om dokter Endicott te interviewen. Heb je misschien zin om mee te gaan, Sherry?”
„O, best,” gaf Sherry ten antwoord. „Ik wil weleens zien wat je van dat interview terechtbrengt!”