22. Hotel in
opschudding
Kent schrok wakker uit een bodemloze slaap, sprong het bed uit
en trok haastig zijn groene uniformjas aan. Jeff lag nog in diepe
slaap verzonken. De zoemer was kennelijk al een hele poos gegaan.
Kent schoot het grasveld over en probeerde onder het lopen zijn
verwarde rode haar glad te strijken. Bij de receptie trof hij
meneer Finney in opgewonden staat aan. „Alles staat op zijn kop,
Kent,” zei de receptionist, zijn voorhoofd zwaargerimpeld door
zorgen. „We zitten propvol. Iedereen is nerveus door die bankroof.
En — om de chaos compleet te maken — hebben we vanmorgen geen kok!
Het personeel roept dat het uitgehongerd is, en er is geen ontbijt!
De meeste gasten liggen gelukkig nog in bed. Maar als ze opstaan,
zullen ze ook moeten ontbijten.”
Kent wist dat meneer Finney verwachtte, dat hij zou vragen
waar Pierre dan wel was, maar in plaats daarvan zei hij: „Wat zegt
meneer Dexter ervan, en mevrouw O’Toole?” Meneer Finney schudde
somber zijn hoofd. „Meneer Dexter is weg, op reis! Mevrouw O’Toole?
Wel, mevrouw O’Toole is naar Riverboro geweest om te proberen een
andere kok te vinden. Meneer Dexter heeft haar die opdracht
gegeven. Zij zei, dat meneer Dexter vanmorgen een briefje van
Pierre heeft gevonden. Pierre is vannacht weggegaan. Toen is meneer
Dexter ook vertrokken. Hij heeft het eerste vliegtuig naar Saint
Louis genomen. Pierre had in de keuken wel een aantal assistenten,
maar zonder zijn leiding zijn die waardeloos.”
„Heeft mevrouw O’Toole nog geluk gehad in Riverboro?” vroeg
Kent en hij probeerde zich intussen te herinneren wanneer hij voor
het laatst had gegeten. „Heeft ze een kok kunnen vinden?”
De man keek Kent mistroostig aan en wees in de richting van de
keuken. °
,,Ga maar eens een kop koffie halen, Kent. Als je die
opgedronken hebt en je bent niet al te ziek, kom dan terug om me te
vertellen of mevrouw O’Toole erin geslaagd is een kok te
vinden!”
Kent haastte zich om die raadgeving van meneer Finney op te
volgen. In de dinette keek hij nieuwsgierig over het buffet de
keuken in. Het was hem vreemd te moede toen hij daar niet, zoals
gewoonlijk, de zware gestalte van Pierre zag opdoemen. Zijn
gevoelens werden er niet beter op, toen hij zag wie mevrouw O’Toole
had meegebracht om de plaats van de chef-kok in te nemen: een
lange, schrale vrouw, die met een zuur gezicht eieren boven een kom
stuksloeg. Uit de uitdrukking op het gezicht van de vrouw kon Kent
wel opmaken, hoe de eieren zouden smaken.
„Natuurlijk iemand zonder ervaring, maar mevrouw O’Toole zal
wel geen keus hebben gehad,” zuchtte Kent en hij dacht vol weemoed
aan de wijze, waarop Pierres ogen zouden hebben geschitterd bij het
zien van een kom eieren. Gezeten aan een tafeltje dronk hij zonder
veel animo de bleke, geurloze mhoud van zijn koffiekop op en vroeg
zich af wanneer Pierre in Brooklyn zou aankomen.
Zijn gedachten werden onderbroken door de komst van Sherry
Collier.
„O, ben ik even blij je te zien!” riep hij enthousiast uit.
.Eindelijk iets gezelligs en vrolijks! Wat een avond en wat een
morgen!”
„Wat betreft de morgen ben ik op de hoogte,” glimlachte
Sherry. „Geen kok! Maar wat mankeerde er aan de avond? Je ging er
met zo’n vaart vandoor, dat je de indruk wekte dat je er heel wat
van verwachtte. Je had niet eens tijd om even bij me te komen
zitten en een praatje te maken, weet je nog?”
Kent knikte.
„Dat is zo, Sherry, maar ik had ook zo’n haast! Ik vraag me af
wat je me had willen laten zien. Kan dat nu niet gebeuren?”
„Ik heb het meegebracht,” zei Sherry.
Ze legde een envelop voor hem op de tafel. Kent nam hem op en
bekeek hem nieuwsgierig. Hij was dichtgeplakt en per luchtpost
verzonden. Hij was afgestempeld in Riverboro en de afzender was
Sherry Collier, Riverboro, Arkansas. De envelop was gericht aan
mevrouw Pepperton met als adres een bepaalde straat in New York,
waardoorheen gestempeld was: adres onbekend. Retour afzender.
„Wat zat erin?”
„Een blanco velletje papier. Ik heb het adres gebruikt dat
kolonel Pepperton opgaf als hij brieven aan zijn vrouw
dicteerde.”
„Brieven, die nooit verstuurd werden,” zei Kent. „Dat was
alleen maar bluf. Een poging om tijdens zijn verblijf in het hotel
een fatsoenlijke indruk te maken. Maar waarom heb je die lege
envelop verstuurd, Sherry?”
„Om te zien of hij terug zou komen.” Vol verstandhouding
grinnikte zij hem toe. „Ik was even nieuwsgierig als jij, Kent.
Eigenlijk heb jij dat op je geweten. Ikzelf mocht kolonel Pepperton
graag. Hij leek me echt aardig en vriendelijk en hij dacht overal
aan.”
„En óf hij overal aan dacht!” onderbrak Kent haar
verontwaardigd. „Alleen moet je niet vragen waaraan!”
„Kijk,” gaf Sherry vinnig ten antwoord. „Jij leek altijd iets
te hebben tegen kolonel Pepperton. Je vertrouwde hem niet en
zinspeelde op de afschuwelijkste dingen. Dat bracht mij aan het
twijfelen en daarom besloot ik die brief te verzenden. Zou het
adres wel juist zijn, dan rekende ik erop, dat mevrouw Pepperton
hem zou beschouwen als een domme vergissing van een niet al te
snuggere typiste.”
„Luister eens, domme typiste. Ik betwijfel of er wel ergens
een mevrouw Pepperton bestaat, laat staan op dat adres. Maar als je
je in verbinding wilt stellen met kolonel Pepperton, kan ik je zijn
huidige adres geven.”
Terwijl haar donkere ogen wijd opengingen van verbazing, deed
Kent haar het hele verhaal van het nachtelijk avontuur. Hij bracht
haar op de hoogte van het getuigenis van pastoor Cornelius, zoals
dat beschreven stond in het boekje, dat Josiah Addison ontvangen
had, en van de geschiedenis van de postkoetsoverval, die Digby
McShane uit de oude archieven van de Gazette had opgediept.
„Zie je hoe alles klopt, Sherry? Lew Cassidy is een van de
bandieten geweest, die de postkoets aangehouden en de smaragden
gestolen hebben. Hij wist, dat zijn broer Jake ze verborgen had in
een Cherokees muziekinstrument, want dat had hij zelf gezien. Toen
is Jake Cassidy echter verdwenen en Lew heeft nooit meer iets van
hem gehoord. Ook de smaragden zijn verdwenen zonder een spoor na te
laten. Maar Lew Cassidy was de grootvader van Spikes en kolonel
Pepperton. Van hem hebben wij de geschiedenis van de smaragden
gehoord. Ook dat zijn broer hier ergens in de omgeving was
gestorven, en dat hij de smaragden bij zich had gehad. Al eerder
hadden zij ernaar gezocht, maar toen het nieuws van Billie Groene
Booms dood bekend werd....”
„En daarbij ook melding gemaakt werd van de oude kalebas,”
vulde Sherry hem aan, „dachten zij zeker te weten waar de smaragden
zich bevonden en gingen zij aan het werk.”
„Maar het vreemde van het geval is,” zei Kent, „dat de
smaragden niet in de kalebas zaten. Iedereen, die met de hele
geschiedenis op de hoogte was, geloofde van wél.
Meneer McShane en ik waren er vast van overtuigd, toen we het
verslag van pastoor Cornelius gelezen hadden. Kolonel Pepperton en
Spikes dachten het ook. Sheriff Harper en Jeff Groeneboom eveneens,
toen meneer McShane hen op de hoogte had gebracht. Maar toch hadden
we het allemaal bij het verkeerde eind! De smaragden bevonden zich
niet in de kalebas. Die was, net zoals iedere andere rammelaar,
gevuld met kiezelsteentjes. In het begin wilde kolonel Pepperton
dat niet geloven. Sherry” — nu Kent het zich weer voor de geest
haalde, lachte hij even triest — „ik wou, dat je zijn gezicht had
kunnen zien, toen daar in de keet die steentjes op zijn hand
rolden! Hij was er zo zeker van geweest eindelijk de buit te
hebben! Hij beschuldigde Spikes ervan dat hij de juwelen verborgen
had en er kiezelsteentjes voor in de plaats had gedaan. Maar hij
vergiste zich. De smaragden hadden er werkelijk niet in
gezeten!”
„Maar waar kunnen ze dan zijn?” peinsde Sherry. „Het lijkt me
wel wat veel gevraagd te moeten denken, dat er twee van zulke
kalebasinstrumenten op dezelfde plaats zouden zijn achtergelaten
door de Indianen. En de kalebas in kwestie werd aangetroffen in de
hand van een dode, een als Indiaan geklede blanke. Nee, Kent, het
moet de juiste kalebas zijn geweest, zoals kolonel Pepperton en
Spikes ook gedacht hebben! En die dode blanke, die ook na zijn dood
nog de kalebas omklemd hield, móét Lew Cassidy’s verdwenen broer
Jake zijn geweest! Maar wie kan de smaragden uit de kalebas hebben
gehaald en wanneer is dat gebeurd? En waar zijn ze gebleven?”
„Billie Groene Boom was bang voor de kalebas,” zei Kent. „Voor
geen prijs had hij hem durven aanraken. En zijn familie ook niet.
Dat kwam door de ziekte. Zij dachten dat in de kalebas een boze
geest huisde, die hun kwaad zou doen. Herinner je je niet dat
dokter Endicott zei dat hij zelf de kalebas vastgehouden had toen
hij Billie ertoe overgehaald had hem te verven?”
Sherry knikte. „Nee, Billy zou nooit de smaragden uit de
kalebas hebben durven halen, zelfs al had hij ontdekt dat er in
plaats van steentjes juwelen in zaten. Ik kan me niet voorstellen,
dat iemand anders van zijn gezin dat wel gedurfd zou hebben.
Weliswaar heeft zijn grootmoeder het instrument uit de grot
meegenomen, maar dat was alleen omdat ze de gedachte, dat ze het
moest achterlaten, niet kon verdragen. Ook al was het behekst, die
Indianen hingen eraan, omdat het deel had uitgemaakt van hun oude
omgeving. Toch zijn de smaragden eruit gehaald, Kent! Waar kunnen
ze dan zijn?”
Kent schudde zijn hoofd en stond op.
„Ik moet weg! Het hotel staat vanmorgen op zijn kop. Meneer
Finney heeft me hierheen gestuurd om de koffie te keuren. Hij
verwacht me terug om er verslag over uit te brengen, maar dat zal
ik maar niet doen. Het zou hem nog meer van streek maken dan hij al
is.”
„Ik vraag me af wat er toch met Pierre gebeurd is,” zei
Sherry. „Hij scheen het hier juist zo naar zijn zin te hebben. En
meneer Dexter — trouwens iedereen — liep weg met zijn
kookkunst.”
„Ik moet nu werkelijk gaan,” herhaalde Kent. Hij was niet van
plan ook maar iemand — zelfs Sherry niet — deelgenoot te maken van
Pierres treurige geheim.
Halverwege de kamer bleef hij ineens staan en spitste zijn
oren. Iemand had de radio aangezet.
„.... werd het lichaam gevonden door een boer, die langs
de rivieroever op zoek was naar een paar afgedwaalde koeien.
Het werd tegengehouden door een half onder water liggende boom, bij
een scherpe bocht in de rivier. In de afgelopen nacht heeft er
boven de rivier een zware mist gehangen en het wordt waarschijnlijk
geacht, dat de vreemdeling in de duisternis van de weg is geraakt.
Van de zijde van de sheriff is tot nu toe geen mededeling gedaan
omtrent de identiteit van het slachtoffer.”
Kent ging de deur uit. Wat mij betreft heb ik geen mededeling
daarover nodig, dacht hij verslagen. Het is Spikes. En ik heb hem
daar in die duisternis laten sterven. Ik wilde hem gevangen nemen,
dat wel, maar ik heb echt niet gewild, dat hij zou verdrinken. Geen
bericht van de zijde van de sheriff! Todd Harper heeft zeker nog
geen bekendmaking verstrekt over zijn verrichtingen of, beter
gezegd, over onze verrichtingen van de afgelopen nacht!
Het leek die ochtend wel een gekkenhuis: in de keuken een
nieuwe en volslagen onbekwame kokkin, de bedrijfsleider afwezig en
mevrouw O’Toole en meneer Finney kortaf en prikkelbaar vanwege alle
zorgen. De bankoverval lag allen nog vers in het geheugen en daar
was nu nog iets bij gekomen. Het was bekend geworden, dat kolonel
Pepperton, een van de meest geziene en belangrijkste gasten van het
hotel, in verband met die overval gearresteerd was. Zijn aanhouding
scheen eveneens verband te houden met de tragische verdrinkingsdood
van de vreemdeling in de afgelopen nacht.
Toen de middag aanbrak begaf Kent zich naar zijn kamer en vond
daar een briefje van Jeff.
Bedankt voor het logies.
Ben naar meneer McShanes bungalow gegaan.
Jeff
Kent ging op weg naar de bungalow. Daar trof hij zowel Digby
McShane als Jeff aan, die er geen van beiden erg florissant uit
zagen.
„Hoe is het meneer Harper vanmorgen vergaan?” vroeg Kent
belangstellend. „Door de radio heb ik gehoord, dat Spikes verronken
is.”
„Zodra de mist weggetrokken was, heeft de sheriff enkele
mannen erop uitgestuurd om hem op te sporen,” antwoordde McShane.
„Ik heb me bij hen aangesloten. Maar een boer, die op zoek was naar
zijn vee, heeft het lichaam gevonden. Wij waren aan de andere kant
van de rivier. De arme kerel heeft geen enkele kans gehad! Hij was
helemaal niet van plan zich zwemmend in veiligheid te brengen. Hij
kon absoluut niet zwemmen! Dat heeft kolonel Pepperton ons
naderhand verteld. Door de duisternis misleid is hij pardoes in het
diepe water gevallen.”
Kent knikte somber.
„Ik dacht wel, dat het zo gebeurd moest zijn. En kolonel
Pepperton heeft dat vannacht al begrepen. Hij keek zo
vreemd, toen meneer Harper zei dat Spikes de rivier
overgezwommen was.”
McShane stak zijn hand in zijn zak en haalde een verkreukeld
stukje papier te voorschijn. Aan de hoeken was het omgekruld en het
zag er uit alsof het nat was geweest.
„Todd Harper had het niet meer nodig,” merkte McShane kortaf
op. „Door de mist is het vochtig geworden en een beetje
verkreukeld. Wil je het nog hebben, voor de dame die het gemaakt
heeft?”
Kent nam de foto aan en strekte zijn hand uit naar een doosje
lucifers op de tafel.
„Nee,” zei hij zacht. „Juffrouw March weet zelfs niet, dat die
afdruk bestaat. Ik vind het beter hem te laten verdwijnen. Het is
een nare foto en herinnert ons allemaal aan afschuwelijke dingen.
Van dat gezicht zal nooit meer een foto gemaakt worden en juffrouw
March zal een volgende keer, als ze probeert weer een vogelnestje
te fotograferen, misschien meer geluk hebben.”
Hij streek een lucifer af en liet de foto boven een asbak
verbranden. Op dezelfde manier had kolonel Pepperton het andere
exemplaar verbrand. Toen er alleen nog maar wat as over was, wreef
Kent in zijn handen en zei: „Dat is dat! Wat is meneer Harper van
plan te doen met.... met Spikes?”
„Ik weet het niet,” antwoordde McShane. „Hem laten begraven,
veronderstel ik. Kolonel Pepperton schijnt zijn enige verwant te
zijn. :De kolonel wordt naar Omaha getransporteerd, maar ik denk
dat de politie daar, nu de zaken zo staan, helemaal geen behoefte
heeft aan de handlanger van Spikes.”