23. Pierre komt terug
Kent werd wakker en lag, zonder zijn ogen open te doen of zich
te bewegen, te luisteren. Dichtbij klonken vage, zwakke geluiden.
Het was net of er iemand in de kamer ernaast rondliep. Zachte
voetstappen, het lichte gerinkel van een waterglas, het geschuif
van een stoel over de vloer.
Het is hiernaast, dacht Kent soezerig en hij voelde zich weer
wegzakken. In Pierres kamer.
Plotseling sperde hij zijn ogen wijd open. Hij richtte zich op
zijn ellebogen op om beter te kunnen luisteren. Pierres kamer! Maar
die kamer was leeg! Pierre was weg!
Dan heb ik dus een nieuwe buurman gekregen, zuchtte Kent, nu
klaar wakker. Arme Pierre, als buurman mocht ik hem graag. Als kok
mocht ik hem graag. En ook als Fransman, zelfs al was hij dat dan
niet.
Het was ver in de middag en Kent was op bed neergevallen om
vóór het avondeten een tukje te doen. Hij stond op en ging de deur
uit. Hij zag dat de deur van kamer 2 op een kier stond en kreeg
plotseling een schok van vreugde.
„Pierre! Pierre! Ben je terug?” riep hij.
Hij wierp de deur open en — zonder te wachten op een
uitnodiging — stormde hij naar binnen. De chef-kok legde zijn
enorme handen op Kents schouder en zijn donkere ogen straalden van
geluk.
„Ja, hoor, Kent, Keent! Ik ben er weer! Monsieur Dexter is
naar Saint Louis gegaan en heeft me teruggehaald. Ik moest daar
overstappen en terwijl ik op mijn aansluiting wachtte, arriveerde
zijn vliegtuig. Hij smeekte me. Hij zei, dat het hotel zonder zijn
Franse chef-kok geruïneerd zou worden. En ik.... nou, je herinnert
je toch wel, dat ik je verteld heb hoe ik me zou voelen als ik geen
Franse chef-kok meer zou zijn? Nou....”
„Maar je vrouw, Pierre, Nellie? Je zei....”
Pierre knikte bevestigend.
„Dat heb ik ook tegen monsieur Dexter gezegd! Ik heb hem
gezegd, dat ik het Nellie beloofd had. Om je de waarheid te zeggen,
Keent.... Kent, heb ik hem de hele geschiedenis verteld, dus ook
wie ik in werkelijkheid ben. Net zoals vannacht aan jou en Jeff.
Maar dat maakte geen indruk op hem. Hij bleef smeken! „Kom terug,
Pierre,” zei hij. „Niemand weet het, behalve jij en ik. Je
uitnemende reputatie als chefkok uit Parijs zal er niet onder
lijden.”
„Maar weet je, Kent” — zijn gezicht werd een en al ernst — „er
zijn wél anderen, die het weten. Jij en Jeff!”
Kent begon hartelijk te lachen.
„Ja, dat is zo, Pierre. En we hebben er erg over ingezeten.
Maar we hebben het absoluut niemand verteld en dat zullen we ook
niet doen. Voor zover men hier in het hotel weet, zijn Jeff en ik
net zo min met de reden van je vertrek op de hoogte als ieder
ander. Maar Nellie hoe moet dat nu met haar? Je hebt haar
immers beloofd dat je naar Brooklyn zou komen?”
Pierres gezicht klaarde weer op.
„Monsieur Dexter kon het niet over zijn hart verkrijgen
afstand te moeten doen van Pierre, zijn Franse chef-kok. Nellie
daarentegen kon het niet meer verdragen dat ze met de kinderen
alleen moest zijn zonder Peter Robinson. Maar soms, mon.... mijn
vriend, kan een compromis uitkomst bieden. Monsieur,Dexter heeft me
dat verteld; toen heeft.hij Nellie in Brooklyn opgebeld en zij was
het ermee eens.”
„Waaruit bestaat dat compromis dan?” grinnikte Kent. „Ik ben
reusachtig blij je terug te zien, Pierre, maar hoe hebben jullie
het geregeld?”
„Heel eenvoudig. Ik keer terug naar de keuken van het
Pijn-Punthotel als Pierre, de Franse chef-kok. Op die manier is.de
culinaire vermaardheid van het hotel gered! Nellie en de kinderen
komen in Riverboro wonen en dan zijn we weer allemaal bij elkaar.
Ons gezin is dan ook gered! Oui?”
„Oui!” lachte Kent. „Op die manier kan iedereen nog lang en
gelukkig leven.”
Toen Kent op het punt stond de kamer uit te gaan, draaide hij
zich om en zei: „O ja, die bankroof, Pierre. Vannacht was er geen
tijd het je te vertellen, maar misschien heb je het al gehoord. Ze
hebben de werkelijke daders gegrepen. Een van hen is dood en . . .
. en.de ander is kolonel Pepperton.”
„Onze kolonel Pepperton?” vroeg Pierre op ongelovige toon. „De
meest geziene gast van het hotel?”
Kent knikte. „Het is haast niet te geloven, maar toch is het
waar.”
„En dat eigenaardige idee om een kalebas te stelen,” zei
Pierre. „Dat is ook haast niet te geloven. Hadden zij de kalebas
werkelijk?”
„Ja, maar hij is verbrand. Hij is opgegaan in rook en heeft nu
voor altijd afgedaan.”
Tijdens de maaltijd in de dinette had Kent inwendige pret toen
hij de gefluisterde opmerkingen hoorde over de plotselinge
terugkeer van Pierre in het hotel. De chef-kok zelf neuriede
vergenoegd en hoorde niets.
„Het was inderdaad ongewoon,” zei mevrouw O’Toole, die bij
Kent, meneer Moss en Sherry Collier aan tafel zat, „zo maar zonder
waarschuwing zo’n verantwoordelijk werk in de steek laten. Maar,”
gaf ze met een lichte zucht te kennen, „Pierre is nu eenmaal een
heel ongewoon iemand.”
„Het kunnen praatjes zijn,” zei meneer Moss, „maar ik heb
horen vertellen, dat hij in werkelijkheid weggegaan is om te
trouwen. Hij was op weg naar Saint Louis en meneer Dexter is hem
achternagegaan en heeft hem overgehaald terug te komen.”
„Nog vóór hij getrouwd was?” Sherry glimlachte. „Dat geloof ik
niet, want hij ziet er erg gelukkig uit. Ik wed dat hij al getrouwd
is, en wel met een Frans meisje. Hij is dol op Frankrijk.”
Meneer Moss schudde zijn hoofd en glimlachte listig.
„Jullie zullen versteld staan als je weet wat ik heb gehoord,”
kondigde hij aan. „Herinneren jullie je nog die vrouw, die hier een
paar dagen gewerkt heeft, die vrouw uit Brooklyn? Haar naam was
Robinson, Nellie Robinson.”
„Natuurlijk,” antwoordde mevrouw O’Toole. „Ze leek wel aardig,
maar het was nogal dwaas van haar om hier helemaal werk te zoeken.
Zij had een stel kinderen, die ze in Brooklyn had
achtergelaten.”
„Daar gaat het nu juist om,” zei meneer Moss. „Die mevrouw
Robinson schijnt een weduwe te zijn met kleine kinderen. Maar zij
en Pierre zijn van elkaar gaan houden en ze wilden trouwen. Toen
zij dus naar het hotel kwam, was dat in werkelijkheid om Pierre te
ontmoeten. Ik veronderstel, dat zij toen hun huwelijk hebben
voorbereid.”
„Maar hoe is dat dan met die trouwerij gegaan?” wilde mevrouw
O’Toole weten. „En waar is de bruid dan nu?”
„Dat kan ik niet zeggen,” antwoordde meneer Moss, „maar
volgens de geruchten zouden zij en de kinderen nakomen en in
Riverboro gaan wonen.”
„Nou,” zei mevrouw O’Toole, „hoe het ook zij, iedereen is
geweldig blij, dat Pierre terug is. Meneer Dexter, de gasten, het
personeel en Pierre zelf ook. Wat een kok!”
„Wat denk jij er eigenlijk van, Kent?” vroeg Sherry. „Jij
zwijgt in alle talen over dit onderwerp!”
„Kent heeft ernstiger dingen om over na te denken,” kwam
mevrouw O’Toole hem te hulp. „Zoals jullie allemaal weten, was hij
erbij toen de bankrovers vannacht gegrepen werden.”
„Ja, en ook onze fijne kolonel Pepperton!” snoof meneer Moss
verachtelijk.
Men begon nu te praten over de bijzonderheden van de overval
en Kent had geen aanleiding meer zich nog langer te
verkneuteren.