13. Kents ontdekking

„Dokter Endicott, hebt u ooit weleens een man met een gewonde vinger behandeld?”
Kent wist, dat zijn vraag vrij dwaas klonk, maar hij had een aanloopje nodig om tot zijn werkelijke vraag te komen. Mevrouw O’Toole had hem met verschillende opdrachten naar de stad gestuurd en hij was blij dat het adres van de dokter ook op zijn lijstje voorkwam.
Zijn woorden ontlokten dokter Endicott echter geen glimlach. Op min of meer vermoeide toon antwoordde hij: „O, Kent, zoveel! Ook vrouwen en kinderen. In de lange jaren van mijn praktijk heb ik ontdekt, dat juist vingers het vaak moeten ontgelden. Die uitsteeksels van het menselijk lichaam schijnen steeds in de knel te moeten komen.”
„Dat is zo, dokter,” gaf Kent toe. „En moeten ze vaak geamputeerd worden?”
De dokter knikte. „Inderdaad komt dat nogal eens voor.” Nu kwam Kent voor de dag met de vraag, die hij vanaf het begin had willen stellen.
„Dokter, hebt u ooit een patiënt gehad, die er als volgt uit zag: een kleine, tengere en toch gespierde man met een lang, smal, lijkbleek gezicht met een onaangename uitdrukking? Ook zijn handen zijn wit, dun en benig. En aan Je linkerhand ontbreekt een lid van de middelvinger.”
De arts nam zijn bezoeker rustig op. Terwijl Kent een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de schimmige figuur probeerde te geven, kwam er een peinzende trek op het gezicht van dokter Endicott.
„Ik zou natuurlijk mijn boeken kunnen naslaan,” zei hij eindelijk. „Alleen ben ik bang, dat me dat niet veel zal helpen. Toch kan ik me vaag zo iemand voor de geest halen. Als ik me goed herinner, was het geen patiënt van me, maar een man, die ik nooit eerder had gezien en die ik ook daarna niet meer ontmoet heb. Hij moet een vreemdeling in Riverboro geweest zijn, want hier in de omgeving ken ik iedereen. Wanneer het precies geweest is, kan ik me niet herinneren, maar in ieder geval een aantal jaren geleden. Hij had een kogelwond. De vinger was verbrijzeld en ik heb hem gedeeltelijk moeten amputeren. De man werd hierheen gebracht door Nick Kimbal. Herinner je je nog de boerderij, waar ik moest zijn op de dag dat jij en Sherry Collier met me zijn meegereden?”
„Ja, dokter. De kinderen hadden de mazelen. Het was niet ver van Billie Groene Booms hut.”
„Ja. Nou, Dick bracht die man in zijn auto hierheen. Ik geloof dat Nick zei, dat hij de man in het bos had aangetroffen, bijna bewusteloos en op het punt dood te bloeden. Toen ik de arme kerel opgelapt had, vertelde hij me, dat hij op de eekhoornjacht was geweest. Daarbij was hij gestruikeld en zijn geweer was afgegaan.”
„Geloofde u hem?” vroeg Kent.
„Ach, het is nooit bij me opgekomen hem niet te geloven. Toen niet en ook niet daarna. Om je de waarheid te zeggen heb ik verder nooit meer aan hem gedacht, totdat jouw vraag hem weer in mijn herinnering terugriep. Het enige, waarvan ik me toen bewust was, was dat de man medische hulp nodig had en die heb ik hem verleend. Maar toch, nu ik goed nadenk, schiet het me te binnen, dat er iets merkwaardigs was. De verwonding was veroorzaakt door een jachtgeweer, maar hij had geen geweer bij zich. Het is mogelijk, dat hij dat was kwijtgeraakt, zoals hij ook zei. Volgens hemzelf had hij, totaal de kluts kwijt, een hele poos lopen dwalen eer Nick hem vond.”
„Dat klink aannemelijk,” moest Kent bekennen. „Natuurlijk was hij helemaal van de kook. Waarom vond u het zo merkwaardig, dokter?”
„Omdat de man in de binnenzak van zijn jas een pistool droeg. Er was niet mee geschoten, maar hij had het bij zich. Gewoonlijk, Kent, gaat iemand niet met een pistool gewapend op de eekhoornjacht. En zelfs al zou hij de voorkeur geven aan dat soort wapen, zou hij het dan in de binnenzak van zijn jas stoppen?”
Kent gaf geen antwoord en zij keken elkaar zwijgend aan. Dokter Endicott verbrak de stilte door te vragen: „Wat bezielt jou, Kent? Waarom stel jij zo’n belang in een van mijn vroegere patiënten?”
„Precies kan ik het niet zeggen, dokter Endicott. Alleen.... nou ja, het houdt verband met die oude rode kalebas."
„O, nog steeds die kalebas! Weet je, Kent, eigenlijk wou ik dat Billie en ik die maar verbrand hadden om de boze geest kwijt te raken in plaats van hem te verven. Als we dat gedaan hadden, zou er nu geen kalebas meer zijn en zouden de mensen me er niet meer over lastig vallen. O, nu ik eraan denk, ik heb Digby MeShanes artikel in de Gazette gelezen. Nadat het gepubliceerd was, verwachtte ik min of meer een nieuwe toevloed van gegadigden voor de kalebas. Maar....” en dokter Endicott spreidde zijn armen wijd uit, „totaal geen nieuwe gegadigden!”
„Ik veronderstel dat iedereen, die om de een of andere reden interesse had, daarvan al blijk heeft gegeven,” antwoordde Kent. „Maar, dokter, ik heb gehoord dat meneer Addison de kalebas uit historisch oogpunt bezien zó waardevol acht, dat hij hem voor alle zekerheid bij de bank in bewaring heeft gegeven.”
„Ja, mevrouw Addison heeft hem daar gisteren heen gebracht. Op de terugweg kwam zij even aan om het me te vertellen. Jasper Hardy, de kassier, heeft het ding in de kluis opgeborgen. Ik vind dat wel een goede regeling. Josiah heeft nu eenmaal een zwak voor oudheidkundige voorwerpen. Als hij die kalebas zo waardevol vindt, laat hij hem dan maar vertroetelen. Het zal er toch wel op uitdraaien, dat hij hem krijgt. Ik vond het werkelijk een probleem om te beslissen aan wie ik hem zou geven, aan Josiah of aan die Indiaanse jongen. Ik heb er steeds over gepiekerd aan wie Billie de voorkeur zou hebben gegeven. Maar nu Jeff Groeneboom teruggegaan is naar Hollywood, zal Josiah..."
„Is Jeff terug naar Hollywood?” riep Kent verbaasd uit. „Van wie hebt u dat gehoord, dokter Endicott?”
„Van mevrouw Addison.”
„Mevrouw Addison? Heeft zij Jeff dan nog ontmoet?” Kent was in de wolken dat hij nu eindelijk iets naders over Jeff vernam. „Wannéér heeft zij hem voor het laatst gezien?”
„Dat weet ik niet, Kent, want daar heeft ze niets van gezegd. Dat Jeff teruggegaan is naar Californië, had zij van iemand anders vernomen, van die oud-officier uit het hotel, kolonel Pepperton. Hij heeft, een bezoek gebracht aan het museum en toen Josiah verteld dat Jeff vertrokken was.”
Kent had nog twee andere punten op zijn programma, die hij, alvorens terug te keren naar het hotel, wilde afhandelen. Een daarvan bestond uit het opzoeken van een telefooncel, waar hij een gesprek aanvroeg met meneer Carter Lindsey in Hollywood.
Een opgewekte, prettige stem beantwoordde zijn oproep. „Meneer Lindsey,” zei Kent, „ik ben een vriend van Jeff Groeneboom en zou me graag met hem in verbinding stellen. Ik bel op vanuit Riverboro, omdat ik meen begrepen te hebben, dat Jeff naar Hollywood is teruggekeerd.”
„O nee,” klonk de stem aan de andere kant van de lijn, „Jeff is nog niet terug. Tenminste, ik heb nog niets van hem gehoord. Hij is met een speciaal doel naar Arkansas gegaan en wel met het oog op een bepaald muziekinstrument, dat hij voor onze band wilde proberen te kopen. Zodra hem dat gelukt is, komt hij terug.”
„Ja, meneer,” zei Kent, „dat heeft hij me verteld. U bedoelt die oude kalebas. Maar tot nu toe is hij daar nog niet in geslaagd, meneer Lindsey!”
„O nee? Nou ja, zo iets gaat nu eenmaal niet een-twee-drie. En eigenlijk is er ook geen haast bij. Jeff vond het prettig weer eens naar Arkansas te gaan. Als kind is hij daar vaak geweest. De oude man, aan wie het instrument behoort, Billie Groene Boom, moet zelfs nog een kennis van hem zijn. Als ik het goed heb, was Billie bevriend met Jeffs grootvader. Heb je niet bij Billie geïnformeerd naar Jeff?” „Nee, meneer Lindsey. Ziet u, Billie Groene Boom is dood. Hij is juist vóór Jeff hier aankwam gestorven.”
Na die mededeling van Kent heerste er geruime tijd stilte. Eindelijk verbrak Carter Lindsey die stilte. „Dat zou de
zaak weleens kunnen veranderen. Hoewel.... Jeff kan nu proberen de kalebas te kopen van de tegenwoordige eigenaar. Tot nog toe heb ik niets van Jeff vernomen, maar ik verwacht bericht van hem zodra hij iets naders weet." „Dat hoop ik,” antwoordde Kent ernstig. „Ik wou maar dat ik wist waar hij was!”
„O, Jeff zal het zeker op prijs stellen, dat je gebeld hebt,” verzekerde de prettige stem hem. „Als hij al op de terugweg is naar Hollywood, zal het niet lang duren eer hij komt opdagen. Ik zal hem dan wel vragen je terug te bellen.”
Kent bedankte hem en legde de hoorn op de haak.
Maar Jeff zal me niet terugbellen, dacht hij, terwijl hij de telefooncel verliet, want hij is niet op de terugweg naar Hollywood. Ook al denkt iedereen dat, ik voor mij geloof het niet. Hij zou niet vertrokken zijn zonder het me te laten weten. En hij zou ook nooit zijn weggegaan zonder definitief te weten of hij de kalebas al dan niet mocht hebben. Er is vast iets gebeurd met Jeff!
Zijn volgend doel was het museum. Al meteen nadat de rode kalebas zijn belangstelling had gewekt, had hij zich voorgenomen daar een bezoek te brengen om eens met Josiah Addison te kunnen praten. Maar nu kwam daar nog iets bij. Hij wilde namelijk graag zelf de plek zien waar Digby McShane de indringer betrapt had bij het openen van het raam en tevens wilde hij meneer Addison vragen wanneer hij Jeff voor het laatst gezien had.
Kent trof Josiah Addison aan in zijn rolstoel, in de antiek ingerichte zitkamer. Kent stelde zich voor en noemde vervolgens de namen van dokter Endicott en Digby McShane. „Dat zijn vrienden van me,” zei hij. „Ikzelf werk in het Pijn-Punthotel.”
„Zo, welkom in mijn kleine museum, Kent,” zei meneer Addison en hij schoof een stapel pakpapier van de stoel naast zich. „Een vriend van dokter Endicott is ook mijn vriend. En Digby McShane is een prima schrijver. Ga hier maar zitten. Mijn vrouw is niet thuis, vandaar dat het hier een beetje rommelig is. Ik heb juist een boek uitgepakt, dat met de ochtendpost is gekomen, en wilde er net aan gaan beginnen.”
„Dokter Endicott zegt, dat uw museum erg goed wordt,” merkte Kent op. „Hij heeft me verteld, dat uw belangstelling vooral uitgaat naar de plaatselijke geschiedenis.”
„Ja, dat is zo. Alles wat met deze landstreek en zijn bevolking te maken heeft, boezemt me belang in. Mijn verzameling breidt zich nog steeds uit. Vooral oude boeken en documenten hebben mijn voorkeur. Die krijg ik dan ook vaak toegezonden, net zoals dit kleine werkje, dat een vriend van mij me vandaag gestuurd heeft. Ik heb nog geen tijd gehad het in te kijken. En, vóór ik het vergeet, ik heb het aan jouw vriend Digby McShane te danken dat ik dit boekje heb gekregen. Dat zal ik hem de eerstvolgende keer dat ik hem zie zeggen.”
„Wat had meneer McShane ermee te maken, meneer Addison?”
„Weet je, Digby McShane is een voortreffelijk journalist en de krant, waaraan hij verbonden is, heeft blijkbaar een wijdverspreide oplage. Dit boek werd me uit Denver gezonden en de schenker schrijft, dat hij het stuurt naar aanleiding van het artikel van Digby McShane over Billie Groene Boom en de oude kalebas. Misschien weet je, dat McShane zijn artikel geïllustreerd heeft met een foto van mij. Ook noemde hij mijn museum en hij heeft geschreven, dat ik hoopte het Cherokese muziekinstrument te kunnen toevoegen aan mijn verzameling oudheidkundige voorwerpen.”
„Ja,” zei Kent, „dat artikel heb ik gelezen.”
„Nou, die knaap in Denver heeft aan de uriiversiteit gestudeerd toen ik daar college gaf. Ik was hem uit het oog verloren, maar doordat hij toevallig een exemplaar van de Gazette met daarin McShanes artikel en mijn foto onder ogen kreeg, herinnerde hij zich dat hij nog een oud boekje had. Dat was, samen met een heleboel andere dingen, in zijn bezit gekomen door de dood van een of andere verwant of vriend. Hijzelf stelde er geen belang in, maar hij dacht dat het mij wel zou interesseren, omdat enkele gedeelten ervan betrekking hebben op het Ozarkgebergte. Kijk, dit is het.”
Van de tafel naast zich nam hij een boekje op en overhandigde het aan Kent. Het was een klein boekje, dat er oud uit zag en, naar Kents mening, helemaal niet interessant. Uit beleefdheid nam hij het boekje aan en sloeg een paar vergeelde bladzijden om. Ondertussen overwoog hij hoe hij het onderwerp Jeff Groeneboom en de rode kalebas zou kunnen aansnijden. De tijd vergleed snel en eigenlijk moest hij al teruggaan naar het hotel, maar hij had nog steeds niet het raam gezien, dat meneer McShane hem beschreven had.
„Herinneringen van een pastoor,” las hij hardop van de achterkant van het boekje. „Dat klinkt erg....”
„O, bezoekers!” riep meneer Addison uit toen er voetstappen weerklonken op de veranda. „Wil je me excuseren, Kent? Zij komen natuurlijk voor het museum. Het zal wel niet lang duren;” . .
Hij begroette de bezoekers, een paar dames die per auto gearriveerd waren. Hij reed in zijn rolstoel voor hen uit, het grote, als museum ingerichte vertrek binnen.
Geërgerd door de onderbreking maakte Kent aanstalten op te staan. Hij wierp een blik op zijn polshorloge.
„Nou ja,” zuchtte hij en hij liet zich terugzakken op het puntje van zijn stoel, „als ik de benen neem terwijl hij bezig is, zal hij me erg lomp vinden. Ik zal nog maar even wachten,, ook al is het de hoogste tijd voor me om terug te gaan naar het hotel.”
Gedachteloos bladerde hij opnieuw het oude boekje door. Vanuit het museum drongen de stemmen van de bezoeksters en de zacht gegeven antwoorden van Josiah Addison tot hem door. Buiten voor het huis lag het gazon te schroeien in de hete junizon. Zelfs de vogels in de bomen maakten een lome indruk.
„Herinneringen van een pastoor,” mompelde Kent nog eens. „Waaruit zouden de herinneringen van een pastoor wel bestaan?”
Snel bladerde hij verder en bekeek vluchtig de tekst. Ondertussen dacht hij vol ergernis aan de verstrijkende tijd. Maar plotseling begon hij langzamer te bladeren. Hij was. zich niet langer van de tijd bewust. Hij begon te lezen op de bladzijde, waarop zijn oog was gevallen, en las nu vol aandacht. Daarbij vergat hij alles — de tijd, Josiah Addison, Jeff — alles, behalve een antieke kalebas en twee dode handen, die er zich naar uitstrekten. Een bruine en een blanke hand!